vrijdag 2 juni 2017

'Mein Kampf' en twee totaal verschillende manieren van omgaan met informatie


Laatst aangepast op 4 juni 2017.


Is Mein Kampf bijzonder? Dit was de vraag die ik in mijn vorige blogpost probeerde te beantwoorden. Ik vond het boek niet bijzonder, maar wel belangrijk.

Nu heb ik de vervelende gewoonte overal losse eindjes te zien: dingen die niet kloppen. Hier dacht ik zo iets te zien. Kun je een boek tegelijkertijd niet bijzonder vinden, maar wel belangrijk?

Zijn die waarde-oordelen niet strijdig met elkaar? Als Mein Kampf niet bijzonder is, zou je verwachten dat het boek ook niet belangrijk is.

Dit lijkt misschien een onbelangrijk punt, maar het antwoord heeft consequenties voor het omgaan met een boek als Mein Kampf, het begrijpen van discriminatie en agressie en mogelijk nog meer zaken.


Twee manieren van omgaan met Mein Kampf

Met de stelling dat Mein Kampf belangrijk is, bedoel ik dat het boek belangrijke informatie bevat. Het boek geeft een kijkje in de geest van Hitler. Als je wilt weten, hoe die man dacht, moet je Mein Kampf lezen. Om die reden is het een belangrijk boek.

Mein Kampf geeft niet alleen een blik in de geest van Hitler, het laat ook zien hoe strongmen denken. Het belang van het boek gaat daarmee nog verder dan alleen het begrijpen van de Tweede Wereldoorlog.

Waarom is Mein Kampf niet bijzonder? Het verhaal dat Mein Kampf een heel bijzonder boek zou zijn, is het geloof van volgelingen/gelovigen (autoritaristen). Het soort mensen waar Hitler op mikte en ook het soort mensen dat geen heil ziet in het lezen en moeizaam bestuderen van een boek.

In de associatieve denkwereld van volgelingen/gelovigen is Hitler het toppunt van slechtheid of het toppunt van goedheid, afhankelijk van de groep waartoe men behoort. Omdat men Mein Kampf associatief koppelt aan Hitler, krijgt het boek vervolgens de eigenschappen die men aan Hitler toeschrijft.

Het boek zou of het toppunt van slechtheid zijn of, als men in een ultra-rechtse groep zit: het toppunt van goedheid.

De volgelingen/gelovigen die geloven dat het boek het toppunt van slechtheid is, willen het verbieden en verbranden. Het moet weg. Ze denken dat het een gevaarlijk boek is.

De volgelingen/gelovigen die geloven dat het boek het toppunt van goedheid is, willen het bezitten, betasten en aanbidden. Het boek moet verdedigd. Ze denken dat het hun ticket naar een betere toekomst is.

Vrijwel geen enkele volgeling/gelovige zal het boek echter serieus lezen. In hun optiek is dat een saaie en zinloze activiteit, hoewel men tegenover anderen met kracht het tegenovergestelde zal beweren.

Als ik zeg dat Mein Kampf belangrijk is, bedoel ik dat het boek belangrijke informatie bevat. Als ik zeg dat Mein Kampf niet bijzonder is, bedoel ik dat het boek geen vrijbrief mag zijn voor allerhande wilde en ongefundeerde beweringen zoals volgelingen/gelovigen (autoritaristen) die geneigd zijn te verkondigen.

Wanneer we het dus hebben over een boek als Mein Kampf moeten we kiezen: of we treden in de voetsporen van Hitler en zijn aanhangers en we babbelen er vrolijk op los, met uiteindelijk soms vreselijke consequenties, of we kiezen de tegenovergestelde, rationele benadering. 


Een veelomvattend probleem

Eigenlijk is het probleem nog groter. Het gaat er niet alleen om, hoe we omgaan met een boek als Mein Kampf. Het gaat er in het algemeen om, hoe we omgaan met boeken, teksten en informatie.

Als je je realiseert dat de emotionele, autoritaristische manier van omgaan met teksten niet de juiste is, moet je proberen zo consequent mogelijk de tegenovergestelde, rationele manier van omgaan met teksten en informatie toe te passen.

Dat klinkt simpel, maar is het vermoedelijk niet. Ik zie twee problemen waardoor het beter en vaker toepassen van de rationele benadering nog niet zo simpel is.

Ten eerste: wat houdt die rationele manier van omgaan met teksten en informatie precies in? Wat is precies het verschil met de irrationele, emotionele benadering?

Het tweede probleem is de vraag of mensen wel zin hebben in zo'n rationele benadering. Uitgaande van het soortenmodel levert autoritarisme mensen vaak voordeel op.

In die omstandigheden is het voordeliger irrationeel, emotioneel te reageren dan rationeel. Je kunt dan moeilijk verwachten dat men spontaan zijn gedrag gaat bijstellen.

Aan de andere kant is het ook te somber om onmiddellijk te denken, dat het niet zou kunnen.

Wanneer alle mensen beschikken over twee fundamenteel verschillende manieren van reageren op informatie — de stelling die lijkt te volgen uit de vorige blogpost — is het misschien al voldoende één van die manieren extra in te oefenen om te zorgen dat die manier gemakkelijker gekozen wordt.

Het resultaat zou dan kunnen zijn, bij toepassing op behoorlijke schaal, dat de cultuur wegschuift van discriminatie, agressie, oorlog en genocide, terwijl zaken als rationeel denken, mensenrechten en productie versterkt zouden worden.

Eerst moet we echter duidelijk krijgen, wat het verschil is tussen beide manieren van reageren. Wat is precies het verschil tussen de rationele en irrationele benadering?

Voor het antwoord op deze vraag gebruik ik een aantal voorbeelden uit het 'moderne' discriminatie-onderzoek zoals dat in de Tweede Wereldoorlog begon. Ik probeer te laten zien, dat beide manieren van reageren in het onderzoek een belangrijke rol hebben gespeeld.


Voorbeeld 1: Fromm over de oorzaak van de Holocaust

Na het aan de macht komen van Hitler in 1933 begonnen leden van de Frankfurter Schule zich af te vragen of er een diepere oorzaak was voor het steeds verder toenemende antisemitisme. 

Erich Fromm stelde in 1941 (hier) op grond van zijn ervaringen met het fascisme dat veel mensen bang zijn voor de vrijheid die een democratie biedt en veiligheid en structuur zoeken in een groter geheel waar ze onderdeel van proberen te worden (hier).

Hij noemde in dat verband autoritarisme ('authoritarianism') als eerste kenmerk van dit soort mensen: mensen die zich aangetrokken voelen tot een hiërarchische relatie. In zijn termen geformuleerd: een sadomasochistische meester-slaaf-relatie.

De 'masochistische' persoon (de slaaf) probeert onderdeel te worden van een groter en machtiger geheel, daarin op te gaan, te participeren en zich daaraan te onderwerpen. Door een onderdeel van een macht te worden, die hij als sterk, eeuwig en aantrekkelijk ziet, deelt hij in de macht en glorie van zijn heer.

Hij hoeft niet langer beslissingen te nemen, is niet langer verantwoordelijk voor het eigen lot en hoeft niet langer te twijfelen aan de zin van het leven. Deze vragen worden beantwoord door de macht waaraan hij zich heeft verbonden en onderworpen.

Tegelijkertijd zijn in autoritaristische personen volgens Fromm ook altijd 'sadistische' trekken aanwezig, die kenmerkend zijn voor de meester. Hij noemt in dit verband drie aspecten: 1. het streven naar macht over anderen, 2. het streven en de behoefte om anderen te gebruiken, te exploiteren, te bestelen, te misbruiken en 3. de behoefte om andere mensen te vernederen, te kwetsen en te laten lijden.

Een tweede aspect dat Fromm dacht te zien in de persoonlijkheid van deze 'vijanden van de vrijheid' was een grote mate van agressiviteit ('destructiveness'). Deze agressiviteit was niet rationeel, maar irrationeel: kwam van binnen uit.

Hij schrijft daarover dat die agressiviteit in de persoon zit en slechts wacht op een gelegenheid om naar buiten te komen. (The destructiveness here under discussion, however, is not this rational — or as one might call it 'reactive' — hostility, but a constantly lingering tendency within a person which so to speak waits only for an opportunity to be expressed.)

Een derde aspect dat hij dacht te zien in de autoritaristische persoonlijkheid was robotachtige conformiteit: het zich volledig aanpassen aan de groepsnorm. De persoon houdt op zichzelf te zijn; hij wordt precies als alle anderen en zoals men verwacht dat hij zal zijn.

Het onderscheid tussen de persoon en de (sociale) wereld verdwijnt en daarmee de angst voor eenzaamheid en machteloosheid. Men gaat op in de groep. De persoon die zijn eigen zelf opgeeft en een robot wordt, identiek aan miljoenen andere robots om hem heen, hoeft zich niet langer alleen en angstig te voelen.

Het beeld dat Fromm in 1941 van de 'vijanden van vrijheid' met een overvloed van woorden en niet altijd even helder, schetste, valt — voor wie precies weet wat hij moet zoeken — samen te vatten als: agressieve robots die blindelings orders opvolgen.

De geschiedenis leert dat Fromm op deze drie punten (blindelings orders opvolgen, agressief en conformistisch) gelijk had (hier). Ook het 'moderne' discriminatieonderzoek heeft daarna zijn gelijk op deze drie punten bevestigd.

-------------------------------------------------------------------------------------------------
Fromm en het soortenmodel

Fromm dacht een bepaalde overeenstemming te zien in de opvattingen van de meester en de slaaf. Beide partijen accepteren de hiërarchische relatie tussen hen als normaal en vanzelfsprekend. Het basisprincipe van de relatie is: likken naar boven en trappen naar beneden.

Dit idee van Fromm wordt door onderzoek bevestigd. Zowel de leiders (de meesters) als de volgelingen/gelovigen (de slaven) scoren hoog op autoritarisme (RWA).

Het onderscheid tussen meesters en slaven, dat Fromm aanstipt, wordt bij onderzoek teruggevonden doordat de groep die hoog scoort op sociale dominantie (SDO) streeft naar de rol van meester, terwijl de groep die laag scoort op deze variabele, tevreden is met de rol van volgeling/gelovige (slaaf).

Fromm zag de behoefte van onderwerping aan een hogere macht als iets ziekelijks, evenals de behoefte iemand te domineren en te vernederen. Ook het principe: 'likken naar boven en trappen naar beneden,' komt nogal negatief over.

Uitgaande van het soortenmodel kan men echter voor een hiërarchische relatie ook denken aan de relatie tussen een hond en zijn baas. De gediscrimineerde en uitgebuite partij kan dan voorgesteld worden door een kudde schapen. Dit laat zien dat een hiërarchische relatie voor de betrokkenen voordelen kan hebben.

Deze vergelijking gaat echter mank op een belangrijk punt. Herders gedragen zich rationeel. De schaapskudde is hun enige bron van inkomsten. De herder scheert de schapen, maar vilt ze niet. Integendeel, hij zal zijn bezit op alle mogelijke manieren verdedigen.

Grote Leiders met hun volgelingen/gelovigen (vaak letterlijk hun 'dogs of war') vertonen echter een sterke neiging tot irrationeel en agressief gedrag. Een alfawolf met zijn wolvenroedel ('wolfpack'), die schapen ziet als prooi, vormt dan een betere vergelijking.

Voor de wolven in het pack, vormt het pack hun middel van bestaan en overleven. Voor de schapen vormt het pack een dodelijke bedreiging waarmee ze moeten zien te overleven.

De wolven in het pack hebben een positieve relatie met hun pack en met hun alfawolf. Zonder hun pack en leider zijn ze ten dode opgeschreven.

De schapen in de kudde hebben een negatieve relatie met het pack en de alfawolf. Tegelijkertijd biedt de kudde een bepaalde bescherming, waardoor ze onderling een positieve relatie hebben.

Uitgaande van het soortenmodel is er dus geen reden om de hiërarchische meester-slaaf-relatie in het pack als ziekelijk te zien en om de egalitaire relaties tussen de schapen onderling als normaal en gezond te zien.

Zowel de wolven als de schapen bevinden zich in verschillende situaties waardoor voor beide groepen andere criteria gelden. Een moralistisch oordeel is niet nodig.

Het aardige van dit wolfpack-model is dat het ook de verschillende manieren van omgaan met informatie verduidelijkt. Voor de wolven is informatie het signaal om de achtervolging in te zetten of elkaar bij te staan tegen indringers.

De boodschap aan het wolfpack is simpel: 'Goed volk!' of 'Slecht volk!' waarbij de bron (de autoriteit) van de boodschap doorslaggevend is voor de juistheid ervan. Wanneer X fout is, moet X bestreden en weggejaagd. Anders is het iemand van de eigen groep, die oké is.

Voor de schapen moet informatie iets zijn dat nuttig is om eten te vinden (te produceren) of de informatie moet nuttig zijn om het gevaar te verkleinen (te overleven). De informatie klopt of klopt niet en moet iets opleveren.

Het wolfpack-model laat ook zien, waarom de drie kenmerken die de basis voor de definitie van autoritarisme vormen (blindelings orders opvolgen, agressief en conformistisch) nodig zijn. Wil het pack schapen kunnen vangen, dan moet het de leider blindelings volgen en voldoende agressief zijn.

Maar waarom dan het derde punt: conformisme en hechten aan tradities? De uiterlijke verschillen tussen wolven en schapen ontbreken bij mensen. Mensen kunnen in beginsel zowel de rol van wolf als de rol van schaap spelen.

Bij het vaststellen of het om vriend of vijand gaat, moeten menselijke wolven daardoor afgaan op uiterst kleine verschillen in uiterlijk en gedrag. Dit betekent dat een menselijke wolf die afwijkt, gemakkelijk aangezien kan worden voor schaap en in dat geval beschouwd zal worden als verrader en spion.
-------------------------------------------------------------------------------------------------

Het irrationele van Fromm
Ondanks dat Fromm het op drie punten goed had, heb ik ook bezwaren tegen het verhaal van Fromm.

Een eerste concreet punt is dat zijn geloof (of theorie) werd vertaald in negen toetsbare voorspellingen over de autoritaristische persoonlijkheid, waarvan er uiteindelijk slechts drie bleken te kloppen.

Dat is beter dan niks, maar ik vind het geen geweldige score. Het laat zien dat Fromm soms wel erg gemakkelijk dingen beweerde, die er niet waren.

Een ander bezwaar dat ik tegen Fromm heb, is zijn schrijfstijl. Hij is vaag, verwarrend, langdradig, imponerend (bullshitting) en het is voortdurend onduidelijk hoe hij aan zijn wijsheid komt en of hij wel iets heeft waargenomen of zo maar wat beweert.

