vrijdag 21 februari 2020

Borrelpraat over het Coronavirus


In Trouw van 20 februari 2020 kom ik een stuk tegen van Inge Mutsaers (hier). Volgens het bijschrift: 'bioloog, publicist en onderzoeker'. Dat is nogal wat. Je bent bioloog, je bent publicist en je bent ook nog eens onderzoeker. Je vraagt je bijna af, hoe iemand al die functies kan combineren. Maar goed.

De titel van het artikel is: Wees alert, maar niet gealarmeerd. Dat klinkt verstandig. Het stuk gaat over het Corona-virus.

Het begint met de stelling van de Wereldgezondheidsorganisatie dat de uitbraak van het nieuwe virus een 'internationale noodsituatie' vormt.

Wat vindt deze 'bioloog, publicist en onderzoeker' van die bewering? Ze stelt: 'Als je naar de nuchtere feiten kijkt, kun je je afvragen of het nieuwe virus wel dergelijk draconische maatregelen vereist. Het virus heeft, zoals nu lijkt, een vergelijkbare mortaliteit als de seizoensgriep. Die treft ieder jaar tientallen miljoenen mensen, maar leidt niet tot gesloten grenzen en quarantaine. Laten we ons niet te veel door onze primaire angsten leiden, wil ik betogen.'

En zo leutert het door.

Het is een heel verhaal uit de categorie ga-maar-rustig-slapen van Hendrik Colijn. Enkele jaren na zijn beruchte verhaal brak de Tweede Oorlog uit, die Nederland misschien had kunnen voorkomen als men niet rustig was gaan slapen. (Voor Engeland en Frankrijk geldt overigens hetzelfde.)

Is het Corona-virus echt zo onschadelijk?  Op de site van het John Hopkins dat de stand van zaken bijhoudt (hier) staat het aantal doden tot nu toe (21-2-2020 om 2.25 uur) vermeld als 2247 en het aantal herstelden als 18404. Dat betekent dus dat de mortaliteit tot nu toe op 10,9 procent ligt.

Nu kan het best zijn, dat mensen eerder aan het virus doodgaan, dan dat ze genezen verklaard worden. Zeg dat je normaal bijvoorbeeld vier weken na de besmetting dood bent, terwijl het 8 weken zou kunnen duren, voordat men je hersteld meldt. Het zou dus kunnen dat dat mortaliteitspercentage uiteindelijk een heel stuk lager uitkomt, maar dat weet je natuurlijk niet zeker. Je hoopt het.

Verder zag ik -- en had ik dat zelf ook al uitgerekend -- dat het virus er normaal een dag of vijf tot zes over doet (gemiddeld genomen) om na de besmetting een persoon echt ziek te maken, zodat die een nieuwe bron van besmetting wordt.

Een volgend punt is dat het virus per ziektegeval gemiddeld twee tot drie nieuwe personen lijkt te besmetten. Zo besmettelijk is het.

Dan moet je er rekening mee houden dat het een nieuw virus is. Niemand heeft dus nog afweerstoffen opgebouwd. Iedereen kan in beginsel besmet worden en daarna ziek.

Maar we zijn er nog niet. Het virus blijkt ook op een oppervlakte te kunnen overleven en bijvoorbeeld negen dagen later alsnog iemand ziek te kunnen maken. Het verspreidt zich dus niet alleen in vochtdruppeltjes door de lucht, maar ook via besmette materialen, waarna het uiteindelijk via bijvoorbeeld de handen in de mond komt.

Om hoeveel doden gaat het in het ergste geval? De uitbraak van het virus valt in dit stadium niet meer te stoppen, lijkt het. Je moet dan denken -- in het ergste geval -- aan een 10% van de wereldbevolking. Die is momenteel een 7.5 miljard mensen groot (7500 miljoen of 7 500 000 000).

Voor veel mensen is dit kennelijk een uitermate lastige som. Je komt dan uit op 750 miljoen mensen. Niet bepaald niks. Dat komt overeen met meer dan tien keer het aantal doden dat de Tweede Wereldoorlog opleverde. Onze bioloog kan kennelijk niet rekenen.

Waarom zo'n misleidend stuk schrijven en plaatsen?

Ik denk dat de verklaring hetzelfde is als bij Colijn en bij het antisemitisme van Hitler. Taal kun je hanteren op twee totaal verschillende manieren. Om sociaal te scoren en je op die manier zelf sociaal te verhogen. Maar je kunt taal (en getallen) ook nog gebruiken om de werkelijkheid beschrijven. De favoriete sport van Albert Einstein.

In dit geval is het duidelijk een artikel van iemand die sociaal wil scoren. Het is overwegend kretologie. Het bevat weinig harde feiten en veel geleuter. In wezen is het allemaal borrelpraat. En inderdaad: een kenmerk van borrelpraat is dat het rechts is. Het probeert de emoties te bevredigen.

Klopt mijn voorspelling? Ik verwacht dus dat we te maken hebben met een verstokte alfa en niet met een wereldvreemde bèta. Ik verwacht iemand die extreem hoog scoort op bevooroordeeldheid (de alfa-bètafactor, de zooifactor).

Als ik ga zoeken op internet, vind ik allereerst geen bevestiging voor dat 'bioloog'. Op LinkedIn omschrijft ze zichzelf als 'Onderzoeker, journalist, publicist'. Het 'bioloog' is dus volledig verdwenen in deze omschrijving van zichzelf.

Ze blijkt wel enige tijd biologie gestudeerd te hebben. Op haar LinkedIn vermeldt ze een periode van 5 jaar en een 'MSc' (master of science) graad. Ik vind dat niet erg indrukwekkend. Als je vijf jaar iets gestudeerd hebt -- uitgaande van de moderne studieprogramma's --, dan weet je in de praktijk vaak amper wat. Laat staan dat je verstand hebt van onderzoek doen.

Ze blijkt wel een doctorsgraad gehaald te hebben. Niet in de biologie, maar in de filosofie. Dat bevestigt dus mijn voorspelling, want filosofen scoren (in doorsnee) torenhoog op de alfa-bètafactor. (Zie mijn eerdere blogpost: hier.)
 
Heeft ze echt verstand van serieus empirisch onderzoek? Wel, dat blijkt niet uit haar loopbaan en haar LinkedIn profiel. Natuurlijk kun je volhouden dat je als journalist ook een soort onderzoeker bent, maar de praktijk is toch, dat journalisten stukjes schrijven en niet bereid zijn ergens tien jaar of langer aan te prutsen voor een publicatie die vervolgens door niemand gelezen wordt.

Wanneer ik de digitale versie van het artikel opzoek via Google, zie ik dat ze in werkelijkheid kennelijk gewoon een journalist is die voor Trouw werkt, althans regelmatig stukken in Trouw publiceert.

Waarom zo'n misleidende beschrijving van jezelf geven? Wel, deze omschrijving wekt de indruk dat ze weet waar ze over praat. Gewoon een klein handigheidje om het verhaal status te verschaffen. Moet kunnen, toch?

Ik vind het Corona-virus niet iets om lichtzinnig over te doen. En ik ben bepaald de enige niet. Zie bijvoorbeeld hier en hier.

Maar misschien is het publiceren van dit soort misleidende stukken in landelijke dagbladen een nog ernstiger teken aan de wand. Het laat zien dat men in reactie op bedreigende informatie niet meer rationeel reageert, maar terugvalt op emotionele onderbuik-reacties. Het laat zien dat het rationele denken in onze samenleving op grote schaal uitgeschakeld staat. Daarom vind ik de publicatie van zo'n stuk nepnieuws in een landelijke krant alarmerend.

Kunnen we van dit voorbeeld iets leren? Ik denk dat dit artikel laat zien, hoe onzin en vooroordelen geconstrueerd en verspreid worden en waarom. Ook in dit geval wordt het -- volledig op empirisch onderzoek gebaseerde -- soortenmodel weer bevestigd.











woensdag 19 februari 2020

Een racistisch dieptepunt?


In Trouw (18-02-2020) lees ik een stukje van iets meer dan een kwart pagina met de titel: Stadionracisme bereikt dieptepunt in Guimarães. Het gaat om 'een ernstig racistisch incident'. Om een 'dieptepunt voor ons voetbal'. Het is 'een uitbarsting van racisme in een voetbalstadion'.

Wat is er gebeurd? Het voorval speelt in Portugal. Moussa Marega, een zwarte speler van FC Porto wordt al bij de warming-up door supporters van thuisclub Vitorio Guimarães op apengeluiden onthaald. Naar verdere beledigingen weigerde Marega verder te spelen, waarna hij van de scheidsrechter een gele kaart kreeg. Daarna was voor hem de maat vol en stapte hij van het veld.

Maar gaat het werkelijk om een ernstig racistisch incident?


De eerste prioriteit bij discriminatie

Een tijdje geleden las ik een opmerking van een zwarte Amerikaanse. Haar zus leefde nog, maar had het niet op alle punten even gemakkelijk. Wat vond ze daarvan? Ze reageerde: wanneer je als zwarte Amerikaan nog leefde, was je succesvol. Ongeacht hoeveel je verdiende en wat verder je omstandigheden waren.

Als 'foute' man die in zijn jongere jaren een openlijke voorliefde voor dameskleding durfde te etaleren, heb ik geleerd hetzelfde standpunt te huldigen. De jongens die rond hun twintigste uit de kast kwamen, haalden meestal hun veertigste niet. Wanneer je als transgender (alles dat tussen 'echte' man en 'echte' vrouw inzit) kans ziet vijftig jaar buiten de kast te overleven, ben je per definitie een succes.

Bij mobbing (een groep die je actief en gericht probeert te beschadigen of erger) is de eerste les die je als slachtoffer voor ogen moet houden: het gaat om je leven, het gaat om je gezondheid, het gaat erom te overleven. Je kunt de tegenpartij geen groter plezier doen dan door er lichamelijk of psychisch onderdoor te gaan.

Het basisparadigma van het empirische discriminatie-onderzoek is de Holocaust. Doorgaans kun je dat maar beter niet openlijk vermelden, want mensen vinden dat niet leuk en haken dan af. Maar laten we het er in dit geval toch even over hebben.

Waar ging het toen om? Ja, het ging om discriminatie. En ja, het ging over onvoorstelbare aantallen. Maar vertaald naar het niveau van de enkele persoon. Waar ging het om?

Het ging niet om leuk of aardig. Het ging niet om lekker of minder lekker. Het ging uiteindelijk zelfs niet eens om vrijheid. Het ging om overleven. Ieder individu dat mijnheer Hitler wist te overleven, was een succes.

Als je het dus hebt over de Holocaust, als je het hebt over genocide, als je het hebt over moord, als je het hebt over de talloze zwarte mensen die in de VS ten onrechte achter de tralies verdwijnen, als je het hebt over de extreem hoge mortaliteit die transgenders teistert, als je het hebt over al die mensen die door mobbing voortijdig aan hun einde komen, dan gaat het inderdaad om dieptepunten.

En natuurlijk is het niet netjes en niet goed om mensen uit te schelden, maar zulke dingen gebeuren nu eenmaal soms wel. Dat is heel beroerd, maar je kunt de daders geen groter plezier doen, dan je dat extreem aan te trekken. Je krijgt dan de situatie dat de daders alleen hoeven te schelden, waarna het slachtoffer keurig zelf het vuile werk opknapt.

Probeer je even voor te stellen dat je Jood bent tijdens de Duitse bezetting. Waarom zou je mijnheer Hitler de helpende hand toereiken? Waarom zou je niet proberen het hem zo lastig mogelijk te maken?


Voetbal is een racistische sport

Dan is er nog een punt. Voetbal is een teamsport. De praktijk is dat ieder team zijn eigen schare supporters heeft. De basis van de groep is dat het eigen team oké is, maar het andere team shit. Met andere woorden: de basis van voetbal is nogal racistisch. Als je dat niet wilt, moet je niet aan voetbal doen. In ieder geval betekent het, dat het uitschelden van een speler van de tegenpartij min of meer in de sport zit ingebakken.

Ik kan het ook anders verwoorden: hoe weet je zeker dat de huidskleur in dit geval inderdaad de factor was, die het schelden opwekte? In dit geval kan dat schelden immers even goed opgewekt zijn, doordat hij een speler van de tegenpartij was.

Dat de mensen die schelden vervolgens de huidskleur tot een punt maken, kun je vergelijken met stenen gooien. Zodra je met stenen wilt gooien, zoek je een steen. Je gaat dan niet eerst naar de doe-het-zelf voor een neutrale grijze baksteen.

Alleen wanneer je kunt aantonen dat het schelden los staat, van zijn rol als voetballer, heb je een punt. Dat kun je het inderdaad 'racisme' noemen. Ik zie echter nog niet, hoe je die mogelijkheid in dit geval uit kunt sluiten.


Moraal

Wat laat zo'n artikeltje zien? Het laat zien dat men in feite niet precies weet, wat 'racisme' is. Mensen hanteren indrukwekkende woorden als 'dieptepunt' en 'racisme', terwijl ze eigenlijk niet weten waar ze het precies over hebben. Met andere woorden: ze hanteren het emotionele systeem. Ze gaan af op hun onderbuik-gevoelens.

Maar dat emotionele systeem is juist de basis van alle discriminatie. Dat een voetballer van de tegenpartij wordt uitgescholden, is niet netjes. Maar dat mensen daar zo ondoordacht over praten en op reageren, dat is pas echt verontrustend.

Dat suggereert dat de zooifactor (de alfa-bètafactor, bevooroordeeldheid) in de samenleving veel te hoog is opgelopen. Men reageert vanuit de onderbuik. Men heeft uitgeschakeld, wat het meest unieke kenmerk van de mens in het dierenrijk is: het machtige brein dat gespecialiseerd is in gericht, kritisch nadenken.

Dat voorspelt op termijn weinig goeds. Zodra we ons denken vervangen door onderbuikgevoelens duurt het in de praktijk nooit lang of zaken gaan goed mis. We hebben nu twee overbodige wereldoorlogen en een massale genocide achter ons liggen. Is dat nog niet voldoende?













maandag 17 februari 2020

Een racistische 'antiracist'


In Trouw van zaterdag, 15 februari 2020, een interview over twee pagina's met de 'Vlaamse antiracisme-activiste Dallila Hermans'. De titel van het artikel is: Oké met jezelf als zwarte vrouw. Het interview is naar aanleiding van haar eerste theatervoorstelling.

Mijn aandacht in het artikel wordt opgewekt door de uitspraak: 'Maar het ergste dat er kan gebeuren [in reactie op haar toneelvoorstelling], is dat some white dude het niet goed vindt.' De cursivering is van Trouw, niet van mij.

Het beoordelen van een toneelvoorstelling is een subjectief iets. Het kan zijn dat de ene toeschouwer het geweldig vindt, terwijl de andere het helemaal niets vindt. Ik denk dat je dat als uitvoerend kunstenaar te respecteren hebt. Je hoeft je dat niet aan te trekken van mij, maar het is wel een hard gegeven, waar je uiteindelijk als uitvoerend kunstenaar toch mee te maken krijgt.

Waarom je dan bij voorbaat indekken tegen mogelijke kritiek, door die kritiek te koppelen aan een dubbel discriminerende opmerking. Of een toeschouwer die kritiek heeft, wel of niet 'wit' is, zou niet relevant mogen zijn. Of een toeschouwer man of vrouw is, lijkt me ook niet relevant. Maar nee, in dit geval wordt bij voorbaat alle kritiek toegeschreven aan kennelijk minderwaardig geachte blanke mannen.

Het doet denken aan Hitler, die  alle Duitse problemen bij voorbaat herleidde tot de -- in zijn opvatting -- volstrekt minderwaardige Joden. Wanneer je de stelling van Trouw over haar intact wilt laten, hebben we hier dus te maken met een racistische 'antiracisme-activiste'.

Volgens Trouw is relevant dat ze 'Vlaamse' is. Maar haar gekwetter en getjilp valt niet goed te volgen zonder haar huidskleur daarbij te betrekken. Wat mij betreft, doet het er niet toe of ze geel, oranje, paars, blauw, blank, geel, bruin of zwart is. Maar het hele interview gaat bijna volledig over wat haar heel bijzonder zou maken: ze is zwart.

Hitler had het over het Arische ras. Daarmee bedoelde hij West-Europeanen: blanke mensen met liefst blond haar en blauwe ogen van behoorlijke lengte. In zijn optiek waren dat superieure mensen. Alle andere rassen dienden onderworpen te worden en slavenarbeid te verrichten voor hun nieuwe meesters. Nog lager waren die kwalijke en gevaarlijke Joden. In de optiek van Hermans deug je niet als witte man, maar ben je als zwarte vrouw juist heel bijzonder.

Daarbij ziet ze zichzelf als pedagoog en docent. 'Met dit theaterstuk heb ik heel hard geprobeerd om een stuk te maken waarin ik racisme niet uitleg aan witte mensen.' Ze legt racisme uit in haar theaterstuk, maar witte mensen zijn te dom om dat te kunnen volgen. Dat is onbegonnen werk. Die snappen het toch niet.

Nee, de doelgroep bestaat uit 32 zwarte vrouwen, die ze ook nog eens persoonlijk kent. Wanneer je tot haar inner circle behoort, mag je haar wijze woorden in je opzuigen. Maar die kostbare wijsheid is niet bedoeld voor mensen met een foute kleur of een foute sekse.

Ze stelt: 'Het draait allemaal om representatie.' 'Als er geen mensen zijn die op jou lijken en jouw verhaal vertellen, is het heel moeilijk om iemand te worden.'

Het klinkt prachtig, maar als je het nog eens leest, staat er pure onzin. Waarom zouden andere mensen jouw verhaal moeten vertellen? Heb je je spraak verloren? Lijkt me -- zeker in haar geval -- nogal mee te vallen.

Waarom zouden mensen op je moeten lijken? Ik ben Fries en kaal, Einstein was Jood en had een wilde haardos. Toch heb ik van die man -- door zijn werk te bestuderen -- veel kunnen leren. Iemand als Beyoncé is een stuk jonger, is vrouw, is belangrijk knapper en is zwart. Toch hou ik haar streven naar perfectie graag als voorbeeld voor ogen.

En sinds wanneer word je iemand, doordat je een verhaal vertelt? Waarom zou je niet gewoon dingen doen? Iemand als Beyoncé zegt niet, dat ze heel erg goed is. Maar haar optredens zijn volgens haar publiek heel erg goed.

Zeggen en doen zijn totaal verschillende zaken, maar voor Hermans is 'zeggen' een soort optreden geworden. Ze lacht, ze beweegt, ze houdt de aandacht vast. Dat zie je als je clips van haar op internet bekijkt. Maar wat er uit het bekje komt, is helaas -- als je wat beter leest en luistert -- weinig steekhoudend.

Als je het interview beter leest, wemelt het van de tegenstrijdigheden. In Vlaanderen zou niet minder racisme zijn dan vijf jaar geleden (lijkt me te kloppen), maar toch zou er wel degelijk vooruitgang zijn geboekt. Nee, dus. Dan zit je met twee maten te meten.

Hoe is die vooruitgang dan geboekt? Wel, mensen van kleur eisen nu hun plaats op. Lees dat nog een keer! Ik heb kleur X en dus heb ik recht op deze plaats. Racistisch denken ten voeten uit.

Vergis ik me? Zie ik het allemaal te zwart? Op internet vind ik een toespraakje van haar (hier). Voor wie zelf wil kijken: de toespraak duurt minder dan tien minuten. Het is inderdaad een soort optreden. Hermans is een aantrekkelijke vrouw, die druk beweegt, veel lacht en de aandacht goed vast weet te houden.