Om die redenen denk ik dat je het werk van Fromm moet zien als de verkondiging van een geloof. De bedoeling is volgelingen/gelovigen te werven, die Fromm zien als de grote meester, die voor de volgelingen onbegrijpelijke, maar uiterst diepzinnige wijsheden uitkraamt, die hem door een hogere macht zijn gegeven.

Het verhaal van Fromm is uitgaande van zijn manier van redeneren (dogmatisch in plaats van inductief), uitgaande van de grote hoeveelheid onwaarheden/onjuistheden en uitgaande van die vage, bombastische stijl een voorbeeld van een irrationeel betoog. Hij werd niet gedreven door waarnemingen van de werkelijkheid, maar door het streven zijn publiek te imponeren.

Daarmee lijkt zijn proza in zekere zin sterk op dat van Hitler. Aan de ene kant begrijpt hij de meester-slaaf relatie goed, aan de andere kant probeert hij net als Hitler de rol van grote meester te spelen.

-------------------------------------------------------------
Is het plausibel dat Fromm zelf autoritaristisch was?

Allereerst zijn er de punten die ik hiervoor noemde: 1. onwaarheden; 2. vaag en dogmatisch in plaats van precies en inductief; 3. zichzelf opwerpend als de grote guru. Een vierde punt is zijn moralisme. De meester-slaaf-relatie is in zijn optiek fout en ziek.

Deze vier punten gaan ook op voor Mein Kampf. Hitler maakt zich nooit druk over de juistheid/onjuistheid van zijn uitspraken, hij is uiterst dogmatisch in plaats van inductief en hij werpt zichzelf op als de Grote Leider, waarbij hij voortdurend morele fout-goed oordelen velt.

Van Fromm is verder bekend dat hij psychoanalyticus was en lid van de Frankfurter Schule. Psychoanalytici zijn gespecialiseerd in het vertellen van vage en mooie verhalen aan niet kritische 'patiënten', waarbij ze zichzelf positioneren als de Grote Deskundige.

De leden van de Frankfurter Schule vormden een soort geloofsgenootschap dat zich specialiseerde in het uitkramen van indrukwekkende betogen, die echter niet of amper wortelden in de realiteit, maar eerder een soort virtuele, verbale werkelijkheid vormden.

Al deze punten suggereren dat Fromm zelf autoritaristisch was en gemotiveerd was in de hiërarchische relatie de rol van Grote Meester naar zich toe te trekken.
-------------------------------------------------------------

Wat kunnen we in dit voorbeeld zien? Ik denk dat Fromm zich sterk liet leiden door zijn publiek en dat dat de irrationele aspecten in zijn verhaal verklaart. Tegelijkertijd lijkt achteraf ook duidelijk dat hij het op enkele belangrijke punten toch goed gezien heeft.

Aan de ene kant is zijn verhaal dus sterk irrationeel en dogmatisch. Aan de andere kant zou zijn verhaal wel de basis leggen voor de rationele en inductieve benadering daarna.

Wetenschap begint kennelijk vaak met een guru die op een zeepkist klimt en met diepzinnige wijsheden volgelingen/gelovigen om zich heen weet te verzamelen. Tenslotte komt er een nerd als Altemeyer langs, die zich afvraagt wat er nu precies wel en niet klopt van dat mooie verhaal en vervolgens een leven lang bezig is de zin van de onzin te scheiden.


Voorbeeld 2: de Holocaust bestrijden via wetenschappelijk onderzoek

In het digitale archief van het American Jewish Committee (AJC) zijn de eerste rapporten over het Duitse fascisme die ik kan vinden, gedateerd in 1933 (hier). Op dat moment maakte men zich dus niet alleen zorgen over de berichten uit Europa, maar resulteerde dat ook al in expliciete pogingen tot gericht nadenken over het probleem.

Bij die pogingen tot gericht nadenken bleef het niet. Het AJC heeft wetenschappers al tijdens de Tweede Wereldoorlog (in mei 1944) opdracht gegeven voor onderzoek naar de oorzaken van de Holocaust.

De reactie van het AJC op de Holocaust in Europa lijkt me het toppunt van een rationele benadering. Men ziet zich geconfronteerd met uiterst verontrustende en emotioneel aangrijpende informatie uit Europa betreffende de groep mensen waartoe men zelf behoort. Onder deze omstandigheden reageert men niet emotioneel, nee, men besluit zelf wetenschappelijk onderzoek te financieren naar de oorzaak van de gebeurtenissen.

Men zegt niet: dat soort dingen gebeurt nu eenmaal om vervolgens niets te doen of weg te kijken. Men zegt ook niet: het is vreselijk, we moeten die mensen op alle mogelijke manieren bestrijden. Nee, men zegt: wat daar gebeurt is voor ons belangrijk, wij willen dat beter begrijpen en de oorzaak weten en we zijn bereid die zoektocht zelf te betalen.

In confrontatie met een groot en bedreigend probleem, kiest men voor wetenschappelijk onderzoek, in de hoop op die manier het probleem te kunnen oplossen.

Klopt mijn idee dat het hier om een uiterst rationele reactie op de Holocaust ging of liet men zich in werkelijkheid leiden door een blind geloof in de wonderbaarlijke kracht van de wetenschap?

Het zou immers ook kunnen zijn dat de wetenschappers die de onderzoeksopdracht wisten los te krijgen, een prachtig verhaal ophingen dat de oorzaak van de Holocaust voor het grijpen lag. Wanneer de mensen van het AJC dat verhaal geloofden, omdat het van erkende wetenschappers kwam, zou het juist gaan om een irrationele reactie.

Het digitale archief van het AJC bevat (in Anti-Semitism/ AJC file . . ., 1944-1946) een document van twee bladzijden (gedateerd op 18 mei 1944) waarin men een dertiental vragen geformuleerd heeft voor de Conference on Research in the Field of Anti-Semitism, May 20 and 21, 1944, Biltmore Hotel, New York City. Het document is getiteld: Some Questions of Interest to a Pragmatic Approach to Combating Anti-Semitism.

De derttien vragen van het AJC worden in het begin van het document ongeveer als volgt samengevat:
1. wat is de aard van antisemitisme?;
2. welke methoden zijn geschikt om antisemitisme te bestrijden?;
3. welke mogelijkheden zijn er om door testen de geschikste methoden te vinden?

Het AJC dacht op 18 mei 1944 dus aan een kant vrij rationeel. We zitten met een probleem. Wat is precies de oorzaak van het probleem? Welke methodes zijn er om het op te lossen? Hoe effectief zijn die methodes?

Ik denk echter dat men aan de andere kant mogelijk ook beïnvloed is geworden door het verhaal van Fromm en de zijnen. Er waren wetenschappers die met veel overtuiging vertelden dat de oorzaak van het antisemitisme voor het grijpen lag.

Ik denk dat het AJC vervolgens geredeneerd heeft: misschien levert het allemaal niets op, maar misschien ook wel. Laten we een bescheiden bedrag ter beschikking stellen en zien wat eruit komt.


Voorbeeld 3: empirisch onderzoek naar de Holocaust op basis van geloof

De opdracht van het AJC voor onderzoek naar de oorzaken van antisemitisme resulteerde zes jaar later, in 1950, naast een viertal andere publicaties die minder invloed zouden hebben, in het boek: The Authoritarian Personality, de autoritaristische persoonlijkheid (hier).

Dit boek geldt als het begin van het empirische onderzoek naar 'autoritarisme'. Zonder dit boek was er nooit een Bob Altemeyer geweest die ruwweg veertig jaar lang geduldig werkte aan het meten en valideren van autoritarisme (RWA).

De 988 bladzijden die Theodor W. Adorno, Else Frenkel-Brunswik, Daniel Levinson en Nevitt Sanford produceerden, zijn (als 23 hoofdstukken) te downloaden uit het digitale archief van het AJC (hier, zoeken op 'authoritarian personality' in de periode: januari 1950- december 1950). 

De verdiensten van het boek
Hoewel vrijwel iedereen altijd uiterst kritisch is over het boek en ik op dat punt geen uitzondering was, begon ik na verloop van enige tijd de sterke punten te zien.

Een eerste positief punt is dat de auteurs zich volledig concentreren op de aanhangers van mensen als Hitler. Zonder aanhangers zijn mensen als Hitler slechts idioten die op een zeepkist staan te schreeuwen, zoals Altemeyer stelt.

De auteurs hebben dus een duidelijk idee wat de oorzaak van het probleem is. Het gaat erom aan te tonen dat potentiële aanhangers van mensen als Hitler, qua persoonlijkheid afwijken van andere mensen.

------------------------------------------------------------------
Waarom hadden de auteurs dit, zeker voor die tijd, 'vreemde' idee?

Ik denk dat de eenvoudigste verklaring directe waarneming is. Wie persoonlijk ervaring heeft met een discriminerende groep en in de gelegenheid is, zich te verdiepen in het denken van de betrokkenen, kan het bijna niet ontgaan.

Er lijkt onmiskenbaar iets mis te zijn met het denken van de groepsleden. De woorden rollen er vlot en ongehinderd uit, maar er is een probleem met de betekenis. Bestaande feiten doen er opeens niet langer toe, alternatieve feiten worden ter plekke verzonnen. Men treedt een virtuele wereld binnen waarin de werkelijkheid hoogstens nog iets lastigs is, dat of verbaal of met geweld kan en moet worden bedwongen.

Vervolgens waren de auteurs beïnvloed door de grote guru Fromm en was men vaak ook lid van dezelfde groep. Men geloofde het idee dus vermoedelijk ook, omdat iedereen in de groep er inmiddels zo over dacht.

Tenslotte is die veronderstelling, zodra je de moeite neemt erover na te denken, volstrekt logisch. Er was in Duitsland een minderheid die Hitler aan de macht hielp en een meerderheid die niets van hem moest hebben. Er moet dan een factor X zijn waardoor sommige mensen het 'kwaad' omarmen en anderen niet.
------------------------------------------------------------------

Een tweede pluspunt van het boek is dat de auteurs zich realiseerden dat aanhangers van mensen als Hitler in alle landen en alle culturen voorkomen en niet slechts beperkt waren tot Duitsers en nazi's. Men veronderstelde, dat de geneigdheid tot fascisme een universeel verschijnsel is. Dankzij deze veronderstelling werd het mogelijk empirisch onderzoek te verrichten.

Een derde pluspunt was dat men het probleem daadwerkelijk via empirisch onderzoek aanpakte. Bij mijn weten behoorde men daarmee tot de eersten. Zelfs nu is het idee dat de Holocaust empirisch bestudeerd kan worden, voor veel mensen nog een brug te ver.

Een vierde belangrijk punt was dat men zich realiseerde, dat men moest kwantificeren. Door te kwantificeren (variabelen meetbaar maken) komen veel krachtiger analysemethoden ter beschikking. Het meetbaar maken van variabelen is vaak de beslissende stap bij het realiseren van een wetenschappelijke doorbraak.

Een vijfde belangrijk punt was dat men zich realiseerde dat men twee soorten variabelen moest meten. Aan de ene kant ontwikkelde men maten om de mate van bevooroordeeldheid te meten (de Antisemitisme-schaal en de Etnocentrisme-schaal). Aan de andere kant ontwikkelde men maten om de 'diepere' kenmerken van de persoon in kaart te brengen: de F-schaal en de Politiek-Economisch-Conservatisme-schaal.

Het onderzoek in het kort
Hoe moet je empirisch onderzoek doen naar de eigenschappen van aanhangers van mensen als Hitler als je niet over echte Hitler-aanhangers bechikt?

Men loste dit probleem op door eerst antisemitisme meetbaar te maken. Wat de boodschap van mensen als Hitler aantrekkelijk maakt voor bepaalde mensen is het sterke antisemitisme dat uitgedragen wordt. Door mensen een reeks antisemitische uitspraken voor te leggen en daar hun oordeel over te vragen, slaagde men erin de Antisemitisme-schaal te construeren.

Mensen alleen antisemitische uitspraken voorleggen, geeft mogelijk een te beperkt beeld van hun bevooroordeeldheid. Men ontwikkelde daarom ook een algemenere schaal door uitspraken voor te leggen over andere minderheden en patriottisme (het eigen land eerst): de Etnocentrisme-schaal.

Zowel de Antisemitisme-schaal als de Etnocentrisme-schaal bleken betrouwbaar te zijn en onderling hoog te correleren.

Een eerste belangrijk resultaat van het onderzoek was daarmee dat mensen die bevooroordeeld zijn, dat niet slechts blijken te zijn ten opzichte van één specifieke groep, maar dat zijn ten opzichte van meerdere groepen.

Op dit punt aangekomen, beschikte men over twee manieren waarmee men de mate van bevooroordeeldheid kon meten en, veronderstelde men, daarmee de gevoeligheid voor de boodschap van iemand als Hitler.

Om hierna aan te tonen dat de persoonlijkheid van deze bevooroordeelde mensen afweek, ontwikkelde men vanuit de ideeën die men had ontwikkeld over de autoritaristische persoonlijkheid (een lijst van negen kenmerken) een vragenlijst: de F-schaal. Ieder punt van de lijst resulteerde in een aantal items. De 'F' stond voor geneigdheid tot Fascisme.

De F-schaal bleek betrouwbaar en hoog te correleren met de Antisemitisme- en de Etnocentrisme-schaal. Het belangrijkste resultaat van het onderzoek was daarmee dat er een verband bleek te bestaan tussen autoritarisme en bevooroordeeldheid.

Ook de Politiek-Economisch-Conservatisme-schaal bleek bevooroordeeldheid ten opzichte van minderheden goed te voorspellen, maar qua correlatie minder goed dan de F-schaal.

Het derde onderzoeksresultaat was daarmee dat bevooroordeelde personen 'rechtser' (minder democratisch) zijn dan onbevooroordeelde personen. Ze geloven meer in het verdedigen van de macht en minder in het verdedigen van de rechten van de burger en eerbiediging van de Wet.

Men had twee totaal verschillende soorten maten die echter in hoge mate hetzelfde resultaat opleverden. Er bestaat dus een duidelijk verband tussen bevooroordeeldheid en persoonlijkheid.

Mensen die bevooroordeeld zijn, wijken qua persoonlijkheid af. Het gaat om een bepaald soort mensen.

The Authoritarian Personality legde daarmee de basis voor het 'moderne' discriminatie-onderzoek en het soortenmodel. Wat we vandaag de dag weten over discriminatie en agressie vindt in dit boek haar oorsprong.

Tegelijkertijd lijkt er ook veel mis te zijn met het boek waardoor het moderne discriminatie-onderzoek tenslotte zelfs bijna volledig tot stilstand zou komen. Wat is er mis met het boek? 

Een 'foute' boodschap
Ik denk dat er twee grote problemen zijn met het boek. Het eerste probleem dat ik zie, is de inhoud, de betekenis.