Maar het toespraakje gaat vooral over haarzelf. Zelfs na een paar keer kijken, blijft de strekking me duister. Ze associeert handig en ongecontroleerd. Maar al die associaties monden niet uit in iets met inhoud.

Op de site van haar uitgever (hier) wordt ze vergeleken met Greta Thunberg. Een bespottelijke en kwalijke vergelijking. Bij Thunberg is ieder woord doordacht. Inhoudelijk klopt alles tot in de perfectie. De boodschap is kort, helder en krachtig. En niet onbelangrijk: feitelijk juist!

Bij Hermans is alles het tegenovergestelde. Ze is misschien goed in wilde associaties, maar qua gericht, kritisch denken is het een volstrekte nul. Het is een brei van woorden zonder inhoud. Slechts bedoeld om indruk te maken op de toehoorder.

Waarom al die racistische opmerkingen? Wat is daar voor leuks aan? Waarom ging Hitler zo tegen de Joden tekeer? De reden was simpel. Hij had geen interesse in Joden, maar wel in macht. Om aanhang te verwerven speelde hij de antisemitische kaart.

Is het bij Hermans echt anders? Natuurlijk hoeven we ons als witte mannen voorlopig nog niet bedreigd te voelen. Maar in wezen is het mechanisme hetzelfde. Om sociaal te scoren, wordt er ingehakt op specifieke bevolkingsgroepen. Terwijl de 'eigen' groep om volstrekt pragmatische redenen op het schild wordt gehesen.

Klopt deze vergelijking? Het bijzondere van Hitler was -- uitgaande van het soortenmodel -- dat hij als strongman double-high was: hij was autoritaristisch en sociaal dominant. Aan het autoritarisme van Hermans kan moeilijk getwijfeld worden, gezien haar manier van denken. Dat ze zichzelf graag ziet in de leidende en centrale positie, lijkt me ook moeilijk te ontkennen.

Neem bijvoorbeeld alleen al de opmerking dat ze racisme moet uitleggen aan het door haar geselecteerde publiek. Je college is niet bedoeld voor iedereen. Nee, het is alleen bestemd voor de bijzondere groep die door de goeroe genodigd is.

Mensen als Hermans zijn tegenwoordig helaas geen uitzondering meer. En natuurlijk zijn ze in zekere zin van alle tijden (althans gerekend na de uitvinding van de landbouw). Wat me echter in dit verband een teken aan de wand lijkt, is dat dit soort mensen zonder enige kritiek of weerwoord twee bladzijden in een landelijke krant als Trouw krijgt om zijn verhaal te doen. Je biedt een royaal platform aan iemand die racistische onzin verkondigt en ziet ondertussen ook nog kans die persoon op alle mogelijke manieren te bewieroken.

Hoe valt zoiets te begrijpen?

Mensen hebben in beginsel twee manieren om naar de wereld te kijken. Om zich in de wereld staande te houden. De onbevooroordeelden (de bèta's) doen dat door te produceren en te presteren. Ze hebben dus te maken met harde feedback; ze hanteren systeem 2. Het trage denksysteem. Einstein, Beyoncé en Thunberg zijn voorbeelden. Daarnaast hanteren ze ook nog steeds systeem 1: hun emotionele systeem. Ook hun emoties spelen soms een leidende rol.

Een groot deel van de moderne samenleving kan echter volstaan met sociaal gebabbel. Als ze maar een 'mooi' verhaal produceren, vindt de sociale omgeving het prima. Ze hebben daardoor nooit het lastige systeem 2 onder de knie gekregen. De harde werkelijkheid bestaat voor hen niet langer. De groep bepaalt hun denken. Ze geloven blindelings wat de andere groepsleden zeggen. Ongeacht of het zinnig of onzinnig is. Met andere woorden: ze geloven en volgen blindelings de vooroordelen van de groep.

Als ik dus gelijk heb, is de verklaring simpel, maar ook verontrustend. De redactie van Trouw (en vermoedelijk: een groot deel van de Nederlandse bevolking) beheerst het systeem-2 denken niet langer. Harde feiten zijn zachte meningen geworden, terwijl zachte meningen opgewaardeerd zijn tot onbetwistbare feiten. Wetenschap is vervangen door geloof.


















zaterdag 15 februari 2020

Twee manieren om naar de wereld te kijken


In Trouw (op 12/2/2020) twee grote verhalen over de Noordwaardpolder. De titel van het ene verhaal: Met een fles beerenburg je woongebied zien overstromen. De titel van het tweede verhaal: Kom maar op met die storm, klinkt het bij de crisisdienst. Beide titels wekken bij mij enige achterdocht.

Misschien komt het, omdat ik net de documentaire De Ramp van Koert Davidse tweemaal gezien heb. In deze film laat hij enkele voormalige inwoners van Capelle op Schouwen-Duiveland vertellen over die fatale nacht in 1953 dat de dijken doorbraken. 


De Watersnoodramp

Wie nu op de kaart naar Capelle op Schouwen-Duiveland zoekt, vindt eigenlijk niets meer. Het voormalige dorp tussen Nieuwerkerk en Zierikzee is na de ramp niet opnieuw opgebouwd. Het enige dat van het dorp resteert, zijn enkele huizen aan een doodlopend zijweggetje van de Zwanenburgseweg. Een zijweggetje zo onbeduidend dat Google Maps het niet meer vermeldt, terwijl Google Streetview de Zwanenburgseweg al te onbelangrijk vond om op de foto te zetten. Google Maps weet het voormalige gehucht echter nog wel te vinden, maar dan onder de naam 'Kapelle'.

Wat me van deze film bij is gebleven, is de totale onvoorbereidheid van de mensen. Je woont op een eiland en achter een dijk. Je woont beneden zeeniveau. Dat is allemaal niet erg en niet verkeerd, maar als normaal mens zou je kunnen proberen één en één op te tellen. Als je vertrouwd bent met de zee, weet je dat de zee geeft en neemt. Het is niet een entiteit om lichtzinnig mee om te gaan. En als je achter een dijk woont, weet je, dat vroeg of laat die dijk zal breken.

Dat is allemaal niet erg, want dat is, zoals het is. De logische vraag is dan natuurlijk: stel nu dat de dijken breken, wat moeten we dan doen? Wat is onze vluchtroute? Waar moeten we naar toe? Hoeveel tijd hebben we dan nog? Hoe groot is die kans? In modern jargon: je hebt een exitplan nodig.

In de documentaire zie je, dat men het nooit nodig heeft gevonden over zulke simpele vragen even na te denken. Waarom zou je je kostbare tijd verdoen met dat soort onbenullige vragen?

Dan komt die gigantische stormwind uit het noordwesten aangieren, zodat het water in de Zeeuwse zeearmen hoog wordt opgestuwd. Alles wordt nog eens erger doordat het net springvloed is: de Maan en de Zon trekken de Aarde weg van de watermassa, waardoor die nog hoger wordt.

De dijken breken massaal. In het geval van Capelle stroomde het water van drie kanten de polder in. Hoe reageren de mensen? Het water in de sloten staat opeens wel erg hoog. Ze gaan de kippen binnenhalen, want die zouden eens weg kunnen spoelen. Ze gaan heen en weer lopen tussen huizen. Ze gaan elkaar vertellen, dat een metertje water niets is om je druk over te maken. Ze beginnen hun kachel in veiligheid te brengen. Kortom, ze gedragen zich als een kip zonder kop.



De meeste van die kippen zonder kop zijn even later dood: verdronken! Dat is de prijs die je soms moet betalen voor het op nul zetten van je gezonde boerenverstand.

Door de film verdiep ik me iets verder in de Watersnoodramp. Wat het inderdaad de harde storm? Het blijkt een storm van windkracht 10 geweest te zijn. Wel hard, maar voor Nederlandse begrippen niet uitzonderlijk hard.

Kwam de storm uit een verkeerde richting? Het ging om een noordwester-storm. De richting waaruit de wind in Nederland meestal waait.

Was het de springvloed? Het blijkt dat veertien dagen later een veel hogere springvloed plaatsvond. Verder is een springvloed niet een zeldzaam iets, maar iets dat regelmatig optreedt.

Alle standaard verklaringen voor de ramp kloppen dus niet. Er blijft slechts één optie over: men had op het kostbare dijkonderhoud bezuinigd. Het kon ook wel met wat minder en zie, dat ging toch ook goed. En vervolgens kon het met nog wel wat minder. En zie, dat ging toch ook perfect. Tot het een keer fout ging.


De 'geniale' ontpoldering van de Noordwaard

Terug naar die twee artikelen in Trouw. Samen meer dan anderhalve bladzij groot. Prachtige foto's om de verhalen te verlevendigen.

De Noordwaardpolder in de Biesbosch is overloopgebied. Als het water in de Nieuwe Merwede te hoog komt, loopt automatisch de Noordwaardpolder vol. Maandag was dat de eerste keer het geval.

Wat mij betreft: prima. Ik woon zelf ook vlak naast zo'n groot overloopgebied en bij hoog water kan dat spectaculaire plaatjes opleveren. Niets mis mee, dus.

Wat is de strekking van die twee artikelen? Het is een historisch moment. Het is spectaculair. Dit is precies de bedoeling. Je kunt in de natuur prachtige dingen zien, zoals vluchtende dieren. (Ik weet niet of die beesten daar zelf ook zo over denken, maar goed.)

Bij het vollopen van de polder neemt de boswachter een beerenburgje. 'Om de ecologische kwaliteit van de Noordwaard hoog te houden, moet dit [hij bedoelt: het vollopen van de polder, niet van zichzelf] af en toe een keer gebeuren.'

Het tweede artikel is even juichend. Er is een tweede storm op komst, maar: 'Weken als deze zijn als het neusje van de zalm voor experts op het gebied van watermanagement.' Alles verloopt helemaal volgens de planning. Geweldig!

Einstein had een hekel aan 'experts' en ik ook. Het is mooi wanneer zaken volgens de planning gaan, maar het vervelende is dat ze soms niet volgens de planning gaan.

Onze expert is Van Waveren, voorzitter van de Landelijke Commissie Overstromingsdreiging. Een gewichtige functie, uiteraard.

Het doel van de Noordwaardpolder als overloopgebied, blijkt te zijn: het verlagen van de rivierwaterstand bij Werkendam en Gorinchem. Beide steden liggen iets meer stroomopwaarts. Dankzij de kostbare ontpoldering (2,3 miljard) van de Noordwaard konden de dijken daar ongeveer een halve meter minder opgehoogd worden.

Ik probeer te begrijpen, wat ik lees. Door de Noordwaardpolder vol te laten lopen, zorg je dat het rivierwater bij Gorinchem een halve meter lager komt te staan. Probeer het je voor te stellen. Zie je het water de polder inspuiten? Zie je het water bij Gorinchem zakken?

Op het einde van het artikel zie ik nog iets vreemds staan. De Noordwaardpolder is inmiddels keurig volgens plan volgelopen, maar inmiddels is er een tweede storm, Dennis, op komst. Wat gaat die met de waterstand doen?

Van Waveren: 'Vanwege de onzekerheid maken we zo'n vijftig rekensommen tegelijk. Als daaruit blijkt dat de waterstanden serieus gaan oplopen, gaan we informeren. Tot nu toe lijkt het erop dat er bij de Noordwaard aanzienlijk minder water komt dan afgelopen weekend.'

Hier heb je een 'expert' die niet gewoon een som maakt, nee, deze expert maakt er maar liefst 50 tegelijk! Logisch, dan heb je natuurlijk een veel betere uitkomst. Gewoon een uitkomst die 50 keer zo goed is!

En wat gaat onze 'expert' doen als de storm het water onverwachts toch hoog opstuwt in de Nieuwe Merwede? Wel, dan gaat onze 'expert' informeren. Een actie waar het wassende water natuurlijk uitermate voor beducht is. Het doet me denken aan het voormalige ijs op Groenland dat pas zou gaan smelten na toestemming van de Nederlandse overheid.

Op dit punt begin ik eens wat te rekenen. De bedoeling van de Noordwaardpolder is de waterstand in de Nieuwe Merwede met een halve meter te verlagen. Maar op een gegeven ogenblik is de polder natuurlijk gewoon vol en werkt dat idee niet langer.

De polder is volgens een van de twee artikelen 4000 hectare groot. Volgens het andere artikel bleek de afgelopen dagen via de Rijn bij Lobith 6 miljoen liter water per seconde ons land binnen te stromen. Dat is 6000 kubieke meter. Later lees ik elders dat dat voor de Rijn nog lang niet maximaal is: dan gaat het soms om de dubbele hoeveelheid die binnenstroomt. Maar goed, laten we even uitgaan van 6000.

Volgens de hoogtekaart van Nederland ligt de polder ongeveer op 0.5 meter boven NAP (Normaal Amsterdams Peil). Dat betekent dat de polder een halve meter hoger ligt, dan het zeewater komt bij een gemiddelde vloed.

Het oppervlak van de polder is 40 miljoen vierkante meter groot. Om het waterpeil daar 1 meter omhoog te brengen, heb je 40 miljoen kubieke meter water nodig. De Rijn levert 6000 per seconde. Dat duurt dus 6667 seconden, of 1,85 uur. Zeg: twee uur.

De polder begint vol te lopen bij een waterstand van 2 meter boven NAP. Voor de Rijn is dat een klus die in drie uur geklaard is. Nu hoef je natuurlijk niet de volle stroom op te vangen, maar het zal duidelijk zijn dat de polder als overloopgebied snel vol zal zijn, wanneer je de waterstand stroomopwaarts aanzienlijk wilt verlagen. Daarna kun je de polder niet meer gebruiken om het waterpeil te drukken.

Wat is er gebeurd? Als je het ronkende proza wegsloopt, vond men het een prachtig idee om de Noordwaardpolder te ontpolderen. Prachtig voor de fauna. Prachtig voor de flora. Prachtig voor de natuur. Men was het onderling helemaal eens. En met dat idee is misschien niets mis.

Maar dat ontpolderen gaat veel geld kosten? Hoe krijgen we dat gefinancierd? Wel, we vertellen iedereen dat door die ontpoldering de dijken bij Gorinchem en Werkendam een halve meter lager kunnen. Dat bespaart veel geld, dat we vervolgens prachtig kunnen gebruiken om onze vurig gewenste ontpoldering te bekostingen.

Klopt helemaal, maar na een aantal uur is die polder vol, terwijl de dijken nog steeds niet zijn
opgehoogd.

In het AD lees ik een paar dagen later (15/02/2020) een juichend verhaal met dezelfde strekking. Nu blijkt de beweerde verlaging van 50 centimeter rivierniveau bij Gorinchem helemaal niet gehaald te zijn. In werkelijkheid realiseerde men slechts een tijdelijke verlaging van 30 centimeter! Belangrijk minder dan de beweerde 50 centimeter. 


Op naar de volgende ramp

Wat is de moraal? Ik denk dat het simpel is. We hebben twee manieren om naar de wereld te kijken. We kunnen proberen te kijken door een objectieve bèta-bril. Maar dat is niet leuk en je wordt op die manier niet populair. En je kunt kijken door een subjectieve alfa-bril. Wat wij vinden, is de ultieme waarheid, want wij geloven het allemaal! Helaas trekt die vervelende, harde Natuur zich niets van dat prachtige geloof aan.

Klopt mijn stelling? Hebben we inderdaad twee manieren om naar de wereld te kijken? Als mijn vorige blogpost klopt, is dat eigenlijk iets te simpel geredeneerd. Bèta's kunnen op beide manieren kijken, maar alfa's niet. En het zijn alfa's die in de praktijk de belangrijke beslissingen nemen. De consequentie is dat een volgende ramp slechts een kwestie van tijd is.





















vrijdag 14 februari 2020

Het bijzondere van Einstein



Laatst bijgewerkt: 17-2-2020 om 23.33


In de Volkskrant van 23 januari 2020 kom ik een column van Harriët Duurvoort tegen, getiteld: 'Kapotgemaakte Einsteintjes' (hier). Het is een intrigerende titel en een intrigerende column.

De strekking van haar column is dat de Leerplichtwet een anachronistisch monster is. Iets dat ik als kind en als student al vond en dus met haar eens ben. Dat is echter niet wat haar column zo intrigerend maakt.


Het bijzondere van de column

Het eerste dat de column bijzonder maakt, is de betoogtrant van Duurvoort. In sneltreinvaart wordt een spervuur van wilde veronderstellingen op je afgevuurd alsof het volstrekt vaststaande feiten zijn. Daarbij roept iedere bewering een emotionele golf op, die je het zicht op de wel of niet achterliggende feiten volledig beneemt.

Laat ik een simpel voorbeeld geven. De eerste stelling in de column gaat over haar kind. Nu 8 jaar en met de diagnose 'zwakbegaafd'. Je hebt het over je kind. Je kind heeft een diagnose. Het is dus ziek. Wat is de ziekte? Het kind is zwakbegaafd. Wow, heftig!

Ho, wacht even! Kun je als diagnose iemand labelen als 'zwakbegaafd'? Met de term 'diagnose' bedoelen we dat een arts op basis van symptomen en overige feiten, concludeert welke ziekte iemand heeft. Kun je 'zwakbegaafdheid' een ziekte noemen?

Lijkt me van niet. Ik heb nog nooit gehoord van een bacterie of virus gehoord dat alle zwakbegaafdheid verklaart. Ik heb ook nooit gehoord van een medische behandeling die 'zwakbegaafdheid' zou kunnen verhelpen.

Dat is niet alleen slordig taalgebruik, maar ook gevaarlijk taalgebruik. Je definieert zwakbegaafdheid als een ziekte die door artsen behandeld moet worden. Artsen hebben daar echter geen kaas van gegeten, terwijl zwakbegaafdheid geen ziekte is.

Ze veronderstelt vervolgens dat zij in het jaar 2100 er niet meer is, maar haar kind naar alle waarschijnlijkheid nog wel. Het klinkt plausibel, tot dat je erover na begint te denken. Je hebt een zwakbegaafd kind, een jongetje, van 8 jaar oud. Je veronderstelt dat dat er in 2100 nog zal zijn. Dan is het dus een man van 88 jaar oud.

Ik wil niet pessimistisch zijn, maar kort geleden zag ik nog onderzoek langs komen waaruit bleek dat zwakbegaafde jongens in de praktijk vaak niet erg oud worden. Het leven is voor dit soort kinderen niet aardig. Iets wat misschien niet algemeen bekend is, maar toch een hard feit. De verwachting dat je zwakbegaafde zoon 88 zal worden, is dus niet echt realistisch.

Hoe moet haar zwakbegaafde kind zich handhaven in deze samenleving, vraagt Duurvoort zich af? Haar antwoord: hij 'zal altijd afhankelijk zijn van een compassievolle samenleving die in staat is voor hem te zorgen.'

Misschien klopt dat wel een beetje, maar als je 8 bent, kun je nog veel leren. Zelfs als je niet tot de allerslimsten behoort. Waarom de bal dan bij voorbaat bij de samenleving leggen en niet voor de voeten van jezelf en je 8-jarige zoon? Alles wat hij nu leert, zal hem later in zijn leven een betere uitgangspositie opleveren.

Duurvoort vervolgt: 'Mijn hoop is altijd dat er in zijn generatie genieën opstaan, geboren met creatieve en innovatieve topbreinen om de enorme uitdagingen waarmee wij onze kinderen en kleinkinderen hebben opgezadeld te helpen oplossen.'