In 1950 waren er in Amerika twee belangrijke scholen op psychologisch gebied. De pragmatische behavioristen waren vlak na de oorlog op het toppunt van hun populariteit, maar hielden zich niet bezig met zaken als vooroordelen, die niet in een diermodel waren te vangen.

De cognitieve psychologen waren qua populariteit, nu de samenleving rijker werd, sterk in opkomst, maar gingen er in eerste instantie vanuit dat vooroordelen helemaal niet bestonden. Het waren gewoon terechte oordelen.

Vervolgens kwam men hierop onder invloed van de Holocaust langzaam terug, maar nu werd het standpunt dat er per ongeluk wat onjuiste informatie in het brein van de dader was opgeslagen, waardoor zaken wel eens wat uit de hand konden lopen.

De persoon die zijn vooroordelen uitleefde op minderheidsgroepen, kon daar zelf niets aan doen, maar was het beklagenswaardige slachtoffer van een gezond brein waarin een kleinigheid mis was gegaan.

Het enige dat nodige was om de dader weer oké te krijgen, was de foute informatie te vervangen door juiste informatie.

Men zag de problematiek dus vooral vanuit het standpunt van de daders. Eigenlijk was er niets aan de hand. Vooroordelen waren iets lastigs, waar men helemaal geen zin in had, vermoedelijk ook omdat het allemaal te dichtbij kwam.

Alleen de verdenking van homoseksualiteit was in 1950 in Amerika al voldoende om door de politie opgepakt te worden. Zwarten moesten in de bus opstaan voor blanken. Het incident met Rosa Parks en de daarna volgende protesten vond pas plaats in 1955.

In de populaire opvatting zijn de daders van de Holocaust het ultieme kwaad. Dat ultieme kwaad kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en bezet gebied misschien voor, maar zoiets vreselijks zal natuurlijk nooit weer gebeuren. Het was toen en daar, maar niet hier en nu.

We hoeven ons daar dus verder niet druk over te maken en kunnen rustig doorgaan met wat we altijd al deden, is het populaire geloof.

De boodschap van The Authoritarian Personality is precies omgekeerd. De boodschap is niet dat vooroordelen heel normaal zijn en niets bijzonders. De boodschap is dat mensen met vooroordelen zieke individuen zijn met een verwrongen persoonlijkheid.

Verder is de boodschap dat die individuen in iedere samenleving voorkomen en onder invloed van een strongman levensgevaarlijk kunnen worden. Dat is een verontrustende boodschap die niet leuk is om te horen.

Een foute boodschap in een foute verpakking van een foute bron

Het tweede grote probleem met het boek is de manier waarop de boodschap werd gebracht.

Om te beginnen is het boek met bijna duizend bladzijden veel te dik, iets waar empirische wetenschappers weinig waardering voor kunnen opbrengen. Wanneer iemand iets te vertellen denkt te hebben, moet hij dat zo kort en duidelijk mogelijk doen.

De essentiële informatie die het boek bevat, had in minder dan honderd of tweehonderd  bladzijden verteld kunnen worden. Eventueel had men in bijlagen de aanvullende informatie kunnen vermelden.

Behalve dat het boek veel te dik is, ontbreekt ook een duidelijke samenvatting. Het AJC maakte voor de pers wel een populaire samenvatting van vier bladzijden, die nog steeds in het digitale archief van het AJC te vinden is. Deze is echter te globaal is om als samenvatting van het uitgevoerde onderzoek te kunnen dienen.

Lezers grijpen dan om een eerste indruk te krijgen, vaak naar het slothoofdstuk. Dit slothoofdstuk verdient een prijs voor hoe het vooral niet moet. Het is vermoedelijk geschreven door Adorno, in ieder geval niet door Levinson en niet door Sanford.

In plaats van kort het uitgevoerde onderzoek samen te vatten en kort de conclusies te geven met vervolgens eventueel nog iets van een discussie, komt het over als abstract, vaag gebabbel van een mentaal op hol geslagen persoon die kennelijk weinig tot niets van onderzoek doen, begrijpt.

Zo is volgens de eerste zin van het slothoofdstuk het belangrijkste resultaat dat men gevonden heeft:  . . . [a] close correspondence in the type of approach and outlook a subject is likely to have in a great variety of areas . . . Wat de auteur met deze cryptische zin bedoelt, valt niet te achterhalen. Het is een ontoetsbare bewering.

Wat men in werkelijkheid wel had gevonden, was een correlatie tussen twee verschillende meetmethodes. De mensen die door te kijken naar hun vooroordelen bij de F-groep terechtkomen, blijken daar ook terecht te komen wanneer er naar hun persoonlijkheid (F-score) wordt gekeken.

Het belangrijkste resultaat was dus dat bevooroordeelde mensen een bepaalde persoonlijkheid blijken te hebben.Vooroordelen zijn niet toevallige misvattingen, maar wortelen in de manier waarop iemand in het leven staat.

Tot overmaat van ramp werden er met stelligheid zaken beweerd die men op basis van het verrichte onderzoek niet hard kon maken. De belangrijkste van die beweringen was dat de oorzaak van de autoritaristische persoonlijkheid volledig in de opvoeding zou liggen.

Dergelijke uitglijders leiden ertoe dat de lezer sceptisch wordt: wat is verzonnen en wat is waargenomen? Wat klopt en wat klopt niet?

Vervolgens is er het probleem dat er in het ene hoofdstuk zaken worden beweerd, die in een volgend hoofdstuk kennelijk weer vergeten zijn. Een euvel dat gemakkelijk ontstaat wanneer verschillende hoofdstukken geschreven worden door verschillende auteurs.

Zo wordt in hoofdstuk 7 aan het einde gesteld dat de validiteit van de F-schaal voor het meten van gevoeligheid voor fascistische informatie niet is aangetoond, terwijl er in het slothoofdstuk vanuit wordt gegaan dat men erin is geslaagd de geneigdheid tot fascisme als 'disease' vast te stellen. Het eerste klopte, het laatste niet.

Wie het boek langer bestudeert, ziet dat de hoofdstukken van Daniel Levinson en Nevitt Sanford prima in orde zijn. Ze wisten wat ze deden, ze namen de moeite om het goed op te schrijven en ze zijn feitelijk en precies, hoewel het misschien wel wat korter had gekund.

De reden dat het boek in eerste instantie op veel mensen, ook op mij, een negatieve indruk maakt, is — afgezien van de lengte en het ontbreken van een goede samenvatting — het wilde, vage en ongecontroleerde gebabbel van vermoedelijk vooral Adorno, dat de andere auteurs niet hebben kunnen en durven inperken.

Afgaande op de Engelstalige Wikipedia (op 28-5-2017, hier) heeft Adorno in 1947 in een brief aan Horkheimer beweerd dat zijn belangrijkste bijdrage de F-schaal was, die uiteindelijk de 'kern van het hele ding' was (which in the end was the 'core of the whole thing').

Wie het boek leest, ziet echter dat schaalconstructie het terrein was van Sanford en Levinson en dat Adorno daar weinig van begreep. Verder duurde het totale project slechts twee en een half jaar en kwam Adorno pas in een laat stadium bij het project. Het lijkt dus uitgesloten dat hij op dit punt een grote bijdrage kan hebben geleverd.

De realiteit is kennelijk dat Levinson en Sanford de wetenschappelijke doorbraak gerealiseerd hebben, waarna Adorno daar vervolgens een plasje overheen deed, waardoor het geheel een kwalijke geur kreeg.

Een ander punt dat voor veel belanghebbenden een negatief punt was, was de bron. The Authoritarian Personality was het initiatief van een Joodse belangenorganisatie. Hoe je het ook draaide of keerde, deze mensen hadden natuurlijk een politiek belang bij bepaalde uitkomsten.

Dan waren er ook nog mensen bij betrokken van de Frankfurter Schule, zoals Adorno, met een marxistische, Freudiaanse en antipositivistische achtergrond. Marxisme was verkapt communisme. Antipositivisme was anti-wetenschappelijk. In het Amerika van die tijd was de bron daarmee uiterst verdacht.

Voor de cognitief psychologen die zichzelf zagen als de grote en onbetwiste experts op het gebied van vooroordelen, waren dit mensen die niet tot hun selecte groep behoorden. Het waren foute buitenstaanders die uitgingen van een andere en dus foute benadering. Vermoedelijk zagen ze het omvangrijke boek als een aanval op hen persoonlijk. Hun onderzoeksdomein werd bedreigd door gevaarlijke indringers.

Samenvattend: The Authoritarian Personality bevat een stuk baanbrekend onderzoek, maar dat onderzoek is ingebed in en overgoten met een religieus, ideologisch sausje waardoor het op wetenschappers snel overkomt als fout. Tenslotte gold ook nog het principe: Not Invented Here (Niet Uitgevonden Hier). Het was een indrukwekkend product van gevaarlijke buitenstaanders en het verdiende daarom met kracht bestreden te worden. 


Wat hebben we tot nu gevonden?

Deze blogpost begint nu erg lang te worden. Tijd om even te stoppen. De brandstof in onze rationele four-wheel-drive is even op. Een mooi moment om even op een boomstam te gaan zitten en na te denken over hoe we hier gekomen zijn en wat we onderweg gevonden hebben.

Het basisidee dat we in onze bagagewagen vervoeren, is simpel. Als je kijkt naar de reacties op een boek als Mein Kampf zie je dat er twee fundamenteel verschillende reacties mogelijk zijn op informatie.

Bij de ene manier van reageren zeg je: dit boek bevat belangrijke informatie, laten we proberen die eruit te slopen en nuttig te gebruiken. Dat is de rationele manier van reageren.

Bij de andere manier van reageren zeg je: dit is het boek van een vreselijke man en dus is het een vreselijk boek, dat bestreden moet worden, verboden moet worden en vernietigd moet worden. Dit is de irrationele manier van reageren.

Het tweede idee dat we meesjouwen is al even simpel. De irrationele manier van reageren is typerend voor volgelingen/gelovigen (autoritaristen, wolven). De rationele manier is typerend voor mensen die houden van hun vrijheid om te denken wat ze willen denken. De onafhankelijke, kleine zelfstandigen die op zichzelf zijn aangewezen in een harde wereld (niet-autoritaristen, schapen).

Die twee ideeën samen betekenen dat er een verband bestaat tussen autoritarisme en de manier waarop we omgaan met informatie. Wolven gaan totaal anders om met informatie dan schapen.

Op grond van het soortenmodel (ons geloof of theorie, maar in dit geval wel volledig gebaseerd op wat er bekend is uit empirisch onderzoek) valt te voorspellen hoe dat omgaan met informatie tussen wolven en schapen precies verschilt. Ik hoop dat in een volgende blogpost te doen.

In deze blogpost heb ik echter gekozen voor een empirische benadering. Om meer grip te krijgen op de manier waarop mensen omgaan met informatie, heb ik gekeken naar (de eerste) drie gevallen uit het 'moderne' discriminatieonderzoek.

Bij Fromm denk ik een heel irrationeel betoog te zien, waar toch een belangrijke kern van (empirische) waarheid in blijkt te zitten, zoals we nu weten.

De mensen van het AJC komen op grond van hun documenten op mij over als bijna abnormaal rationeel. Maar mogelijk hebben ze zich toch wat het hoofd op hol laten brengen door sommige welbespraakte 'wetenschappers' van de Frankfurter Schule. Aan de andere kant: de AJC-mensen hadden weinig te verliezen en veel te winnen.

Vervolgens krijgen we de auteurs van The Authoritarian Personality: een gemengd gezelschap. Van twee lijkt onmiskenbaar dat ze heel rationeel gewerkt hebben. Van een ander lijkt onmiskenbaar dat hij bijna het toppunt van irrationaliteit vertegenwoordigt: de woorden rollen er gemakkelijk uit, maar de betekenis is zoek en als die niet zoek is, blijkt het vaak onjuist.

De tomeloze drang naar het irrationele
Wat zien we nu als we naar deze drie voorbeelden kijken?

Wat ik denk te zien, is dat de rationele en de irrationele reactie door elkaar lopen. Beide reacties worden als het ware onbekommerd door elkaar gehutseld zonder dat men zich lijkt te realiseren dat dat vergaande consequenties heeft.

Fromm lijkt zich volledig niet druk te maken over de vraag of zijn betoog rationeel of irrationeel is. Hij heeft kennelijk het onderscheid nooit meegekregen en hij ziet het als volstrekt irrelevant. Als het maar een fraai betoog is.

De mensen van het AJC zijn pijnlijk rationeel, maar vervolgens trekken ze onbekommerd gasten aan die ik geneigd zou zijn onder te brengen in een psychiatrische kliniek en dan misschien niet eens als psychiater. Kennelijk zien zij ook het belang van het onderscheid niet duidelijk.

Tenslotte krijgen we de auteurs van The Authoritarian Personality. Hoe je het ook draait of keert, daar zitten twee prima empirische wetenschappers tussen, maar onder invloed van vermoedelijk Adorno ontstaat vervolgens een boek waar zelfs Altemeyer zijn tanden bijna stuk op beet.

Het probleem in de drie besproken voorbeelden is dat men feiten en fictie door elkaar gaat hutselen waardoor er een vrijwel onontwarbaar kluwen ontstaat van zaken die wel kloppen en die niet kloppen.

Het derde idee dat we nu in ons bagagewagentje kunnen laden, is dat veel mensen geen onderscheid maken tussen rationeel en irrationeel. Tussen feit en fictie. Ze zien niet dat het alle verschil van de wereld uitmaakt of iets zo zorgvuldig mogelijk gebaseerd is op waarnemingen of slechts een mooi verhaal is om de aandacht te trekken en in de wereld vooruit te komen.

Natuurlijk betreft het hier maar drie voorbeelden. Dus je kunt niet redeneren dat irrationaliteit (de drang om mooie verhalen te verzinnen en te geloven) altijd zo'n grote rol zal spelen.

Maar het omgekeerde geldt wel. Er is hier een belangrijke kwestie (het zoeken van de oorzaak voor de Holocaust) en vervolgens kun je zien dat mensen op hol slaan, zelfs wanneer ze bewust de kant van hard wetenschappelijk onderzoek worden uitgestuurd.

Kennelijk is het irrationele in de moderne mens zo sterk dat het niet meer eenvoudig valt in te perken.

Vanwaar die drang naar het irrationele?
Wat is de verklaring voor die onbedwingbare lust tot het irrationele?

Dat valt niet met zekerheid te zeggen. Het is mogelijk dat alle onderstaande verklaringen in meer of mindere mate kloppen.