Dat doet me denken aan de CO2-problematiek. Wij pompen de Aardse atmosfeer vol CO2 en andere broeikasgassen en doen dat in een steeds sneller tempo. Maar dat geeft niet, want straks zullen knappe wetenschappers een methode gevonden hebben om al die troep weer uit de atmosfeer te verwijderen. Wij kunnen dus probleemloos doorgaan met wat we aan het doen zijn.

Is dat niet een beetje erg gemakkelijk gedacht? Is dat niet speculeren op iets dat er niet is en mogelijk ook nooit zal komen?

Maar Duurvoort heeft geen last van dit soort twijfels. Nee, die bijzondere breinen zijn er al en staan klaar om hun zegenrijke uitvindingen te gaan doen. Ze schrijft:
'Die [genieën met creatieve, innovatieve topbreinen] zijn er gelukkig ook. Jason bijvoorbeeld, of zijn vriendinnetje Wen Long. Allebei 8, net als mijn zoontje. Geboren met een IQ dat wordt geschat op 145-plus. Kleine Einsteins, uitzonderlijk begaafd, die we liefdevol moeten koesteren, als samenleving, als mensheid. Het enige onbegrijpelijke is dat wij, Nederland, er nu al alles aan hebben gedaan om hun jeugd kapot te maken.'

Als psychometricus moet ik nu even slikken. Sinds wanneer worden baby's met een bepaald IQ geboren? Hoe denk je dat te meten? Ik moest me als onderzoeker ooit verdiepen in het probleem hoe je het IQ van zesjarigen bepaalt. De literatuur was vrij eenduidig. Bij zesjarigen lukt dat nog niet echt: de metingen zijn nogal onbetrouwbaar. Het idee dat een baby met een bepaald IQ geboren wordt, is precies dat. Het is een 'mooi' idee, maar zonder enige feitelijke onderbouwing.

Goed, laten we veronderstellen dat het IQ van Jason en Wen Long bepaald is. Sinds wanneer schatten we een IQ? En sinds wanneer bepalen we een IQ als: 145-plus. Een normale IQ-test heeft een gemiddelde van 100 en een standaarddeviatie van 15. Natuurlijk heb je mensen die daar soms vrij hoog op scoren, maar ook dan haal je nog steeds een bepaalde score.

En wanneer je een vergelijkbare test opnieuw doet, haal je vervolgens vaak een lagere score. Dat staat bekend als: 'regressie naar het gemiddelde door de onbetrouwbaarheid van de test'. Er valt dus niets te schatten. Je scoort een bepaalde waarde en in die waarde zit ook nog een stuk toeval. Dat is alles.

Kun je drie standaarddeviaties boven het gemiddelde scoren? En zelfs nog hoger? In theorie misschien wel. Maar het klinkt nogal als een broodje aap-verhaal. Welke test was dat dan? Waar is die afgenomen? Wanneer? En door wie?

Oké, laten we veronderstellen dat iemand inderdaad meer dan 3 standaarddeviaties boven het gemiddelde scoort en dat bij herhaling op verschillende intelligentietests doet. Wat denk je daaruit te kunnen afleiden? Wat wil je daarmee bewijzen?

We hanteren het IQ als maat voor hoe goed mensen kunnen leren op school. Een hoge score betekent dat als de test gelijk heeft, je goed zou moeten kunnen leren. Je moet op school goed mee kunnen komen.

Maar veronderstel nu eens, dat dat niet zo is. Je scoort 150 op een intelligentietest, maar op school lukt het niet. Stap je dan naar de testconstructeur toe en doe je hem een proces aan? Die testconstructeur heeft nooit gesteld dat een eventuele hoge score een garantie zou zijn voor schoolsucces. Met andere woorden: je hebt verder niets, maar dan ook helemaal niets, aan die hoge score.

Hoe moet je deze manier van denken omschrijven? Duurvoort roept met woorden een hele wereld op die geen koppeling meer heeft met de feitelijke wereld. De woorden die ze hanteert, roepen bij de lezer diepe emoties op, maar de koppeling met de realiteit ontbreekt vaak.


Het bijzondere van Einstein

Nu kom ik bij de tweede reden waarom de column bijzonder is. De mensen die hoog scoren op een IQ-test zouden 'kleine Einsteins' zijn. Het idee is kennelijk dat het bijzondere van Einstein was, dat hij heel slim was. Als je hoog scoort op een IQ-test moet je dan dus wel net zo als Einstein zijn.

Dat lijkt me nogal een wilde conclusie. Dat Einstein door zijn prestaties beschouwd mag worden als een bijzonder mens, lijkt me duidelijk. Maar waar die bijzondere prestaties precies door veroorzaakt werden, lijkt me minder eenvoudig.

Kan het zijn IQ geweest zijn? Was de man gewoon erg slim en kwam hij daardoor tot zijn uitzonderlijke prestaties? Een eerste probleem is dat zijn IQ nooit gemeten is en dus niet bekend is.

Maar veronderstel dat hij inderdaad een uiterst hoog IQ had. De redenering van Duurvoort volgend zou iedereen met een vergelijkbaar hoog IQ dan tot soortgelijke prestaties moeten komen. We zouden dan een hele trits beroemde bèta-wetenschappers moeten hebben met een torenhoog IQ. Van een dergelijk verschijnsel heb ik nog nooit gehoord.

Is haar veronderstelling waarschijnlijk? Wanneer je naar de scores van beginnende (Amerikaanse) natuurkunde-studenten kijkt, zie je dat ze wel slim zijn, maar dat dat niet is, wat ze bijzonder maakt. In een eerdere blogpost produceerde ik dit plaatje (hier, de tweede figuur).

Wat we zien in dit plaatje, is dat je studierichtingen op twee totaal verschillende manieren kunt onderscheiden. De ene manier is om naar de intelligentie van de beginnende studenten te kijken (het gemiddelde van de score op verbaal en kwantitatief). De andere manier is om naar de alfa-bètafactor te kijken (het verschil tussen de scores op verbaal en kwantitatief).

Wat je dan ziet, is dat intelligentie niet het punt is, waarop natuurkunde studenten echt afwijken van de andere studenten. Studenten in de 'Humanities' (geesteswetenschappen) zijn bijna net zo slim. Het verschil zit hem in de tweede factor: de alfa-bètafactor.

In de figuur zijn twee groepen bèta's vermeld: Physical Sciences en Engineering. Samen scoren ze ongeveer -0.50 op de alfa-bètafactor (ze zijn kwantitatief een halve standaarddeviatie beter dan verbaal), terwijl de studenten van de Humanities gemiddeld bijna 1.2 scoren (ze zijn verbaal 1.2 standaarddeviatie beter dan kwantitatief). Een verschil tussen beide groepen van ongeveer 1.7 standaarddeviatie. Dat geldt als een zeer groot verschil.

Wat betekent dat grote verschil? Waar komt het vandaan? Het probleem is niet dat de bèta-studenten heel goed zijn in de bèta-vakken of heel slecht in de alfa-vakken. In beide zijn ze ongeveer even goed. Het verschil is maar klein. Nee, het probleem is dat de alfa-studenten moeite hebben met de bèta-vakken. Ze hebben moeite met bèta-denken. Op de bèta-kant scoren ze in verhouding tot de alfa-kant extreem laag.

Wat we dus zien, is dat de bèta's als enigen het bèta-denken beheersen. Voor de alfa's is dat een gesloten boek, een vreemde, onbegrijpelijke wereld, waar ze geen toegang tot hebben.

Het bijzondere van een groot natuurkundige als Einstein is dus niet zijn intelligentie, maar zijn bijzondere vaardigheid in -- en motivatie tot -- bèta-denken. Zijn vaardigheid in praktisch, logisch, analytisch denken en zijn drive om dat ook daadwerkelijk te doen en vol te houden.


Bèta-denken

Maar wat is 'bèta-denken' precies? Je kunt dat begrip vanuit meerdere kanten benaderen. Allereerst via het empirische discriminatie- en agressie-onderzoek. Volgens het soortenmodel proberen bèta's de wereld te begrijpen en te voorspellen. Ze leven in een gevaarlijke wereld, waarin ze het gevaar voor moeten zijn en volledig afhankelijk zijn van hun vermogen nuttige zaken te produceren. Ze proberen dus scherp waar te nemen, zoveel mogelijk informatie te verzamelen en zo ver mogelijk vooruit te kijken. We meten dat als een lage score op bevooroordeeldheid, de alfa-bètafactor.

De tweede benadering is bèta-denken te zien als 'traag denken'. Mensen hebben twee manieren om informatie te verwerken: systeem 1 en systeem 2. Respectievelijk: de snelle, emotionele reactie en de trage reactie die gebaseerd is op gericht, kritisch nadenken. Bèta's beheersen in beginsel beide systemen, maar prefereren waar mogelijk het trage denken. Alfa's beheersen alleen het eerste systeem.

De derde benadering ziet bèta-denken vanuit de gedragsanalyse. Mensen kunnen taal in beginsel slechts op twee totaal verschillende manieren hanteren. Normaal gebruiken we taal om andere mensen te beïnvloeden. We gebruiken taal als 'mand'. Het succes meet je vervolgens af aan de mate waarin je die andere mensen mee krijgt. De feedback is 'zacht', dat wil zeggen: komt van subjectieve mensen.

Daar tegenover staat het gebruik van taal om de objectieve werkelijkheid te beschrijven en te voorspellen: tacting. Wie iets beschrijft, produceert een 'tact'. Wil die tact kloppen, dan moet hij dus precies de waarneembare werkelijkheid correct weergeven. De tact klopt wel of hij klopt niet. Het gaat dus uiteindelijk om feedback van de harde natuur.

Het onderliggende verschijnsel maakt het mogelijk om op basis van wat iemand geschreven of gezegd heeft, eenvoudig af te leiden of men vooral de ene denkmethode hanteert (babbelen, snel denken) of de andere (gericht, kritisch nadenken).

Een vierde benadering mag misschien niet onvermeld blijven. Solomon Asch liet aan het begin van de jaren 50 studenten lijnstukjes vergelijken. Daarbij zorgde hij voor een hele groep mensen die hetzelfde foute antwoord gaven. De proefpersoon kon dus het feitelijke juiste antwoord geven of met zijn antwoord de groep volgen. Veel mensen bleken tegen de nadrukkelijke instructies in de groep te volgen. Verder bleek hoe vaak men het een of het ander deed, vast te liggen per persoon. Het ging om een persoonsvariabele. Bepaalde mensen kozen altijd de ene optie, anderen de andere, terwijl een grote groep wisselend koos.

Alle deze benaderingen van bèta-denken leveren in grote lijn hetzelfde op: bèta's zijn relatief onbevooroordeelde geesten, die uitblinken in traag denken en het hanteren van tacts. Ze denken vooral inductief in plaats van dogmatisch.


De vallende dakwerker

Kan ik dit illustreren? Ik gebruik een bekende opmerking van Einstein om dit punt te verduidelijken. Hij beschrijft het moment dat hij het idee kreeg voor de algemene relativiteitstheorie. Hij was aan het werk met een artikel over de speciale relativiteitstheorie en zat te dubben over de gravitatietheorie van Newton. Op dat moment ziet hij mensen aan het werk op een hoog dak.

Stel je voor dat een van die mensen verkeerd stapt en naar beneden valt. Wat dan? Als natuurkundige weet je dan: zo lang die man valt, verkeert hij in vrije val. Een weegschaal onder zijn voeten zal nul aanwijzen. Hij is gewichtsloos. Al zijn gereedschap dat met hem mee naar beneden valt, zal keurig bij hem blijven, omdat het even snel valt.

Einstein omschreef het zo:
"At that moment I got the happiest thought of my life in the following form: In an example worth considering, the gravitational field has a relative existence only in a manner similar to the electric field generated by magneto-electric induction. Because for an observer in free-fall from the roof of a house there is during the fall—at least in his immediate vicinity—no gravitational field. Namely, if the observer lets go of any bodies, they remain relative to him, in a state of rest or uniform motion, independent of their special chemical or physical nature. The observer, therefore, is justified in interpreting his state as being 'at rest'" (hier).

Wat is relevant in dit citaat? In eerste instantie ben je misschien geneigd te focussen op die gewichtsloosheid. Maar ik denk dat ook het begin veel vertelt.

Allereerst was Einstein dus actief bezig te verwoorden, hoe de speciale relativiteitstheorie in elkaar stak. Hij luisterde niet passief, maar was bezig een denkbeeldige toehoorder iets uit te leggen. Dit punt is zo basaal, dat men het gemakkelijk mist. Maar creatieve oplossingen worden dus niet gevonden door het verstand in consumptie-modus te zetten. Het vereist gericht en bewust nadenken.

Het tweede belangrijke punt is: het was de 'gelukkigste' gedachte van zijn leven. Wat betekent dat?

Om een gedachte te evalueren hanteren mensen twee verschillende criteria en daarmee ook twee verschillende denksystemen. De meeste mensen beoordelen het succes van een opmerking via de reactie van de anderen. Als andere mensen het een goede opmerking vinden, dan is het een 'goede' opmerking.

Maar Einstein zit in zijn werkkamer. Er is verder niemand aanwezig. De reden om die gedachte zo mooi te vinden, is dat hij opeens begrijpt, wat het probleem is met de zwaartekrachtstheorie van Newton. Je bent aan het puzzelen en tenslotte vind je waar het stukje past. Dat geeft een inhoudelijke kick.

Uit dit citaat blijkt dat Einstein een systeem 2-denker was: het systeem van gericht, kritisch denken. Hij had niemand anders nodig. Hij evalueert de gedachte onmiddellijk op basis van: als je het zo bekijkt, klopt het opeens allemaal.

In dit specifieke geval ging het om de gravitatietheorie van Newton. Als je op Aarde staat en je ziet de Maan, dan verklaart die gravitatietheorie waarom de Maan niet wegvliegt, maar keurig een baantje om de Aarde draait. Maar stel nu eens dat je in vrije val verkeert. Voor jou bestaat er helemaal geen gravitatieveld, want alles is in rust om je heen. Kortom, op basis waarvan concludeer je in dit geval tot het bestaan van dat Newtoniaanse gravitatieveld? Hoe denk je dat waar te nemen?

Als je uitgaat van dit citaat, zie je dus drie belangrijke punten. Er is een bepaalde activiteit nodig. Je moet actief proberen te beschrijven op een heldere manier.

Ten tweede, Einstein focuste volledig op harde feedback. Het ging hem niet om een indrukwekkend verhaal, het ging hem niet om sociale bijval, maar om het begrijpen van de harde wereld om hem heen.

Ten derde focust hij voor de betekenis van de uitspraak op de wel of niet onderliggende waarneming. In dit geval ontbreekt die mogelijke waarneming, maar dan is er een probleem met die uitspraak en dus een probleem met de theorie van Newton.

Met andere woorden: je probeert uitspraken te herleiden tot wat er precies waargenomen is. Je probeert uitspraken te relateren aan de feitelijke wereld. Uiteindelijk betekent dat: een uitspraak klopt wel of niet met de harde empirie.

Het bijzondere van Einstein is daarmee niet zijn veronderstelde IQ, maar zijn specifieke manier van denken: zijn onbevooroordeeldheid. Het niet willen geloven in veronderstellingen die niet op waarnemingen zijn gebaseerd. Hij denkt als het ware voortdurend 'out of the box'. Volgens Greta Thunberg het kenmerk van autisten. In haar woorden: dat is zijn superkracht.


Twee totaal verschillende denkmanieren

Ook de column van Duurvoort heeft echter iets bijzonders. Het interessante is dat zij precies het tegenovergestelde doet. Ze schudt aan de lopende band veronderstellingen uit haar mouw, die niet op duidelijke waarnemingen zijn gebaseerd. Het zijn associaties die spontaan bij haar opwellen en vervolgens als het ware zelfstandig het luchtruim kiezen.

Duurvoort probeert de lezer te overtuigen van haar standpunt met emotioneel geladen woorden. Einstein probeert te begrijpen, hoe zwaartekracht precies werkt. Of hij de lezer wel of niet overtuigt, zal hem worst zijn.

Wat betekenen die twee totaal verschillende denkmanieren? Wat is de consequentie? Ik verwacht dat Einstein ultra laag op de alfa-bètafactor gescoord moet hebben (bèta's scoren laag, alfa's hoog), terwijl Duurvoort stevig in het alfagebied moet eindigen. Met andere woorden: beiden zijn elkaars tegenpolen.

Met IQ heeft dat echter merkwaardig genoeg weinig van doen. Dat klinkt misschien onvoorstelbaar, maar het plaatje spreekt op dit punt duidelijke taal. Het is de alfa-bètafactor die het verschil maakt, niet de intelligentie.

Hoe kan dat? Wij hanteren IQ vooral als maat om te voorspellen, hoe goed mensen het op school zullen doen. Kennelijk zijn er op school twee totaal verschillende vaardigheden van groot belang: een 'mooi' verhaal produceren en gericht, kritisch nadenken.

Wie slecht is in het laatste, kan dat kennelijk compenseren door goed te zijn in het eerste. Als de loodgieter klaar is, lekt de afvoer nog. Maar omdat de loodgieter een 'prachtig' verhaal heeft, zien we dat niet als een probleem.










vrijdag 24 januari 2020

Johannes of Jezus: alfa-geloof of bèta-wetenschap?


Laatst bijgewerkt: 25-1-2020 om 15.29


Wanneer mensen zichzelf en hun producten gaan tooien met teksten uit de Bijbel of met het label 'GOD', voorspelt dat weinig goeds. Het laat zien dat associatief denken -- via het automatische systeem -- de norm is geworden. Minderheden: bereid u voor op discriminatie en vervolging, want zo gaan die dingen doorgaans. Dat was kort gezegd de strekking van mijn vorige blogpost. Chips met Bijbeltekst werken als koekjes met hakenkruis.

Maar niemand verplicht je om een Bijbeltekst via dat automatisch werkende systeem te verwerken. Je bent niet gedwongen de tekst slechts automatisch te interpreteren. We beschikken in beginsel ook allemaal over dat -- door God gegeven -- systeem 2, waarmee we de (Goddelijke) natuur kunnen proberen te doorgronden. Laten we dat rationele denksysteem eens inschakelen. Laten we ons eens gaan verdiepen in de tekst die op de snack staat vermeld: Johannes 3, vers 16.


De tekst op de snack: Johannes 3, vers 16

Volgens de Statenvertaling (hier) luidt Johannes 3, vers 16: 'Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.'

Wie die tekst zo hoort, is geneigd te denken: duidelijk. God had de wereld lief. Hij heeft zijn enige zoon geofferd, zodat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zal hebben. Conclusie: geloof in God (of Jezus) en je hebt het eeuwige leven.

Maar is dat inderdaad de juiste conclusie? Zo ja, wat wordt er dan precies bedoeld met 'geloven in God'?

In het Oude Testament, dat Jezus -- als orthodoxe Jood -- volledig onderschreef, wordt verondersteld dat mensen in te delen zijn in twee groepen: de godhaters en de godlovers (Exodus 20: 5-6, hier). Iemand die God haat, gelooft onmiskenbaar wel in God, maar niet op een positieve manier.

Het in het Oude Testament gehanteerde onderscheid is dus niet of je gelooft, maar de manier waarop je gelooft. Geloof je positief of negatief? Omarm je de almachtige God of haat je hem?

Wanneer je de Bijbeltekst van de snack wilt begrijpen, moet je die bestuderen als onderdeel van de tekst waar die in opgenomen zit: Johannes 3. De vraag wordt dan: wat is de strekking van Johannes 3?