De eenvoudigste verklaring is, dat het vooral om volgelingen/gelovigen (autoritaristen) gaat die het onderscheid tussen feiten en fictie niet maken, omdat ze taal vrijwel volledig irrationeel gebruiken en nooit iets anders geleerd hebben. Het eerste en het derde voorbeeld wijzen in die richting.

Een tweede verklaring zou kunnen zijn, dat mensen op school het onderscheid niet meer leren. Studenten, docenten en journalisten blijken naar mijn ervaring vaak niet te kunnen uitleggen wat precies het verschil is tussen een feit en een opinie.

In Nederland leren kinderen al jong hun problemen en verhalen het kringgesprek in te gooien. Alleen de 'mooie' verhalen tellen in die situatie en leveren de sterkste reacties op. Daadwerkelijk oefenen met harde problemen is in het onderwijs niet populair en wordt weinig gedaan.

In Singapore daarentegen blijken 5-jarige schoolkinderen wel uitgedaagd te worden met harde problemen (hier). De kinderen leren op deze manier al jong dat echte problemen goed kijken en intensief zoeken vereisen en dat de mensen die daar goed in zijn, bijzonder zijn en waardering verdienen. In Nederland krijgen dit soort kinderen snel een etiket opgeplakt van 'afwijkend'.

Het belang van dit soort harde problemen is niet het hebben (het bezit) van de juiste oplossing, maar het zelf vinden van de juiste oplossing. Het belang is dat zo'n opgave je even dwingt rationeel te denken. Er is een specifiek probleem. Er is slechts één juiste oplossing. Probeer die maar te vinden! Gewoon wat brullen of kleppen — de favoriete benadering van Hitler en Trump —  helpt even niet.

Een derde verklaring is dat het de cultuur en de omstandigheden zijn. Rationeel denken wordt ontwikkeld in reactie op harde problemen zoals de natuur ons die voorschotelt. In een samenleving van relatieve overvloed hoeven mensen zelf niet meer in de slag met die harde natuur. Vakmensen worden steeds zeldzamer en schaarser.

In een cultuur van overvloed waarin het aantal daadwerkelijk productieve mensen minimaal is, wordt sociaal handig babbelen de manier om vooruit te komen. Die manier van taalgebruik is echter precies omgekeerd aan het rationele (descriptieve) taalgebruik. Naarmate mensen meer sociaal gaan babbelen, worden ze minder rationeel en gaan emoties en onderbuikgevoelens een steeds grotere rol spelen.

Bekend is bijvoorbeeld dat de digitalisering, het overgaan op de computer, niet terug te vinden is in de cijfers over productiviteit. Tegenwoordig worden heel veel taken niet meer door mensen gedaan, maar door computers. Er is dus minder werk nodig om hetzelfde te produceren, zou je denken.

Die productiviteitsstijging valt echter niet terug te vinden. Kennelijk is de besparing aan werk die door de computer mogelijk werd, opgesoupeerd door taken als overleg en vergaderen, management en dergelijke uit te breiden.

Ogenschijnlijk lijkt dat niet zo erg, maar het uiteindelijke resultaat is dat de hoeveelheid harde problemen die mensen moeten oplossen kleiner wordt en de hoeveelheid softe problemen belangrijk groeit. Het resultaat is dan toenemende ongelijkheid, verrechtsing, toenemende fraude, toenemend geweld en minder respect voor mensenrechten.















zaterdag 29 april 2017

Is 'Mein Kampf' bijzonder?



Laatst aangepast op 7-5-2017.


In de NRC verscheen op vrijdag, 7 april 2017, een bespreking van Het verboden boek van Ewoud Kieft. De titel slaat op het boek Mein Kampf van Adolf Hitler.

De bespreking is voor mijn idee op punten nogal prikkelend, maar misschien had ik anders deze blogpost niet geschreven. 


Mein Kampf verbieden?

De titel van Kieft stelt dat Mein Kampf verboden is. Is het boek van Hitler echt verboden in Nederland? Een tijdje geleden kon ik het nog moeiteloos en gratis downloaden via een link op Wikipedia.

Wel heeft de Nederlandse overheid er voortdurend van alles aan gedaan om de verspreiding van de Nederlandse vertaling tegen te houden.

Ik denk dat dat laatste meer vertelt over de Nederlandse overheid en de doorsnee Nederlander dan over het boek van Hitler. Het zijn namelijk bepaalde mensen die menen dat boeken fout kunnen zijn en verboden moeten worden. Of dat andere boeken heilig zijn en vereerd moeten worden.

De mensensoort die zo tegen boeken aankijkt, staat bekend als autoritaristen. Een vreemd, lastig en nog vrij onbekend woord. Ik heb het daarom meestal liever over 'volgelingen/gelovigen'.

Het tegenwerken van de verspreiding van Mein Kampf door de Nederlandse overheid lijkt onschuldig, maar wijst erop dat een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking tot de autoritaristische mensensoort behoort. Dat is ook wat er op grond van onderzoek bekend is. Verder is Nederland vergeleken met andere landen op dit punt niet uitzonderlijk.

Volgelingen/gelovigen zijn precies de mensensoort waar Hitler op mikte en die hij nodig had. Het zijn de mensen die graag en enthousiast de orders van een sterke man uitvoeren en namens hem geweld plegen.

Dit klinkt misschien wat onvoorstelbaar en is natuurlijk iets wat sommige mensen liever niet willen horen. Maar wie kijkt naar de percentages weggevoerde Joden, ziet dat veel Nederlanders gezagsgetrouw de nazi-orders hebben opgevolgd en uitgevoerd.

Aan de andere kant zijn er ook veel Nederlanders die op het punt van rationaliteit, min of meer het tegenoverstelde van autoritarisme, hoog scoren. Het is om en om. Aan de ene kant hebben we veel volgelingen/gelovigen (autoritaristen), aan de andere kant veel mensen die dat niet zijn, omdat ze rationeel zijn, houden van hun vrijheid, geloven in gelijkheid en niet bereid zijn onvoorwaardelijk een Grote Leider te volgen.

Op grond van het soortenmodel zou je dan verwachten dat de volgelingen/gelovigen de meeste macht bezitten in het land en dat de irrationele reactie wint. Dat is dus precies, wat in werkelijkheid ook gebeurde.

Wat is de rationele reactie op Mein Kampf? Dat is dat het een belangrijk boek is. Het is belangrijk omdat het laat zien, hoe Hitler dacht. Zonder Mein Kampf gelezen te hebben, valt de Tweede Wereldoorlog moeilijk goed te begrijpen.

Wie Mein Kampf weggooit of verbiedt, gooit daarmee de sleutel tot het begrijpen van de Tweede Wereldoorlog weg. Denk aan al die miljoenen doden. Hebben we niet een plicht om herhaling van zo'n tragedie zo mogelijk te voorkomen?

Dus het boek niet weggooien of verbieden, maar bestuderen en gebruiken. Kieft denkt op dit punt hetzelfde als ik. Ook hij kiest hier voor de rationele benadering.


Werd Mein Kampf echt gelezen?

Het verboden boek is volgens de NRC een lezenswaardige studie die verklaart waarom Mein Kampf zo veel weerklank vond. "Hitlers boek kwam voort uit de Duitse oorlogscultuur die in de Eerste Wereldoorlog was geradicaliseerd en bood zicht op een Duitse wederopstanding," aldus Robin te Slaa in zijn bespreking.

Dat klinkt plausibel en is leuk bedacht, maar klopt die verklaring wel, vraag ik me af.

Om te beginnen ben ik er helemaal niet van overtuigd dat Mein Kampf zo populair was. Ik denk dat het met Mein Kampf net zo ging als de Bijbel. Iedereen heeft er een en vrijwel niemand weet wat er precies in staat.

Speciaal volgelingen/gelovigen blijken doorgaans slecht te weten wat er in hun heilige boek staat. Maar dat waren precies de mensen waar Hitler op mikte, die hem aan de macht hielpen en daarna zijn orders blindelings uitvoerden.

Volgelingen/gelovigen doen hun kennis normaal niet op via boekenstudie, maar door bijeenkomsten te bezoeken. Het zijn groepsmensen die het heerlijk vinden bij elkaar te komen, te kletsen, overal onrecht en gevaar te zien en het onderling eens te zijn. Maar een boek lezen, laat staan bestuderen, doen ze doorgaans niet of amper. Mogelijk omdat het een solitaire activiteit is.

Ze kopen boeken, ze zwaaien met auteurs en titels, maar ze lezen die boeken niet echt. Typerend voor volgelingen/gelovigen is ook een soort aanbidding van het heilige boek. Ze willen het boek voelen en betasten, omdat het in hun optiek gekoppeld is aan de hoog verheven auteur.

Of omgekeerd: ze willen het boek verbranden en verbieden omdat in hun optiek de auteur fout was. Door het boek te verbieden of te verbranden, bestrijden ze de vijand, denken ze.

Ik ben dus niet overtuigd van de invloed die Mein Kampf werkelijk gehad heeft op de Duitsers die achter Hitler aanliepen en hem op het schild hesen. Ik denk dat het boek meer fungeerde als een soort bijbel, een heilig boek, dat Hitler voor zijn volgelingen/gelovigen status verschafte, maar dat in werkelijkheid amper gelezen werd door zijn aanhangers.


Hitler leverde wat zijn publiek vroeg

De vraag moet dus niet luiden, wat Mein Kampf zo aantrekkelijk maakte, maar: wat maakte Hitler en zijn fascistische ideologie zo aantrekkelijk? Waarom liep een belangrijk deel van de toenmalige Duitsers blindelings achter Hitler aan en hees hem op het schild? Dat is de duizend-dollar-vraag.

Eigenlijk is dat niet zo'n moeilijke vraag, want het verhaal en de optredens van Hitler waren juist bedoeld om op het schild gehesen te worden. Hij construeerde zijn verhaal nadrukkelijk zo dat het precies was wat zijn volgelingen graag wilden horen. Hij vermeldt dit punt expliciet in Mein Kampf: hij gebruikte het aantal nieuwe aanmeldingen na een toespraak als graadmeter voor het succes van zijn toespraak.

Hitler probeert dus expliciet dat verhaal te leveren dat de Duitsers van dat moment graag willen horen, mooi vinden en graag willen geloven. De ideologie van Hitler is een verhaal om aan de macht te komen. Vertel je klant wat hij graag wil horen en zorg dat de koop gesloten wordt. Het is propaganda en niets meer dan dat.

Ik denk dat dit een belangrijk punt is dat Kieft en andere historici kennelijk gemist hebben. De boodschap van Hitler voor zijn publiek is slechts een reclamefolder met prachtige plaatjes van de heerlijke toekomst die mensen te wachten staat als ze zijn volgeling/gelovige worden.

Ook Mein Kampf is natuurlijk onderdeel van die reclame-campagne. Dat boek was bedoeld zijn boodschap gewicht te geven. Maar het is lastig een boek te schrijven zonder daarin veel prijs te geven over jezelf. Wat Mein Kampf zo belangrijk maakt, is dat het laat zien, hoe Hitler dacht.

In het NRC-artikel valt te lezen dat historici bij een nieuwe Duitse uitgave van Mein Kampf talloze voetnoten hebben toegevoegd om aan te geven wat er allemaal niet klopt. Daarmee illustreer je dat je niets van het boek begrepen hebt. En het laat zien dat je niets begrijpt van het soort mensen waar Hitler op mikte.

Het is alsof je een Trump-aanhanger vertelt dat Trump meestentijds leugens staat te verkondigen. Het is wel zo, maar die boodschap heeft geen enkel effect. Want daar gaat het die Trump-aanhanger helemaal niet om.

De vraag naar de aantrekkelijkheid van Hitler en zijn boodschap lijkt me daarmee voor het aandeel van Hitler beantwoord. Hitler probeerde slechts te leveren wat zijn publiek wilde horen en zien, en slaagde daarin kennelijk vrij goed.

Vanuit het soortenmodel gezien, is zijn drijfveer duidelijk. Hij wilde macht, absolute macht. Zijn doelgroep om die macht te bereiken, was het soort mensen waartoe hijzelf ook behoorde. De ideale volgeling/gelovige en dienaar. Hij kon daardoor perfect aanvoelen, wat zijn publiek wilde horen en zien. (Ik ga er vanuit dat Hitler een double high was: hij kon de perfecte dienaar zijn, maar ook de Grote Leider.)


Wat wil de volgeling/gelovige?

De vraag die dan overblijft, is: waarom zijn volgelingen/gelovigen (autoritaristen) zo vatbaar voor een feitelijk gezien, rammelend reclameverhaal? Wat wil de autoritarist graag horen? Welke lokroep kan hij niet weerstaan? Vertaald naar onze eigen tijd: wat wil de Trumpist horen en, vooral ook, zien?

Uitgaande van het op onderzoek gebaseerde soortenmodel valt dat goed te voorspellen. De volgeling/gelovige is voorbestemd een machtig leider te volgen en daarbij als het ware in dienst te treden. Dankzij de leider is men verzekerd van een goed bestaan, geniet men een bepaalde veiligheid en straalt de macht van de grote leider af op zijn onderworpen en agressieve dienaar.

De enige manier voor de grote leider om zijn machtssysteem in stand te houden, is ergens productie weg te halen. Discriminatie en agressie vormen dus de basis van zijn machtssysteem en de volgeling/gelovige weet dat impliciet, accepteert dat en vindt dat geen probleem.

Het is niet relevant of wat de Grote Leider beweert, klopt, maar dat de Grote Leider inderdaad macht heeft en bereid is, die macht te gebruiken. Hoe meer de Grote Leider verovert en onderwerpt, hoe meer macht hij verzamelt, des te groter de kans dat die macht de volgeling/gelovige een goed bestaan oplevert.

Voor een volgeling/gelovige is dus niet de feitelijke juistheid van het verhaal doorslaggevend, maar de macht en agressiviteit die de Grote Leider uitstraalt.

Wil het verhaal van de Grote Leider werken, dan moet de volgeling/gelovige het idee hebben dat er elders het nodige te halen valt en dat hij ten onrechte slecht af is. Even verderop wonen echter de gore rijkaards die de oorzaak van zijn ellende zijn en die hij samen met zijn makkers en uit naam van de Grote Leider wel even te pakken kan nemen.

Volgelingen/gelovigen hebben dus een automatische focus op macht, discriminatie, agressie en 'foute' anderen. Geweld loont en ze zijn volledig bereid daar optimaal van te profiteren zodra de kans zich voordoet.

Kort geformuleerd kun je zeggen: volgelingen/gelovigen zijn voorbestemd de dienaren en strijders van de Grote Leider te zijn en kunnen daardoor zijn lokroep niet weerstaan. Het is hun lotsbestemming. Het is waar de evolutie en hun milieu ze voor geschapen heeft. 


Wat wil de fascist?