De strekking van Johannes 3

Johannes 3 is vermoedelijk opgeschreven tussen 90 tot 100 na het begin van onze jaartelling (hier). De actieve periode van Jezus liep van het jaar 26 tot maximaal het jaar 33. Dat betekent dat apostel Johannes op het moment van schrijven hoogbejaard was.

En het betekent dat de gebeurtenissen die hij beschreef bijna 60 jaar eerder plaatsvonden, als ze tenminste inderdaad plaatsgevonden hebben. Wanneer je het verslag van een vergadering een week laat liggen, zijn ondertussen al heel wat détails gewist in je geheugen. Johannes liet zijn verslag bijna 60 jaar wachten, voordat hij het opschreef.

Wanneer je Johannes 3 leest als onbevangen lezer, lijkt het nogal een chaotisch en rammelend verhaal. Het springt alle kanten uit. Verder lijkt duidelijk dat Johannes, als die het tenminste inderdaad geschreven heeft, veel eigen inbreng aan het verhaal heeft toegevoegd. Hij beperkt zich bepaald niet tot de kale feiten.

Het begint met een interessant voorval. Een belangrijke Farizeër, Nicodemus, komt stiekem in de nacht naar Jezus toe om van hem te horen en te leren. Jezus zegt dan op een bepaald moment iets in de trant van 'mensen moeten opnieuw geboren worden'. Nicodemus doet alsof hij die opmerking niet begrijpt en zegt: hoe kan dat nu?

Jezus legt dan uit, dat je in zijn optiek uit vlees geboren kunt zijn (uit de buik van je moeder). In dat geval ben je nog steeds gewoon vlees. De andere optie is dat je uit 'geest' geboren wordt. In dat geval ben je 'geest'. De manier van leven die Jezus ziet als de juiste.

Wat bedoelt hij daar precies mee? In vers 8 staat: 'De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.' De wind waait en je hoort het, maar je weet niet in welke richting hij waait. Zo is iedereen die uit de Geest geboren is.

Met andere woorden: je hoort, maar je realiseert je je onwetendheid (mijn interpretatie). Vervolgens ga je op onderzoek uit. De mensen die uit de Geest geboren zijn, realiseren zich hun beperktheid en onwetendheid en de grootsheid van de Goddelijke natuur. De mensen die echter uit vlees geboren zijn, maken zich niet druk over wat er allemaal in die Goddelijke wereld gebeurt, maar willen gewoon -- zonder gezeur -- de goede dingen des levens genieten. De baby wil melk en hij wil die melk nu! En dat zul je horen ook.

Ik ben dus geneigd te denken, dat als Jezus inderdaad zo'n soort opmerking maakte, hij doelde op het onderscheid waar Mozes ook al mee worstelde. Het verschil tussen de godhaters en de godlovers. De godhaters voelen zich tekort gedaan en willen meer en ze willen het nu, of ze worden heel erg boos. De godlovers omarmen informatie en de externe werkelijkheid en willen niet meer consumeren, maar vooral meer produceren. Ze willen zich nuttig maken. Ze willen hun omgeving begrijpen.

Dat verschil in houding meten we vandaag de dag via bevooroordeeldheid of via de manier waarop iemand taal gebruikt. Bevooroordeelde mensen denken dogmatisch, van binnen naar buiten. Onbevooroordeelde mensen denken inductief, van buiten naar binnen. Ze passen hun ideeën aan de werkelijkheid aan. De eerste groep wil de werkelijkheid juist aanpassen aan zijn ideeën.

Is mijn interpretatie inderdaad de juiste? Nicodemus stelt in vers 9 een vraag waaruit blijkt dat hij het nog steeds niet helemaal begrijpt. Jezus plaagt hem dan een beetje door te zeggen in vers 10: ben jij nou een leraar en weet jij dit allemaal niet? Uit die passage blijkt dat Jezus dacht niet echt iets nieuws te vertellen. Jezus veronderstelde dat Nicodemus als schriftgeleerde het onderscheid zou moeten kennen.

Maar als Nicodemus dit onderscheid moest weten, verwacht je dat het in het Oude Testament terug te vinden moet zijn. Je zou dan verwachten dat het om een onderscheid gaat dat de oude Joden vaker maakten. En daar beginnen de problemen.

Wanneer je het namelijk na gaat zoeken in het Oude Testament, vind je helemaal niets. De combinatie van 'geest' en 'geboren' vind je bij Johannes in het Nieuwe Testament, maar niet in het Oude Testament. Hoe ik ook zocht en mijn best deed, ik slaagde er niet in ook maar een greintje bevestiging te vinden voor het verhaal van Johannes.

Met andere woorden: Jezus verwijt Nicodemus iets, hij drijft min of meer de spot met hem, maar menselijkerwijs viel Nicodemus niets te verwijten, want alleen Jezus kende dat bijzondere onderscheid. Maar dan klopt er dus in het verhaal iets niet.

Johannes zit kennelijk vooral een 'mooi' verhaal uit zijn mouw te schudden. Op zich zou dat goed kunnen. Door de tijd waarin hij op dat moment zat, was hij vermoedelijk vooral gemotiveerd zijn volgelingen moed in te spreken. Zijn verhaal is in dat geval vooral propaganda en heeft weinig van doen met de historische realiteit. Dat lijkt ook te kloppen met het chaotische karakter van het verhaal en de veelheid van zaken, die Johannes zelf toevoegde. Het is vooral propaganda en bepaald geen nauwkeurige beschrijving van wat eerder plaatsvond.

Valt er wel bevestiging te vinden voor de persoon Nicodemus? Alleen bij Johannes zelf. Die voert Nicodemus in zijn verhalen enkele keren op. Verder wordt die naam nergens anders in de Bijbel vermeld.

Dat Johannes inderdaad zaken aan zijn verhaal heeft toegevoegd, blijkt bijvoorbeeld uit zijn opmerking dat de Zoon des mensen verhoogd moet worden. Dat was niet de manier waarop Jezus over zichzelf sprak. Het verhaal was nooit Trumpiaans. Het was nooit: ik ben de Grootste, de Geweldigste, de Slimste.

Johannes maakt er dan in vers 15 van: opdat iedereen die in hem gelooft, het eeuwige leven zal hebben en niet tot stof zal vergaan. Maar het lijkt duidelijk dat Jezus nooit op die manier over zichzelf heeft gesproken. Voor Jezus was het punt niet, dat je domweg in hem moest geloven.

Jezus gaf een simpel recept, dat je wel of niet kon volgen. Je moest God (de natuur, Gods schepping) boven alles liefhebben en je naaste zoals jezelf. Het was nooit voldoende om te zeggen, dat je geloofde en al helemaal niet dat je geloofde in een bepaalde persoon. Je moest daadwerkelijk doen.

Je hebt mensen die denken dat zeggen voldoende is. Het is voldoende om te geloven, doen is niet nodig. En je hebt mensen die denken dat zeggen niet voldoende is, je moet ook daadwerkelijk doen wat het geloof voorschrijft. Jezus behoorde duidelijk tot die laatste groep mensen. Lege woorden zeggen was niet genoeg.

Johannes lijkt echter vooral in leeg geleuter te grossieren. Het was kennelijk de manier waarop hij zijn brood verdiende. Een 'mooi', maar rammelend verhaal produceren en er ondertussen vermoedelijk goed van leven.


Opnieuw geboren worden uit geest?

Aan de andere kant kun je natuurlijk ook niet bij voorbaat uitsluiten dat er misschien wel een Nicodemus was en dat Jezus inderdaad een opmerking over geest en geboren worden, gemaakt heeft. In het Oude Testament (OT) vind je vaker het onderscheid tussen 'vlees' en 'geest'. Bij nazoeken -- het aantal verzen waarin beide termen voorkomen -- (hier) 12 keer.

Als essentie van de mens werd de 'geest' gezien. Als de geest geweken is, blijft er een onbezield lichaam achter. De geest werd gezien als dat waar het om gaat, het vlees was slechts een stoffelijk omhulsel met allerhande vervelende beperkingen. De geest werd gezien als de scheppende kracht die het vlees bezielde en levend maakte. Vlees was daarbij verder natuurlijk soms ook nog voedsel, het was iets dat je consumeerde.

In het Nieuwe Testament (NT) komt deze combinatie van termen (in een vers) 22 keer voor. Daar het OT 3,4 keer zo lang is, qua aantal woorden (hier), komt dat na correctie voor lengste overeen met 75 keer. In het NT komt de combinatie 'vlees' en 'geest' daarmee meer dan 6 keer zo vaak voor als in het OT.

Het lijkt dus inderdaad goed mogelijk te zijn, dat in de tijd waarin Jezus leefde de tegenstelling vlees-geest veel gangbaarder is geworden. De tekst van het NT suggereert dat in ieder geval wel.

De boodschap van Jezus werd door hem zelf samengevat in twee punten: liefde voor God en liefde voor de medemens. Een boodschap die dwars stond op de tijdgeest van dat moment, die sterk gefocust was op haat (jegens de Romeinen en onderling) en consumptie. Men voelde zich ernstig tekort gedaan en wilde meer, waarbij men strijd en geweld zag als de belangrijkste optie.

Maar die positieve benadering van Jezus vraagt -- zoals we nu denken te weten -- een belangrijk andere manier van denken. Je moet dus als het ware inderdaad een tweede keer geboren worden. De manier van denken die je van nature meegekregen hebt (manding, dogmatisch willen), moet vervangen worden door bewust rationeel denken (tacting, inductief denken). Je moet het lastige systeem 2 (traag denken) leren en onder de knie krijgen. Iets dat in een rijke landbouw-samenleving veel moeite kost en in veel gevallen nooit lukt.