Klopt het beeld dat Hitler van zichzelf en de NSDAP neerzette met deze schets op grond van het soortenmodel?

Oorlog
Google levert een kernachtig document waarin Tups fascisme beschrijft (Wat is fascisme?). De negen kenmerken die hij noemt, bespreek ik hierna.

1. Racistisch: het eigen (witte) 'ras' is het beste. Andere groepen zoals zigeuners, joden en zwarte mensen zijn minderwaardig en kunnen dus uitgeroeid worden.

2. Zondebokken: alle problemen in de wereld worden veroorzaakt door andere, minderwaardige groepen. Als die zijn uitgeroeid, zal er vanzelf een betere wereld ontstaan.

3. Nationalisme: de eigen groep (het eigen Volk) is superieur en komt eerst. Het moet gezuiverd worden van minderheden en vreemde elementen.

4. Hiërarchisch en totalitair: er is slechts één Führer of Grote Leider die de absolute macht heeft en het Volk leidt naar de overwinning, daarna komt het partijkader, vervolgens de partijleden en ten slotte het Volk.

5. Seksisme: mannen zijn bestemd te strijden en te heersen. Vrouwen moeten mooi en gewillig zijn en kinderen baren en groot brengen.

6. Geweld: strijd en oorlog vormen de natuurlijke manier van bestaan. Een groot, sterk leger en een machtig binnenlands veiligheidsapparaat zijn essentieel. Buitenlandse en binnenlandse tegenstanders moeten bestreden en vernietigd worden.

7. Symbolen: uiterlijk vertoon, symbolen en tradities zijn belangrijk. Denk aan: hakenkruis, uniformen, parades en massa-bijeenkomsten. Men gelooft in tradities en oude mythen.

8. Gevoel: dit moet overheersend en richtinggevend zijn. Nadenken is niet de bedoeling. Mensen moeten doen, wat hun wordt opgedragen. Befehl ist Befehl!

9. Crisis: het land is in gevaar, de vijand staat voor de deur. De moraal wordt bedreigd door zedenverwildering en foute invloeden. Binnenlands is er een gevaarlijke vijfde colonne actief, die probeert te saboteren.

Facisme is dus -- uitgaande van Tups -- een typische oorlogsideologie. Wij zijn superieur, alle problemen worden veroorzaakt door anderen, maar die zullen wij als superieure groep onder aanvoering van onze Grote Leider overwinnen en vernietigen. 

Nulsomspel
Een andere kernachtige omschrijving van fascisten is dat ze de wereld als een 'zero sum game' zien. Finton O'Toole omschrijft het fascistische dogma als : History is a zero sum game – either we subjugate them or they will subjugate us (hier). 'De geschiedenis is een nulsomspel – of we onderwerpen hen of zij onderwerpen ons.'

Met 'nulsomspel' wordt bedoeld dat men uitgaat van een bepaalde hoeveelheid die verdeeld moet worden. Stel dat we twee proefpersonen hebben die een week geen eten hebben gehad. Een 'zero sum game' is dan dat ze samen één cake mogen verdelen. Alles wat de een teveel pakt, krijgt de ander minder. Onder dit soort omstandigheden wordt het dus oorlog.

Dit voorbeeld maakt ook op simpele wijze het tegenovergestelde van de fascistische benadering duidelijk. Je kunt in die situatie ook redeneren dat het slim is om er gewoon één cake of eventueel honderd cakes bij te maken. Dan kan daarna iedereen voldaan gaan slapen.

Tegenover het vechten om de schaarse, beschikbare middelen staat dus de productieve, rationele benadering. Hoe komen we aan honderd extra cakes? Oké, laten we aan de slag gaan. 

Bully
George Orwell, de auteur van 1984, werd geconfronteerd met het probleem dat het woord 'fascist' simpel is, maar de definitie niet. Dat komt doordat vooral volgelingen/gelovigen (fascisten) vaak zullen aanvoeren dat een 'fascist' volgens hen toch net iets anders is, dan welke definitie men ook kiest.

Zo vermeldt de pagina van de Engelstalige Wikipedia maar liefst 19 verschillende definities van 'fascism' (waarbij iedere aangehaalde auteur een andere omschrijving hanteerde).

Min of meer uit wanhoop reduceerde Orwell het begrip 'fascist' tenslotte tot 'bully' (hier). Hij schrijft: Except for the relatively small number of Fascist sympathizers, almost any English person would accept ‘bully’ as a synonym for ‘Fascist’. "Uitgezonderd het relatief kleine aantal fascistische sympathisanten, zal vrijwel ieder Engels persoon 'bully' accepteren als synoniem voor Fascist."

Vanuit het soortenmodel gezien, is zijn gedachtegang duidelijk. De 'bully' is de sociaal dominante Grote Leider op het schoolplein. Hij doet in de praktijk twee dingen. Allereerst zoekt hij steun bij de overvloedig aanwezige autoritaristische medeleerlingen. Vervolgens gaat hij zijn macht gebruiken door zijn volgelingen/gelovigen alleenstaande kinderen te laten terroriseren. 

Volg mij en krijg het goed
Alle drie beschrijvingen leveren uiteindelijk hetzelfde op. De sterke man predikt terreur, agressie en oorlog en dat is voor de volgelingen/gelovigen de lokroep die hen doet ontwaken uit hun sluimer. In combinatie met hun leider vormen ze een geduchte macht en ligt de buit voor het oprapen.

De boodschap die Hitler uitdroeg, komt precies overeen met wat de volgeling/gelovige (autoritarist) volgens het soortenmodel wil horen: een Grote Leider (Godfather) die leden voor zijn bende (maffia) zoekt door ze rijke buit te beloven: 'Volg mij, dan worden we machtig en krijgen we het goed. 


De verklaring van Kieft: cultuur en boodschap

Kieft verklaart -- uitgaande van het NRC-artikel -- de populariteit van Hitler uit twee elementen:
1. de sterke oorlogscultuur die al voor de Eerste Wereldoorlog bij de Duitsers bestond en door deze oorlog nog verder toenam;
2. de boodschap van Hitler.

Ogenschijnlijk lijkt die verklaring juist en logisch, want dat lijken de enige twee bepalende elementen in de situatie te zijn. Er was een bepaalde cultuur en Hitler leverde een bepaalde boodschap af. Die combinatie leverde het verkiezingssucces op waarmee hij Reichskanzler werd.

De verklaring dat het de oorlogscultuur was in combinatie met de boodschap, klopt altijd, maar maakt uiteindelijk niets duidelijk.

Iedere boodschap wordt gedaan binnen een bepaalde culturele setting en heeft een bepaald effect op het beoogde publiek. Je kunt dus altijd beweren dat het effect van de boodschap te danken is aan de cultuur in combinatie met de boodschap. Deze verklaring brengt ons niet verder.

Kieft stelt het in zijn verklaring voor alsof de Duitsers collectief voor Hitler kozen. In werkelijkheid koos de meerderheid echter in eerste instantie niet voor Hitler. De meerderheid voelde niet voor de route die Hitler wilde nemen. Kennelijk was dus de oorlogscultuur toch niet zo sterk, of was de boodschap toch niet zo overtuigend.

De vraag waar het om gaat, is: waarom koos die minderheid voor Hitler, terwijl de meerderheid niets in hem zag? Kieft kan dat enthousiasme van de minderheid, terwijl de meerderheid niets in Hitler zag, niet echt verklaren.

De boodschap van Hitler had bij een minderheid van de Duitsers succes, maar bij de meerderheid niet. Dat betekent dat er iets moet zijn, een factor X, waardoor sommige Duitsers de boodschap van Hitler zagen zitten, terwijl anderen er niets in zagen.

De vraag is dan: wat is die factor X precies? Waardoor ontstaat dat verschil in beoordeling? Waardoor zag een minderheid van de Duitsers Hitler als hun Verlosser, als hun ticket naar een beter bestaan?

Het soortenmodel levert voor die scheiding der geesten een op jarenlang onderzoek gebaseerde verklaring: autoritarisme. Mensen zoeken het voordeel en de veiligheid van een hechte groep.

Na de ontdekking van de landbouw, bestaan er twee verschillende manieren om te overleven. De eerste manier is zelfstandig voedsel of goederen te produceren. De tweede manier is dienaar (volgeling/gelovige) te worden van een machtig Heer, die zijn ondergeschikten voedsel en goederen laat weghalen bij de mensen die dat produceren. (Er is ook nog een derde manier, namelijk zelf dat machtig heerschap worden, maar in eerste instantie zal het meestal gaan om de eerste twee mogelijkheden.)

Door evolutie en cultuur ontstaan daardoor, wat zwart-wit gesteld, twee soorten mensen: rationele producenten en niet-rationele, gelovige volgelingen (autoritaristen) die hun Heer blindelings geloven en bereid zijn, zijn orders blindelings te volgen ook al betekent dat het gebruik van geweld.

Toegegeven, er is natuurlijk niet rechtstreeks bij de aanhangers van Hitler het autoritarisme (RWA) gemeten. Maar uit onderzoek blijkt wel dat in landen als Amerika, Nederland en Rusland een belangrijk deel van de bevolking autoritaristisch is.

In werkelijkheid is autoritarisme niet een kwestie van alles of niets, maar heeft iedereen het in meer of mindere mate. Het is een glijdende schaal. Sommigen mensen hebben het amper, anderen heel veel.

Ik ben dan gemakshalve geneigd de verdeling door midden te hakken. Je krijgt dan 50% van de bevolking die autoritaristisch is en 50% die dat niet is. Altemeyer, de grote man van het autoritarisme-onderzoek, is terughoudender en rekent een derde of een vierde van de bevolking tot autoritarist.

Wie kijkt naar de instemming met het beleid van Trump, ziet dat in doorsnee een 40% van de Amerikanen, ongeacht wat hij doet of wat er bekend raakt, achter de Grote Leider blijft staan. Hitler wist in eerste instantie ongeveer hetzelfde percentage stemmen te verzamelen. In beide gevallen was het dus een minderheid van de bevolking die de sterke man in het zadel hielp.

Dit is een interessant punt: waarom is slechts een minderheid van de bevolking autoritaristisch en de rest niet? De verklaring is simpel. Als iedereen autoritaristisch zou zijn, stort de productie in elkaar en komt men allemaal door honger en armoede om. Al te veel autoritaristen in een samenleving levert collectieve armoede op.

Ogenschijnlijk was de boodschap en de presentatie van Hitler heel effectief. In werkelijkheid had hij alleen succes bij het autoritaristische deel van de bevolking. Het was dus de cultuur, dat wil zeggen: de relatief grote groep autoritaristen in de samenleving, waardoor hij aan de macht kon komen.

Dat wil niet zeggen dat zijn boodschap niet effectief was, dat was deze vermoedelijk wel. In iedere cultuur met autoritaristen zullen voortdurend Grote Leiders opstaan, die effectief zijn in het oproepen van volgelingen/gelovigen. De effectiviteit van de propaganda is op termijn niet de beperkende factor. Wil de boodschap effect hebben, dan moeten er voldoende autoritaristen in de samenleving aanwezig zijn.

Toen de Duitse cultuur eenmaal te ver was opgeschoven in de richting van oorlog, toen er eenmaal te veel autoritaristen in de samenleving aanwezig waren, was de teerling geworpen.

Het was Hitler die de lont van het kruitvat aanstak, maar pas nadat het door de cultuur gevuld was met autoritaristen.


Oorlogscultuur en -enthousiasme

We moeten het kind echter niet met het badwater weggooien. Kieft heeft twee interessante verschijnselen beschreven en onder de aandacht gebracht: oorlogscultuur en oorlogsenthousiasme.

Hij denkt te zien, dat er een bepaalde cultuur nodig is, voordat de vlam in de pan kan slaan. Oorlog komt niet uit de lucht vallen, maar wordt voorafgegaan door allerhande typerende uitingen in de samenleving van dat moment.

Verder ziet hij binnen zo'n samenleving in bepaalde kringen openlijk enthousiasme voor oorlog. Men ziet op een romantische manier oorlog als een ideaal dat zuiverend zal werken.

Ik kijk eerst naar het verband tussen cultuur en oorlog. 

Cultuur en oorlog
Uitgaande van het soortenmodel verwacht je binnen een samenleving het ontstaan van twee tegenovergestelde culturen: een rationele en een irrationele. De eerste is gericht op rationeel handelen en productie, de tweede is gericht op macht, overheersing en consumptie.

Na verloop van tijd, gaat de irrationele cultuur, de cultuur van de machtige groep, de gang van zaken steeds meer bepalen. De samenleving verschuift in de richting van de irrationele cultuur: men wordt steeds irrationeler en agressiever. Status- en groepsverschillen worden steeds belangrijker. Het is een kwestie van tijd voordat de vlam in de pan slaat.

Op grond van het soortenmodel valt dus te verwachten dat er een duidelijk verband bestaat tussen de cultuur van een samenleving en het uitbreken van conflict en oorlog.

Enige tijd geleden heb ik de kwantitatieve data van een groot vragenlijst-onderzoek geanalyseerd. Deze survey bestrijkt een groot aantal landen/culturen. Bij de analyse van deze data vind ik:
1. dat er slechts één betrouwbare factor uit deze data valt te destilleren;
2. dat deze factor sterk lijkt samen te hangen met oorlog en conflict.

Landen die laag scoren op deze factor zijn politiek stabiel, landen die hoog scoren zijn vaak verwikkeld in (burger)oorlog en conflicten. (Ik hoop dit later uitgebreider te rapporteren.)

Deze uitkomsten bevestigen precies wat op grond van het soortenmodel verwacht wordt: culturen verschillen op één factor die sterk samenhangt met discriminatie, agressie, conflict, oorlog en genocide.

De veronderstelling dat er een bepaalde cultuur nodig is voor oorlog en conflict lijkt dus ook via kwantitatief onderzoek bevestigd te kunnen worden. (Op deze manier wordt alleen een verband aangetoond, dit hoeft niet een causaal verband te zijn. Het valt op grond hiervan niet te zeggen of een bepaalde cultuur leidt tot oorlog, of dat oorlog leidt tot een bepaalde cultuur.) 

Oorlogsenthousiasme
Het tweede punt van Kieft is het oorlogsenthousiasme dat in bepaalde kringen optreedt. Op basis van het soortenmodel valt te verwachten dat er binnen bepaalde groepen een sterke verheerlijking van het fascistische conflictmodel kan optreden. Simpeler gezegd: het wij-zij-denken.

In autoritaristische (niet productieve) groepen is veel agressie aanwezig. Verder trekken autoritaristische groepen sociaal dominante leiders aan, die denken in termen van winnen, strijd en oorlog. Zij moeten het grootste, het snelste en het beste zijn.

De leden van een autoritaristische groep laten zich verder niet remmen door feiten, maar zien de woorden van hun leider zoals een hond de woorden van zijn baas meestal interpreteert. Als de baas blij is, is het goed. Als hij boos is, is er een probleem. Men evalueert boodschappen dus niet op feitelijke juistheid, maar op emotionele lading. Wanneer andere groepsleden instemmen met iets, dan is het waar.

Er ontstaat daardoor snel een vlucht in een virtuele, verbale werkelijkheid waarin men zelf en de eigen groep een krijgshaftige heldenrol speelt.

Verder is het natuurlijk niet mogelijk een heldenrol te spelen, zonder vijand. Er is een uiterst gevaarlijke en doortrapte vijand nodig, die overwonnen moet worden. Dit betekent dat men geneigd is zondebokken te zoeken en overal bedreigingen te zien.

Doordat autoritaristen 'sociale' mensen zijn, waarvoor de groep en de status in de groep van levensbelang zijn, wordt het gerucht dat de een bedenkt, voor de ander een onbetwistbare waarheid, terwijl de volgende het nog wat aandikt.

Tenslotte doet zich nog een probleem voor. Autoritaristen zijn geneigd verbale informatie te zien als orders van hogerhand voor actie.

Niet-autoritaristen zullen proberen verbale informatie te toetsen aan de fysische werkelijkheid of aan wat verder bekend is. Informatie is voor hen feitelijk juist of feitelijk onjuist.

Voor autoritaristen vormt verbale informatie echter vooral het woord van hun Heer of het verwerpelijke woord van de vijand. Foute informatie moet bestreden en onschadelijk gemaakt worden, goede informatie moet omgezet worden in actie tegen de vijand.

Beide observaties van Kieft suggereren dat de cultuur belangrijk is en kloppen met het soortenmodel. 


Mijn conclusie

Ik denk dat Mein Kampf niet bijzonder is. Het idee dat het boek op een bepaalde manier bijzonder zou zijn, is een idee dat thuishoort bij volgelingen/gelovigen (autoritaristen). De doelgroep van Hitler, maar ook een doelgroep die haar tijd in doorsnee niet verdoet met het bestuderen van zo'n boek.

Ik vind Mein Kampf wel een belangrijk boek, omdat het boek de sleutel is tot het denken van Hitler en het begrijpen van de Tweede Wereldoorlog.

Wat bijzonder is en vraagt om verklaring, is dat een belangrijk deel van de bevolking door figuren als Hitler en Trump geïnspireerd wordt en hen enthousiast in het zadel helpt. Hoe kan dat, wat bezielt deze mensen?

Vanuit de huidige kennis over autoritarisme (RWA) valt dat enthousiasme voor de Grote Leider echter te begrijpen. We dragen door erfelijkheid en milieu in meer of mindere mate een eigenschap met ons mee, die ons drijft om als onderdanig dienaar een machtig Heer te dienen, waarbij we in naam van die Heer bereid zijn tot moord en doodslag.

We doen dat niet, omdat we zo graag een machtig heer dienen, maar omdat we een gemakkelijk, gezellig, veilig, comfortabel en gestructureerd bestaan willen, zonder dat we diepgaand moeten nadenken. Want dat kost veel tijd en energie en daar word je moe van. We vinden het leuker om gezellig met andere leden van onze bijzondere groep te leuteren over de toestand in de wereld en hoe slecht en gevaarlijk al die vreemde anderen zijn.

Het zou misschien duidelijker zijn om autoritarisme 'bende-geschiktheid' te noemen. Voor een bende geldt: samen zijn we sterk en machtig en pakken we wat we te pakken kunnen krijgen. Maar niet iedereen heeft de juiste instelling om onderworpen en agressief bendelid te zijn. Die geschiktheid om als bendelid te fungeren, kunnen we meten en duiden we aan als 'autoritarisme'. 


Wat is er nu nog bijzonder?

Vaak is het zo, dat we bijzonder vinden, wat we niet goed begrijpen. Op het moment dat je iets begrijpt, lijkt het minder bijzonder te worden.

Omdat we de oorzaken van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog niet goed begrijpen, zijn we geneigd Hitler als de bepalende factor te zien en als heel bijzonder voor te stellen.

Hitler trekt als centraal figuur in nazi-Duitsland al onze aandacht naar zich toe. Talloze boeken, talloze documentaires gaan over Hitler. We stellen Hitler als een magische figuur voor, waardoor het ontstaan van de oorlog begrijpelijk wordt.

Op dezelfde manier zijn we geneigd Mein Kampf te zien als iets dat samen met Hitler de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte. We schrijven het boek een soort bovennatuurlijke kracht toe. Het zou een geheimzinnig effect uitoefenen op de lezer.

Maar het probleem is niet dat Hitler zo bijzonder was, of dat Mein Kampf zo bijzonder was, het probleem is dat een bepaalde groep mensen extreem gevoelig was voor de boodschap van Hitler.

Op dezelfde manier is nu een verontrustend groot deel van de Amerikanen extreem gevoelig voor de boodschap van Trump.

We moeten onze aandacht richten op de factor die de gevoeligheid voor zo'n boodschap veroorzaakt: autoritarisme.

Wanneer je dat echter doet en meer te weten komt over autoritarisme, begint autoritarisme minder bijzonder te worden. Een bepaald deel van de samenleving scoort hoog op die variabele en is daardoor extreem ontvankelijk voor de boodschap van een strongman.

Verder lijkt duidelijk te zijn dat het autoritarisme in een samenleving altijd de neiging heeft toe te nemen. De machtige groep in de samenleving biedt vaak een aantrekkelijker perspectief dan overleven als kleine zelfstandige.

Het probleem is niet Hitler, niet Mein Kampf en ook niet de werking van autoritarisme. Wie het aan de macht komen van Hitler wil verklaren, moet duidelijk maken waardoor de hoeveelheid autoritarisme in de Duitse samenleving zo hoog kon oplopen.

Op dezelfde manier is niet Trump het probleem, maar is dat de grote groep Trumpisten die hem blindelings volgt, ongeacht de informatie die over Trump naar buiten komt.

Anders geformuleerd: hoe kon het autoritarisme in Amerika zo toenemen?

In Nederland, Duitsland, België, Engeland en Frankrijk doet zich, misschien in iets mindere mate, precies hetzelfde probleem voor.

Strikt genomen, gaat het uiteindelijk zelfs niet om het verklaren van de toename. De vraag waar het om gaat: is het op een of andere manier mogelijk het autoritarisme in een samenleving te verminderen, zodat we wegsturen van discriminatie, agressie, oorlog en genocide?

Een positief neveneffect van het verminderen van het autoritarisme in de samenleving is het toenemen van de productie, zodat uiteindelijk iedereen het beter krijgt.








zaterdag 31 december 2016

De twee culturen en het 'touwtje uit de brievenbus' van Jan Terlouw


Laatst aangepast op 7-1-2017.

Jan Terlouw stelt dat de huidige samenleving verschilt met die van vlak na de oorlog: het  vertrouwen is weg. Hierdoor wordt de aanpak van het klimaatprobleem bemoeilijkt. Zijn speech leidt tot een groot aantal negatieve reacties.
Uitgaande van het soortenmodel hebben samenlevingen een sterke neiging te verschuiven in negatieve richting: van productiegericht naar consumptiegericht. Een dergelijke verschuiving bemoeilijkt de aanpak van allerhande problemen.
Is de cultuur na 1960 inderdaad verschoven in negatieve richting? Ik kijk naar vier punten: 1. de populariteit van mensenrechten; 2. de opvatting dat onderwijs dient voor consumptie en niet voor productie; 3. de populariteit van strongmen; 4. de waardering van feitelijke juistheid.
Op alle vier punten vind ik dezelfde uitkomst: de cultuur is verschoven in negatieve richting
.


Op 30 november 2016 zie ik op Joop.nl een item met een link naar de toespraak van Jan Terlouw in DWDD (De Wereld Draait Door, hier). Het totale fragment duurt iets meer dan 10 minuten; de toespraak begint op 2:15.

Terlouw krijgt de gelegenheid om de natie in DWDD toe te spreken, omdat hij als bekend politicus en schrijver 85 is geworden. Die verjaardag was iets eerder, maar toen had hij longontsteking, vertelt hij.

Wat zegt Terlouw in zijn acht minuten? Ik geef hieronder weer, wat er bij mij in eerste instantie van zijn toespraak is blijven hangen.


De cultuur van het 'touwtje uit de brievenbus'

Terlouw vertelt in zijn praatje dat hij als kind de oorlog meemaakte. Na de oorlog was er een tijd van wederopbouw. De mensen vertrouwden elkaar. Uit de brievenbussen hingen touwtjes, dan kon je zo bij elkaar naar binnen lopen. Ook de autoriteiten vertrouwde men. Politici hadden een moreel gezag. Dat vertrouwen in elkaar is er niet meer. Ook het vertrouwen in politici is weg. Wie tegenwoordig een brug bouwt, heeft meer juristen nodig dan ingenieurs, vertelde een ondernemer hem.

De tweede, of misschien wel de eerste, component in het praatje is de toestand in de wereld. Wetenschappers weten sinds een jaar of twintig dat de Wereld (ik schrijf dat met een hoofdletter, want er is er voorlopig maar echt één van) in sneltreinvaart opwarmt. In de zeeën drijven gigantische massa's plastic troep. Door overbevissing dreigen vissoorten uit te sterven of zijn deze soorten al uitgestorven.

De nieuw gekozen president van de VS ontkent dat er een klimaatprobleem bestaat, omdat hem dat politiek beter uitkomt. Wanneer we niets doen, komt de zeespiegel meters omhoog en stijgt de temperatuur met vijf graden.

Waarom doen we niets aan die problemen? Technisch gezien zijn het geen onoplosbare problemen. We kunnen heel veel als we willen. Economisch gezien zijn het ook geen onoplosbare problemen. Toch gebeurt er niets. Waarom doen we niets?

De verklaring van Terlouw is dat er iets veranderd is in de samenleving. Na de oorlog moesten we gezamenlijk aanpakken om de boel weer op te bouwen. De touwtjes hingen uit de brievenbussen, want de mensen vertrouwden elkaar. Nu moet alles dichtgetimmerd worden met juridische contracten, met regelgeving. Fietsen moeten met drie sloten erop worden weggezet. Het onderlinge vertrouwen tussen burgers onderling en tussen burgers en politici is weg.

Het is een magistrale toespraak, vind ik. Uit het hoofd, helder en duidelijk en tegelijkertijd ook aangrijpend.

Behalve dat ik de toespraak aangrijpend vind, denk ik ook te begrijpen wat Terlouw bedoelt en deel ik zijn analyse en conclusie. Sinds 1960 is de cultuur belangrijk veranderd waardoor het oplossen van allerhande problemen steeds moeilijker begint te gaan.

Dat is ook precies wat je op grond van het soortenmodel zou verwachten. Door de toegenomen welvaart wordt de hoge cultuur steeds groter en machtiger en wordt de omvang en de macht van de lage cultuur steeds kleiner. Deze wordt door de hoge cultuur steeds meer onder druk gezet. Het gevolg is stagnerende productie en een steeds groter onvermogen om problemen op te lossen en bedreigingen het hoofd te bieden.

Het is verder iets dat niet alleen in Nerderland valt waar te nemen. De westerse cultuur schuift steeds verder op van democratisch naar fascistisch en totalitair. De westerse beschaving heeft kennelijk haar laatste levensfase bereikt en is op weg naar het einde. Wat ooit begon met de uitvinding van de drukpers en de wetenschappelijke revolutie begint nu, net als tientallen eerdere beschavingen, aan haar eigen succes ten onder te gaan.


Negatieve reacties

Uit de commentaren in de krant, maar ook uit de 93 reacties die ik op bijvoorbeeld Joop.nl zie, blijkt echter dat lang niet iedereen het met Terlouw eens is. Ik beschrijf hierna een aantal negatieve reacties, voor het gemak geef ik ze een nummer.

Van Joop.nl haal ik de volgende negatieve reacties.
Romantiek. Irrelevant (1).

. . . het feit dat er in de hele speech geen enkele keer de vinger op de zere plek werd gelegd? Dat er geen enkel serieuze oplossing werd geboden? Kortom ik zag alleen ene zemelende oude man, die ‘de jeugd’ wel even de les zou gaan lezen. Onbegrijpelijk al die mensen die ontroerd waren over een naïef verhaal dat het alleen maar een kwestie van vertrouwen is, alsof vertrouwen ‘zomaar’ verdwijnt (2).

Hoe goed bedoeld ook, een betere wereld begint niet met idealisme, maar realisme (3).

Een mooi, maar makkelijk betoog zonder oplossingen en zonder reflectie op de eigen bijdrage aan het probleem (4).

Ik was er niet van onder de indruk eerlijk gezegd. Hij stipt zeker wat punten aan, maar komt niet met een oplossing. Of een uitleg hoe het zover heeft kunnen komen. . . . Want waarom hangt er geen touwtje meer uit de brievenbus? En waarom vertrouwen wel elkaar niet meer? Lijkt mij vrij duidelijk waarom dat is, maar ja …. Mag ik niet zeggen natuurlijk. Maar we weten allemaal donders goed waarom dat is. Kwam hij maar eens met oplossingen, in plaats van een quasi intellectuele oproep te doen. Het is zijn partij die vrolijk heeft meegewerkt aan de huidige situatie in het land. Dus bedankt daarvoor Mijnheer Terlouw (5).

-  . . . Toch verzuimt hij te melden waarom er geen touwtjes uit de brievenbus hangen. Zou dat niet komen door de toegenomen criminaliteit, niet in de laatste plaats van Nederlanders met een allochtone achtergrond? En moeten man en vrouw niet beide de hele dag werken, omdat men anders de eindjes niet aan elkaar weet te knopen? Dan heb je geen tijd voor de eigen kinderen, laat staan voor die van de buren (6).

Als je in dit land hardop zegt wat je denkt als antwoord op de vraag : waarom kan je geen touwtjes meer uit de brievenbus hangen, wordt je als racist bestempeld en sta je voor je het in de gaten hebt voor de rechter (7).

-  . . . Oplossingen worden er niet gegeven . . . (8).


Een nep fact-check in de NRC

In de NRC heeft Arjen van Veelen het op 3 december in eerste reactie over 'onderbuikgevoelens'. Hij schrijft: Maar als we onze traantjes gedroogd hebben, is stap twee: erkennen dat die ontroering niet veel verschilt van wat we onderbuikgevoelens plegen te noemen. En even verder: Nostalgie moeten we niet afwijzen. Maar ja, je kunt er natuurlijk niet zo veel mee, is de boodschap (9).

Twee weken na de speech maakt de NRC het wel heel bont. Karel Knip stelt in een uitgebreid artikel dat een opmerking in de speech onwaar zou zijn (hier).