Jezus ging kortom uit van een bèta-perspectief. Iets dat natuurlijk ook voor de hand ligt, bij iemand die van origine metselaar en timmerman was, terwijl hij verder natuurlijk ook nog onderricht heeft gekregen in de Joodse leer.


Alfa-geloof of bèta-wetenschap?

In feite draait in Johannes 3 dus alles om de vraag of je de wereld moet zien door een alfa-bril of door een bèta-bril. Jezus ging uit van een bèta-bril, Johannes van een alfa-bril. Je bent voor of tegen Jezus, vond hij. Simpel zat.

Het probleem dat Mozes probeerde te bezweren met de Tien Geboden, het probleem dat Jezus probeerde te bezweren met zijn samenvatting in twee geboden, stak via een van de apostelen zestig jaar na de dood van Jezus weer vrijmoedig zijn kop boven de grond.

De alfa-bril van Johannes verklaart ook, waarom hij wel het verhaal over Nicodemus brengt, maar volledig niet ingaat op het interessante onderscheid dat Jezus opwierp. Het punt dat Jezus naar voren bracht, was niet het punt dat Johannes wilde horen. Johannes wilde voor zijn volgelingen een simpele boodschap. Zeggen is dan een stuk eenvoudiger dan daadwerkelijk doen.

Misschien ging de boodschap van Jezus ook zijn denkkader te boven. Wie slechts als alfa denkt, is niet echt in staat de bèta manier van denken te volgen.

Het punt is dus dat wanneer je naar aanleiding van de Bijbeltekst op de snack Johannes 3 gaat bestuderen, de boodschap van Jezus simpel was. Sluit je niet af voor informatie (en de wereld), maar omarm en onderzoek die. Precies het tegenovergestelde van wat vers 16 suggereert: geloof in Jezus en je zult automatisch het eeuwige leven hebben.

Dit roept een volgend punt op. In de optiek van Johannes was het voldoende om in de juiste persoon te geloven. Vervolgens zou het allemaal helemaal goed komen. Het doet denken aan de volgelingen van Trump. Schaar je achter hem en Amerika zal weer groot worden, is de gedachte. Het gaat om het juiste geloof. Verklaar je pro-Trump en je hoort bij de club.

Wanneer je gaat zoeken naar termen waarop het OT en het NT van elkaar verschillen (hier), vind je in dit verband iets belangwekkends. In het NT komt de term 'geloof' 222 keer voor. Na correctie voor de kortere lengte van het NT wordt dat 755 keer. In het OT komt de term slechts 4 keer voor. Met andere woorden: de term 'geloof' komt in het NT bijna twee honderd keer zo vaak voor als in het OT!

Dat is echter nog niet alles. In het OT komt de term 'wetenschap' (in de betekenis: kennis) 82 keer voor. In het NT 5 keer. Na correctie voor lengte wordt dat 17 keer. De term 'wetenschap' komt daarmee in het OT bijna 5 keer zo vaak voor als in het NT.

Tussen NT en OT heeft zich dus een belangrijke verschuiving voorgedaan in de cultuur. In de tijd van het OT geloofde men nog in het belang van wetenschap. Je moest kennis hebben om succesvol te zijn. Kennis was van levensbelang.

In de tijd van het NT focust men echter volledig op geloof. Het gaat er niet langer om wat je precies weet, maar om wat je gelooft. Om dat wat je zegt en beweert. Tegelijkertijd geloof je niet langer in een algemene waarheid over de wereld, maar slechts in de sublieme kwaliteit van een bepaalde persoon. Dat is jouw man, dat is jouw leider, dat is degene die je blindelings volgt.

Wat we dus zien is een vergaande alfaïsering. In de tijd van het NT was de Joodse cultuur drastisch opgeschoven naar de alfa-kant. Dat was blijkens de boodschap van Jezus het kwalijke punt dat hij dacht te zien en signaleerde. Verder realiseerde hij zich de rampzalige gevolgen die dat op termijn moest opleveren.
















dinsdag 7 januari 2020

Chips met Bijbeltekst of koekjes met hakenkruis


Laatst bijgewerkt: 17-1-2020 om 23.32


In de veelheid van kranten die ik soms op een dag doorneem, viel me maandag (6 januari 2020) de column van Pia de Jong op. Zoals altijd op de Achterpagina van de NRC. In dit geval de NRC.next, maar het enige verschil is het tijdstip van verschijnen. De next komt in de ochtend, de gewone NRC is identiek, maar komt pas 's avonds.

De Jong woont en leeft in de VS en schrijft -- volgens het bijschrift -- over wat haar daar opvalt. In dit geval was dat een Bijbeltekst op een zakje Brim's Fried Pork Rinds. Stukjes gebakken varkenshuid. Ik heb het zelf nooit gehad, maar kennelijk een zoute snack.

De Bijbeltekst was Johannes 3, vers 16: 'Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.' Fabrikant Brim maakt een hele reeks snacks, allemaal getooid met dergelijke religieuze teksten, aldus de column.

De snacks van Brim met Bijbeltekst blijken niet alleen te staan. In haar keukenkastje vindt De Jong een pak poeder voor proteïneshakes van Jay Robb. De eigenaar van de onderneming schrijft: 'God first and offer only the best.' Hij legt uit dat God zijn handelen stuurt, waardoor een uitstekend product ontstaat. Eigenlijk: een 'goddelijk' product dus.

De Jong vraagt zich af of dit soort sluikgebeden werken. Ze stelt zich een eenzame vrachtwagenchauffeur voor, die geestelijk de weg kwijt is. Moedeloos koopt hij een zakje 'pork rinds' en begint te knabbelen. Hij wil het zakje al weggooien, maar dan valt zijn oog op de Bijbeltekst ...

En gebeurt het wonder, ben ik geneigd haar verhaal aan te vullen. De man wordt gegrepen door het Woord van God. Ik betwijfel echter of het inderdaad zo werkt.

Met andere woorden: hoe valt dit ogenschijnlijk vreemde verschijnsel te begrijpen? Waarom plakken mensen Bijbelteksten op zakjes chips?

Om dat te begrijpen, moet je je realiseren dat mensen op twee verschillende manieren begrijpen. Je kunt begrijpen via de automatische piloot. De boodschap gaat het ene oor in en komt het andere oor weer uit.

Onderweg blijft er merkwaardig genoeg toch iets hangen. Wat er blijft hangen zijn emotionele koppelingen. Woorden die eerst emotioneel neutraal waren, hebben nu een klein beetje emotionele lading van omringende woorden gekregen.

Pavlov kreeg in het begin van de twintigste eeuw de Nobelprijs voor het ontraadselen van de werking van dit systeem. Dat bekend staat als klassieke conditionering. Het systeem waar reclame vrijwel altijd op gebaseerd is. Koppel parfum X aan een mooi meisje en mensen geloven daarna dat parfum X helpt om iemand mooi te maken.

De tweede manier van begrijpen kun je vergelijken met een kookboek. Je hebt een heerlijk recept om appeltaart te bakken. Maar dat recept kun je beter niet opeten. Ook luisteren via de automatische piloot werkt niet.

Wanneer je van het recept iets lekkers wilt maken, zul je zelf aan de slag moeten. En dan zul je dat recept moeten interpreteren. Wanneer je het recept verkeerd begrijpt, krijg je iets, dat niemand lust. De kunst is dus een interpretatie te vinden, die een lekker product oplevert. Dat kost moeite, dat kost onderzoek. Maar het resultaat kan veel goed maken.

De reden om Bijbelteksten op zakjes chips te plakken, is niet dat mensen die teksten actief gaan lezen en op de proef gaan stellen. De reden is, dat de Bijbeltekst een goed gevoel oproept. En dat gevoel wordt gekoppeld aan de chips. Het gaat dus om ordinaire reclame.

Maar wat betekent dat? Voor christelijke gelovigen is de Bijbel het Woord van God. Koppel jezelf of je product niet lichtzinnig aan God, is één van de Tien Geboden.

Letterlijk staat er in Exodus 20, vers 7, volgens de Statenvertaling: 'Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.' Wij gebruiken die term 'ijdellijk' normaal niet meer, maar de strekking is duidelijk. Geef jezelf niet een fraai uiterlijk door je te tooien met het label 'GOD'.

Wat betekent dat nu? Mensen die zeggen in de Bijbel te geloven en vervolgens zichzelf en hun product gaan beplakken met het woord 'GOD' om op die manier mooi over te komen.

Dat betekent dat dit soort mensen denkt via het automatisch werkende systeem. Ze gebruiken hun door God gegeven verstand niet, maar varen blind op hun emoties. Het gaat daarbij niet alleen om de mensen die zo hun handelswaar proberen te slijten, maar ook om de mensen die die handelswaar kopen. Beide groepen zijn kennelijk niet in staat te zien, dat ze iets doen dat volgens hun eigen heilige boek fout is.

Maar wanneer mensen massaal de betekenis van regels, wetten en voorschriften negeren en informatie bijna volledig en voortdurend verwerken via hun emotionele systeem, betekent dat ook, dat de zooifactor torenhoog staat. Bevooroordeeldheid -- de officiële benaming van de zooifactor -- is immers dat je informatie verwerkt met de onderbuik. Je voelt dat de X niet deugen!

De fascisten omarmden het hakenkruis en kregen er nooit genoeg van, om dat overal te tonen en op te plakken. Deze zogenaamde 'Christenen' plakken overal Bijbelteksten op en krijgen daar nooit genoeg van. Maar chips met Bijbelteksten zijn in wezen precies hetzelfde als koekjes met hakenkruis.

En zoals Altemeyer al eens schreef: in dat geval rijden de treinen keurig op tijd, maar moet je niet vragen wat ze precies vervoeren. Bijbelteksten die te pas en te onpas worden gehanteerd, voorspellen weinig goeds.

En de oude Joden realiseerden zich dat -- zo'n vijf duizend jaar geleden -- al. Anders had die tekst in Exodus 20, vers 7, geen zin gehad.