Terlouw stelde dat er een gigantische hoeveelheid plastic troep in de oceanen drijft. Knip gaat op zijn manier die opmerking 'fact checken' en komt tot de verrassende conclusie dat die opmerking onwaar is (10).

Ik nam het fact checken door de NRC niet serieus en bleek op dit punt niet de enige te zijn. In de NRC van 24 december moet Knip zijn merkwaardige uitspraak uitgebreid verdedigen in een artikel van ruim een halve bladzij (11).

Terlouw heeft het over een plastic 'soep' die op een aantal plaatsen in de oceanen drijft en grote oppervlaktes beslaat. Knip interpreteert dit alsof Terlouw daarmee gesteld zou hebben dat er reusachtige drijvende eilanden van plastic afval zouden zijn ontstaan. Zulke eilanden bestaan natuurlijk niet, maar die plastic soep bestaat wel degelijk.

Je zou dan verwachten dat Knip zijn onware beschuldiging aan het adres van Terlouw inslikt en terugneemt, maar nee. Letterlijk schrijft hij: "Misschien dat de mythische massa ooit op een satellietopname van Google Earth opduikt, maar voorlopig is het beste ervan uit te gaan dat-ie niet bestaat. En dat-ie er niet komt ook."

Knip geeft ook aan waarom er ''zo weinig wetenschappelijke literatuur is" die het bestaan van die plastic massa in zee ontkent. Dat ontbreken van die literatuur komt namelijk doordat wetenschappers nooit gedacht hebben dat die plastic massa zou bestaan, aldus Knip.

Hij verwijst voor deze bewering naar de Amerikaanse oceanografische dienst, de NOAA. Ik ben zo vrij via Google het oordeel van de NOAA op te vragen, want die plastic massa die opeens door onbekende oorzaak uit zee verdwenen zou zijn, komt me ongeloofwaardig voor.

De site van de NOAA waar Google me naar toestuurt, levert een minder opwekkend verhaal (hier). De titel van het verhaal luidt: Ocean Pollution. Did you know that approximately 1.4 billion pounds of trash per year enters the ocean? In het verhaal niets over het mysterieuze verdwijnen waardoor alles op geheimzinnige wijze wel goed zal komen. Integendeel, de bezorgdheid spat bijna van het papier/scherm af.

Een bepaalde vooringenomenheid van de NRC ten opzichte van Terlouw komt ook naar voren in de bijlage Literatuur van 23 december 2016. De titel luidt: Oud-politicus is bevangen door klimaatwoede. Het artikel is bedoeld twee recente boeken van de nog altijd productieve Terlouw te bespreken, maar de schrijver van het artikel, Thomas de Veen, kan het niet laten tussendoor ook nog even een negatief oordeel te vellen over Terlouw en zijn speech (12).

Ik citeer de laatste alinea over de speech: Terlouws speech is spoorslags uitgegeven in een klein boekje, en wat blijkt: zo uitgeschreven wordt de tekst alweer een stuk minder sterk. De emotie spat ervan af. Het gebrek aan onderbouwing maakt duidelijk dat het echt iets om te horen was, niet om te lezen. Terlouw komt over als een machteloze, boze man.

Als je Terlouw beschrijft als een 'boze man' ben je wel behoorlijk van de werkelijkheid los gefietst. Dankzij jarenlang onderzoek weten we tegenwoordig heel veel over boze mannen (en boze vrouwen). Een van de kenmerken is dat ze zich weinig tot niets van de realiteit aantrekken. Het lijkt er dus in dit geval op dat de pot de ketel verwijt, zwart te zien.


Heeft Terlouw gelijk?

Kort samengevat, stelt Terlouw vier dingen.
1. De wereld heeft (naast andere problemen) een ernstig klimaatprobleem.
2. Dat klimaatprobleem is technisch en economisch gezien oplosbaar.
3. Tot nu toe is er niet echt iets gedaan om dat klimaatprobleem aan te pakken en op te lossen.
4. De oorzaak waardoor we dat probleem niet aanpakken en oplossen, is dat onze cultuur sinds ongeveer 1960 sterk in negatieve zin veranderd is.

Van de twaalf negatieve commentaren die ik hierboven beschreven heb, is er niet één commentaar dat een van deze punten aanvecht.

Alleen Knip probeert het betoog van Terlouw inhoudelijk onderuit te halen door te suggereren dat er feitelijk iets niet klopt in het verhaal. Om dat doel te bereiken moet hij het verhaal echter op een détailpunt fout interpreteren. Niemand van de tien overige reaguuurders probeert verder één van de vier stellingen op inhoudelijke gronden aan te vechten.

In feite bevestigen de reaguurders daarmee het punt van Terlouw. Ze leven kennelijk in een cultuur waarin het erom gaat snel met een oppervlakkige opmerking te scoren en de ander weg te zetten als minderwaardig, terwijl ze geen enkele inspanning leveren om zich te verdiepen in het probleem en de oplossing daarvan. Een manier van reageren die precies tegenovergesteld is aan de oplossingsgerichte cultuur van onderling vertrouwen waar Terlouw het over had.

Ik denk dat het enige problematische punt in de redenering van Terlouw de vierde stelling is. Net als Terlouw geloof ik dat de cultuur sinds ongeveer 1960 belangrijk veranderd is in negatieve zin, maar het is misschien lastig dat met harde gegevens te onderbouwen.

Zodra je die verandering in de cultuur wel hard kunt maken, volgt uit het soortenmodel dat die verschuiving van invloed is op het aanpakken en oplossen van alle mogelijk problemen waaronder het klimaatprobleem. De reden daarvoor is dat een verschuiving in de cultuur samenhangt met het groeien van de machtige groep en het kleiner worden van het aantal double lows in de samenleving: de mensen die de productie verzorgen en de problemen oplossen.

Terlouw roept met zijn speech de mensen ter verantwoording. Hallo jongens en meisjes, hier ligt een probleem, het is een oplosbaar probleem en de oplossing is betaalbaar. Maar tot nu toe is er niets aan gedaan. Wordt het niet tijd dat jullie eens in actie komen en het probleem gaan aanpakken?

Wie vertrouwd is met hoe leden van de hoge cultuur in elkaar zitten en reageren, zal niet opkijken van de negatieve, emotionele en woedende reacties die hierboven vermeld zijn. Die reacties zijn typerend voor hoe mensen in de hoge cultuur reageren zodra ze worden aangesproken op hun tekortkomingen.

Leden van de lage cultuur reageren in doorsnee belangrijk anders. Ze zijn doorgaans even stil en zeggen dan iets in de trant van: ik begrijp wat je bedoelt. Hoe zeker ben je ervan dat de cultuur veranderd is en waarom denk je dat?

De grote vraag is dus of onze cultuur sinds ongeveer 1960 inderdaad opgeschoven is in consumptieve richting. In de richting van de hoge cultuur. Minder focus op productie en het oplossen van problemen, meer focus op macht en het vechten om de beschikbare welvaart.

Ik kijk voor deze cultuur-verschuiving naar vier punten. Hebben we nu minder respect voor mensenrechten dan in 1960? Zijn we nu als samenleving minder gefocust op productie en sterker op consumptie dan in 1960? Staan we nu meer open voor strongmen zoals Trump en Wilders?  En ten slotte: gaan we nu anders met de waarheid en feiten om dan in 1960?


1.  Mensenrechten zijn niet langer in de mode

Laat ik eerst kijken naar de mensenrechten. De nieuwssite van de BBC publiceerde net: Are we heading towards a 'post human rights world'? (hier).

Mensenrechten zijn na de Tweede Wereldoorlog opgesteld, maar zijn tegenwoordig niet populair meer, aldus het artikel. Toen was het idee: dat nooit weer. Nu is het idee: wat is er mis met martelen en geweld?

Het lijkt daarmee duidelijk dat de houding tegenover mensenrechten belangrijk verschoven is. Dit punt bevestigt dus het gelijk van Terlouw: de cultuur is veranderd in negatieve zin.

Uitgaande van het soortenmodel is ook duidelijk waarom de houding tegenover mensenrechten verschoven is. De machtige groep heeft haar macht vergroot ten koste van de individuele double lows. De positie van deze maatschappelijke onderklasse die overwegend de productie verzorgt, is slechter geworden. De sociale afstand tussen de onderklasse en de rest van de samenleving is groter geworden.

____________________________________________________________________

Het soortenmodel impliceert een tweedeling in de samenleving

Volgens het soortenmodel bestaan moderne samenlevingen zoals die na de landbouw-revolutie ontstonden uit drie soorten mensen: de leider met zijn elite, de volgelingen/gelovigen die blindelings de opdrachten van hun leider uitvoeren en de individuele double lows die de productie verzorgen en te kampen hebben met discriminatie door en agressie van de machtige groep.

Deze drie soorten resulteren in drie maatschappelijke lagen: de elite, een middenklasse die voor haar bestaan van de elite afhankelijk is en een maatschappelijke onderklasse die zelf in haar levensonderhoud moet voorzien en gedwongen is ook de rest van de productie te verzorgen en tenslotte ook nog fungeert als pispaal.

Van deze drie lagen hebben twee een positieve onderlinge relatie: de leider met zijn elite heeft de volgelingen/gelovigen nodig en de volgelingen/gelovigen hebben een leider met zijn elite nodig. Deze coalitie levert de machtige groep.

De relatie tussen de machtige groep en de individuele double lows is echter negatief. De individuele double lows worden via discriminatie en agressie gedwongen een deel van hun productie en/of tijd af te staan.

Het soortenmodel impliceert dus dat er in een moderne landbouw-samenleving altijd een tweedeling bestaat: enerzijds de machtige groep, anderzijds de individuele double lows. Zowel de machtige groep als de double lows hebben ieder hun eigen cultuur: gewoontes, waarden en normen.
____________________________________________________________________


Het gevolg van de grotere sociale verschillen is dat de leider met zijn elite nog verder af komt te staan van de realiteit. De interactie met de buitenwereld wordt immers in de praktijk vooral onderhouden via de individuele double lows. De problemen die zij ondervinden ziet de leider met zijn elitie echter als niet relevant en informatie hierover bereikt hem niet of amper. Een toekomstig probleem met het klimaat wordt daardoor als niet bestaand en niet relevant gezien.

Men kan de situatie vergelijken met de laatste dagen van Hitler. In deze periode verplaatste hij niet meer bestaande legeronderdelen en gaf hij orders aan niet meer bestaande eenheden. Door de hiërarchische verhoudingen durfden zijn ondergeschikten niet te vertellen hoe beroerd de zaken er werkelijk voorstonden.

Ook in de Bijbel wordt al een soortgelijk verhaal gerapporteerd over de grote leider die in een schijnwereld leefde. In Daniël 5 wordt verteld over de Babylonische vorst Belsazar. Hij geeft een groot feest voor zijn edelen en hun vrouwen en probeert daarbij zichzelf te overtreffen. In werkelijkheid staan op dat moment de Perzische troepen al voor de poort van Babylon. Diezelfde nacht vallen ze aan en doden ze hem.


2.  Onderwijs hoeft niet langer effectief te zijn, maar moet tegenwoordig vooral leuk zijn

In 1960 was de aandacht van de mensen in de samenleving sterk gericht op productie. Tegenwoordig is de aandacht sterk gericht op consumptie, op de verdeling van de welvaart. Ik illustreer deze verschuiving in de cultuur aan de hand van de veranderde opvatting over onderwijs.

In 2014 lieten mijn vrouw en ik in ons gezamenlijke proefschrift zien dat het via een simpel online programma mogelijk was de schrijfvaardigheid van eerstejaarsstudenten met één standaarddeviatie te verbeteren (hier).

Dat resultaat betekende dat studenten in relatief korte tijd aanmerkelijk beter leerden schrijven. Studenten die beter schrijven kunnen en scherper lezen en beter formuleren. Beide vaardigheden zijn van belang bij het uitoefenen van vrijwel alle beroepen waarin hoger opgeleiden werkzaam zijn.

Daarna lieten we zien dat als de methode landelijk werd toegepast, het te verwachten effect op de economische productiviteit de jaarlijkse aardgasbaten belangrijk overtrof. Eén van de stellingen bij het proefschrift wees erop dat het aardgas geleidelijk opraakt, maar dat een effectieve onderwijsmethode nooit opraakt.

Een methode die er echter op neerkomt dat men eerst iets moet doen, voordat men de vruchten kan plukken, is politiek gezien weinig interessant. Nederlandse politici maken zich druk over koopkrachtplaatjes, niet over manieren om de beschikbare koek jaarlijks groter te maken.

Na de publicatie van ons resultaat is het niveau van het Nederlandse onderwijs volgens internationale peilingen verder teruggelopen zonder dat men zich daar druk over wilde maken en zonder dat men vanuit de politiek daadwerkelijk actie ondernam.

Het niet gebruiken van onderwijsmethodes waarvan via onderzoek aangetoond is dat ze effectief zijn, is in de westerse cultuur al een tijd gebruikelijk. Effectieve onderwijsmethodes zoals het Keller Plan of PSI (Personalized System of Instruction) en Direct Instruction worden nauwelijks gebruikt. In plaats daarvan gebruiken docenten methodes die minder of niet effectief zijn (zie hier, p. 75-76).

Het gebruik van een niet effectieve onderwijsmethode valt te vergelijken met het dragen van water naar de zee. Hoe valt dit vreemde negeren van de effectiviteit van onderwijsmethodes te begrijpen?

Vroeger werd onderwijs gezien als een vorm van productie. Onderwijs was werken. Het hoefde niet leuk te zijn, maar het moest wel effectief zijn. Alle kinderen moesten leren lezen of zij en de onderwijzer dat nu leuk vonden of niet, omdat het kind anders in de samenleving geen enkele kans had.

Op de ULO of MULO werd ik bijna letterlijk doodgegooid met vele uren huiswerk. Dat huiswerk werd niet alleen opgegeven, maar ook overhoord en nagekeken. Dat was niet leuk, maar wel effectief in de zin dat je uiteindelijk veel kon en geleerd had.

Tegenwoordig wordt onderwijs gezien als consumptie-artikel. Het moet leuk, smakelijk en interessant zijn en de vorm van een hapklare brok hebben. In de huidige opvatting gaat het er niet om of de student iets leert, maar dat hij het onderwijs leuk en lekker vond.

Het onderwijsresultaat wordt bepaald alsof het om een film of toneelvoorstelling betreft: was het leuk? Als de student het leuk vond, was het onderwijs goed, vindt men.

Voor de docent, voor de onderwijsinstelling en voor de student pakt deze normverschuiving voordelig uit. Het is veel eenvoudiger een leuk college te geven dan een student daadwerkelijk iets te leren. Het is voor een student eenvoudiger te zeggen dat hij veel geleerd heeft, dan daadwerkelijk hoog te scoren op een toets.

De opvatting over onderwijs is verschoven van productiemiddel naar consumptiegoed. Men wil een leuke tijd hebben, het moet vooral leuk zijn en niet inspannend.

Dat we op die manier niets of weinig leren, doet er in de huidige opvatting niet toe. Zolang de Perzische troepen nog niet binnengetrokken zijn en zo lang de zeedijken nog niet bezweken zijn voor het wassende water, feesten we nog even door en doen we er zo mogelijk nog een schepje bovenop.

Het resultaat van die houding is drieledig. Allereerst kunnen en weten huidige studenten weinig vergeleken met eerdere generaties die het schaarser hadden.

Ten tweede leren studenten hierdoor dat ze informatie niet rationeel, maar emotioneel moeten beoordelen. Ze leren dat het niet gaat om de feitelijke juistheid, maar om het gevoel dat die informatie oproept. Op die manier ontstaat dankzij het onderwijs het ideale publiek voor rechtse politici.

Ten derde leren studenten door deze gang van zaken dat het niet nodig is tijd en concentratie aan iets te besteden om het onder de knie te krijgen: ze leren dat de snelle babbel volstaat.

De reacties op de speech van Terlouw illustreren deze drie punten. Allereerst blijkt een eenvoudig, helder en duidelijk verhaal van acht minuten voor de reaguurders qua veronderstelde voorkennis te hoog gegrepen. Ze begrijpen alle twaalf in feite niet wat Terlouw zegt. Ogenschijnlijk is zijn boodschap simpel, maar voor de reaguurders is zijn boodschap niet simpel genoeg.

Ten tweede beoordelen alle reaguurders de boodschap vooral emotioneel. Men koppelt een oordeel aan de persoon, terwijl men niet ingaat op het probleem dat aan de orde werd gesteld.

Ten derde lijkt duidelijk dat men niet geleerd heeft tijd en aandacht te investeren in de bestudering. Men komt met snelle, oppervlakkige reacties. Het is schieten vanuit de heup.

Wat is het effect van deze gewijzigde onderwijsvisie op de aanpak van het klimaatprobleem? Mensen missen de benodigde voorkennis, de benodigde vaardigheden. Mensen evalueren de informatie die ze krijgen niet rationeel, maar emotioneel. En tenslotte hebben mensen nooit geleerd wat meer tijd uit te trekken om zich in de problematiek te verdiepen.


3.  Strongmen, zoals Poetin en Trump, zijn weer populair

Als derde punt dat de verandering in de cultuur illustreert: de toegenomen populariteit van dictators en strongmen. Dat politici zoals Trump, Poetin, Wilders en Le Pen het tegenwoordig erg goed doen en populair zijn, lijkt moeilijk te ontkennen.

Was dit rond 1960 ook al het geval? Volgens mij niet. Mensen als Adolf Hitler, Benito Mussolini en Jozef Stalin werden eerder verafschuwd dan bewonderd. Men zag dictators als de oorzaak van de Tweede Oorlog met haar tientallen miljoenen doden en gigantische vernietiging.

De toegenomen populariteit van strongmen bevestigt daarmee het punt van Terlouw dat de cultuur belangrijk gewijzigd is in negatieve zin.

Wat maakt dat er nu door een  deel van de samenleving totaal anders wordt aangekeken tegen strongmen dan vlak na de oorlog?

Op de blog van E.J. Bron valt een pleidooi te vinden om strongmen de wereld te laten regeren. De titel luidt: Laat Trump, Poetin, Wilders, Marine Le Pen de wereld regeren! (hier). De schrijver verwacht daar kennelijk iets goeds van. Hij verwacht daar heil van.

Het doet denken aan het Duitse Sieg Heil uit de nazi-tijd. Heil aan de overwinning. Het idee is: als wij samen overwinnen, krijgen we het daarna samen, als groep, heel goed.

Het soortenmodel verklaart deze manier van denken. In eerste instantie zijn er slechts twee opties om te overleven in een landbouw-samenleving: als individuele double low of als volgeling/gelovige van een grote leider.

De laatste optie levert een hogere maatschappelijke status op, levert bestaanszekerheid op en geeft bescherming tegen discriminatie van en agressie door de machtige groep. Voor mensen die kunnen kiezen, is dit de meest aantrekkelijke optie.

Het gevolg is dat de groep (aspirant) volgelingen/gelovigen de neiging heeft te groeien. Er komen steeds meer mensen die een grote leider willen volgen en van hem hun heil en zo mogelijk hun inkomen hopen te ontvangen. Het gevolg is dat strongmen populairder worden.

De schrijver van de blogpost blijkt inderdaad een typerend kenmerk van een volgeling/gelovige te hebben. Hij vermeldt in zijn blog 'voor vrijheid van meningsuiting' te zijn (hier, rechtsboven). Hij ziet zelf kennelijk de tegenstelling niet met het idee om Trump, Poetin, Wilders, Marine Le Pen de wereld te laten regeren. Dat niet zien van tegenstelling geldt als een belangrijk kenmerk van volgelingen/gelovigen (autoritaristen).

Wat zijn de consequenties voor het oplossen van het klimaatprobleem van deze steeds groter groeiende groep van volgelingen/gelovigen die zich graag achter een sterke leider willen scharen?

Volgelingen/gelovigen volgen vooral en blindelings orders van bovenaf en geloven slechts wat door hun grote leider verteld wordt. Van volgelingen/gelovigen valt dus niet een bijdrage te verwachten aan het oplossen van het klimaatprobleem totdat dit door hun grote leider opgedragen wordt. Ook daarna zullen ze overigens niet veel kunnen bijdragen door de beperkingen van hun denken.

De oplossing voor het klimaatprobleem moet dus komen van de double lows, maar die zijn in aantal juist afgenomen. Verder moeten deze voorzien in hun eigen levensonderhoud en hebben ze ook nog eens te kampen met discriminatie door en agressie van de machtige groep. Hoewel double lows dus in aanleg geschikt zijn om het klimaatprobleem te zien en op te lossen, krijgen ze daarvoor niet gemakkelijk de benodigde tijd en middelen.

De enige groep die het probleem duidelijk ziet, zijn de double lows. Voor de volgelingen/gelovigen bestaat het probleem niet, omdat hun leider het ziet als niet relevant. En de leider met zijn elite ziet het probleem als niet relevant, omdat hij van zijn volgelingen/gelovigen geen dwingende informatie krijgt die hem op andere gedachten brengt.

De grotere populariteit van strongmen betekent dus meer volgelingen/gelovigen en minder double lows. Dit maakt het vervolgens moeilijker om het het klimaatprobleem daadwerkelijk aan te pakken.


4.  De moderne minachting voor feiten

Als laatste illustratie van de veranderde cultuur het loslaten van de waarheid en de feiten. Rond 1960 ging het erom dat uitspraken klopten met de werkelijkheid. Een benadering die typerend is voor een cultuur die productiegericht is en waarin double lows een grote rol spelen.

In een op consumptie gerichte cultuur dient taal vooral om te zorgen dat men zijn deel van de koek veilig stelt. De feitelijke juistheid van wat beweerd wordt, is daardoor minder relevant, terwijl het sociale effect van de boodschap doorslaggevend is. Wie het hardste schreeuwt, krijgt het meest. De feitelijke juistheid van wat beweerd wordt, doet er niet toe.

________________________________________________________________

Objectieve en sociale waarheid: feit en opinie

Waarheid kan in beginsel op twee verschillende manieren gedefinieerd worden. Wanneer we uit drie lijnstukjes van verschillende lengte de langste moeten kiezen, hebben we twee verschillende opties. De eerste optie is het lijnstukje aan te wijzen dat daadwerkelijk het langst is. De tweede optie is het lijnstukje aan te wijzen waarvan de anderen in de groep zeggen dat dat het langst is.

Bij onderzoek blijkt de overgrote meerderheid van alle mensen de laatste vorm van waarheid te hanteren. Anders geformuleerd: de meeste mensen leven in een sociale werkelijkheid. Zij omarmen en volgen het groepsstandpunt zelfs wanneer men weet dat dit feitelijk onjuist is.

Een kleine groep, vermoedelijk vooral double lows, blijkt echter ondanks de sociale druk de feitelijke lengte als norm te hanteren. Zij trekken zich van het groepsoordeel niets aan, en gebruiken de werkelijke lengte voor hun oordeel.

In een productiegerichte cultuur hanteert men vooral de feitelijke of objectieve waarheid. In een op macht gerichte cultuur hanteert men vooral sociale of subjectieve waarheid.

Het gevolg is dat machtsgerichte culturen vroeg of laat in conflict komen met de realiteit van de objectieve werkelijkheid.

Een voorbeeld is de Slag om Arnhem waar een volgens de geallieerden niet meer bestaande Duitse pantserdivisie de geallieerde parachutisten ondanks die geruststellende opinie, toch vernietigde.
________________________________________________________________


Anders geformuleerd: in de tegenwoordige op macht en status gerichte cultuur nemen mensen het niet al te nauw met de waarheid. Het gaat er niet langer om hoe het werkelijk is, vindt men, maar om wat men gelooft of vindt, dat het is of zou moeten zijn.

Feitelijke waarheid is ingeruild voor geloof en opinie. Bij natrekken werd bijvoorbeeld gevonden dat iemand als Donald Trump ongeveer 70% van de tijd stond te liegen (hier).

Men zegt in dit verband dat we leven in het 'post-truth' tijdperk. 'Post-truth' werd gekozen tot woord van het jaar door Oxford Dictionaries (hier).

Onware berichten of 'fake news' speelde een belangrijke rol bij de verkiezing van Trump (hier). Een verzonnen bericht over een atoomaanval leidde tot een waarschuwing van atoommacht Pakistan aan atoommacht Israel (hier).


Het gelijk van Terlouw

Heeft Terlouw gelijk? Is de cultuur sinds 1960 inderdaad belangrijk veranderd en bemoeilijkt die verandering de aanpak van het klimaatprobleem?

Afgaande op de negatieve reacties op zijn speech, de huidige impopulariteit van de mensenrechten, de opvatting dat onderwijs vooral leuk moet zijn, de populariteit van mensen als Trump, Poetin en Wilders en de minachting voor feiten, lijkt het duidelijk dat de cultuur sinds 1960 belangrijk veranderd is.

Verder lijkt het duidelijk dat die verandering niet in positieve richting is geweest. Voor iemand die niet vertrouwd is met het soortenmodel lijkt het vermoedelijk alsof er veel veranderd is op totaal verschillende gebieden. In werkelijkheid zijn al die veranderingen te herleiden tot een verschuiving van de cultuur van productiegericht naar consumptiegericht.

In de tijd na de oorlog was het grote probleem dat er bijna niets was. De centrale vraag van de samenleving was: hoe zorgen we samen dat er weer wat komt? In de huidige tijd is de centrale vraag in de samenleving vooral: hoe verdelen we onderling de beschikbare middelen?

In een op productie gerichte cultuur gaat het om produceren door scherp nadenken, samenwerken, valide kennis en hard werken. Deze cultuur is egalitair: iedereen is gelijk of heeft dezelfde rechten, omdat iedereen naar vermogen bijdraagt aan de productie. Verder hanteert deze cultuur strikte en objectieve normen.

In een op consumptie gerichte cultuur gaat het om bemachtigen van een zo'n groot mogelijk deel van de beschikbare middelen. Wat de een krijgt, krijgt de ander niet. Het gaat om handig praten, vechten, winnen en macht.

Deze cultuur is hiërarchisch: de grote leider staat aan de top van de piramide, zijn elite volgt daarna, onderin zitten de gewone volgelingen/gelovigen die blindelings dienen te gehoorzamen. Verder is deze cultuur discriminerend en agressief. De leden van de eigen groep worden bevoordeeld, de leden van andere groepen worden onderdrukt en gebruikt als productiemiddel. Tenslotte hanteert deze cultuur geen strikte en objectieve normen: de grote leider bepaalt wat mag en wat waar is.

Wanneer in een samenleving de productie een tijd lang geen problemen levert, wordt het bemachtigen van een zo'n groot mogelijk deel van de beschikbare middelen, de snelste weg naar succes. De cultuur van de samenleving verschuift van productie naar consumptie.

Wanneer we met zijn allen echter druk bezig zijn met het verdelen van de beschikbare middelen, gaat dit ten koste van de aandacht voor de productie van die middelen en komen we aan de oplossing van het klimaatprobleem al helemaal niet meer toe.

Ik denk dus dat Terlouw de spijker behoorlijk op de kop heeft geraakt.


Nawoord

Het eerste punt dat ik interessant vind, is dat Terlouw vanuit een empirisch probleem -- waarom wordt er niets aan het klimaatprobleem gedaan? -- tot de conclusie komt dat dit iets met de veranderde cultuur te maken moet hebben.

Het volledig op empirisch onderzoek gebaseerde soortenmodel draait de redenering om. Uitgaande van het soortenmodel heeft de cultuur de neiging in negatieve zin te veranderen, waardoor het constructief en rationeel aanpakken van problemen steeds lastiger wordt.

Hoewel Terlouw een totaal andere route volgt dan het soortenmodel komen beide uit op een soortgelijke conclusie. Dat levert bevestiging op voor beide redeneringen: zowel linksom als rechtsom vinden we hetzelfde.

Het tweede punt dat me belangrijk lijkt, is dat het kennelijk vrij simpel is om twee culturen te vergelijken. We hebben immers de cultuur van vlak na de oorlog vergeleken met de cultuur nu en hoewel de data waarover we beschikken misschien niet ideaal zijn, lijkt de conclusie duidelijk: de cultuur is in die periode verschoven van productief naar consumptief.

De reden waarom het vergelijken van die twee culturen relatief simpel is, ligt in het soortenmodel. Dankzij het soortenmodel kunnen een hele reeks ogenschijnlijk totaal verschillende dimensies gebruikt worden om beide culturen te vergelijken. Die dimensies lijken misschien verschillend, maar komen uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer: de verschuiving van een productieve cultuur naar een consumptieve cultuur.

In totaal zijn (in meer of mindere mate) de volgende dimensies gebruikt:
1. het vertrouwen onderling en in politici;
2. de reacties op een toespraak;
3. de populariteit van mensenrechten;
4. de opvatting over onderwijs: productiemiddel of consumptiegoed;
5. de beschikbare kennis en vaardigheden
6. het reageren op informatie: emotioneel of rationeel;
7. de bereidheid om tijd en moeite in iets te investeren;
8. de populariteit van strongmen;
9. de minachting voor feiten en feitelijke juistheid.

Al die dimensies suggereren hetzelfde: de cultuur is verschoven in negatieve (consumptieve) richting.