Onregelmatig periodiek over empirisch onderzoek naar discriminatie en agressie
Onze missie: -- "To boldly go where no man has gone before!" --
Onderwerpen: discriminatie, meten van fascisme, F-schaal, rechts autoritarisme (RWA), sociale dominantie (SDO), bevooroordeeldheid (prejudice), systeem 1 vs systeem 2 denken (snel denken vs langzaam denken)
Dr. Mik van Es -- psycholoog, psychometricus
vrijdag 12 januari 2018
Begrijpen mensen het kwaad als het in henzelf zit?
In de NRC van 5/1/2018 wordt bericht over het overlijden van Aharon Appelfeld. Hij overleefde de Holocaust en schreef daar veel romans over. Hij verwerkte zijn ervaringen dus tot fictie. In de termen van deze blog: hij hanteerde zachte informatieverwerking.
Ik begrijp uit wat ik ondertussen gelezen heb, dat Aharon of zijn romanfiguur, als kind, toen er ogenschijnlijk nog niets aan de hand was, opeens in panisch huilen uitbrak. Er klopte iets niet, er dreigde groot gevaar. Ja, dat is inderdaad hoe passieve informatieverwerking werkt.
Zijn ouders konden zich niet voorstellen dat Duitsers juist hen wilden vermoorden, omdat ze een sterke focus hadden op de Duitse cultuur. Ze dweepten met alles dat Duits was. En inderdaad, dat is hoe zachte informatieverwerking werkt. Uit het een, iets anders concluderen. Associatief gezien begrijpelijk, maar logisch gezien onzin.
De passage waar het mij echter om gaat, heeft betrekking op een scene uit zijn boek Badenheim 1939. In de zomer van 1939 verblijft een groep geassimileerde Joden in een Oostenrijks kuuroord. Ze komen daar al jaren, maar ditmaal wordt iedereen naar Polen vervoerd. Dat veroorzaakt geen paniek.
Mensen vinden die beschrijving 'surrealistisch' als ik de NRC mag geloven. Appelfeld merkte in een interview in 2005 tegen de NRC op: 'Hun naïviteit is realistisch. Mensen begrijpen het kwade niet. Alleen als het in henzelf zit.'
Dat zijn gevleugelde woorden. De eerste twee zinnetjes lijken me te kloppen, maar het derde niet. Appelfeld denkt gemakshalve dat mensen die kwaad doen, zelf begrijpen waarom ze dat kwaad doen. In zijn algemeenheid gaat dat niet op.
Ruwweg hebben we drie groepen mensen die kwaad doen. Van die drie groepen is er hooguit één die heel goed weet, wat men aan het doen is en waarom. Die groep wordt echter vermoedelijk ook het meest afgeremd door dat ingebouwde zelfinzicht. Ik doel hier op de groep van de bèta-gamma's.
De twee overige groepen die kwaad doen, hebben geen last van die ingebouwde beperkingen, maar hebben ook absoluut geen idee van wat ze precies aan het doen zijn. Strikt genomen zijn het mensen die wel babbelen, maar geen echte 'ideeën' hebben. Ze leven in een sociaal verbale werkelijkheid. Ze hebben geen toegang tot de feitelijke werkelijkheid. Ze hebben geen zelfkennis, ze hebben geen zelfinzicht. Hun eigen gedrag is een onbegrijpelijk iets voor hen. Ik doel nu op het autoritaristische deel van de samenleving: de double-highs of alfa's en de alfa-gamma's, de gewone volgelingen/gelovigen.
Waarom beweer je over iets dat zo ingrijpend is als de Holocaust, onzin?
Appelfeld heeft altijd geweigerd zich te verplaatsen in de daders. 'De nazi's beschouwden me als een insect. Dat soort mensen kan ik niet begrijpen.' Hij heeft gekozen voor de irrationele route, de benadering van de alfacultuur.
Vanuit die benadering schreef hij meer dan vijftig boeken, won hij vele prijzen en werd hij door Philip Roth beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers ter wereld. Die benadering heeft hem dus geen windeieren gelegd.
Maar diezelfde benadering heeft ook tot de Holocaust geleid. De benadering die in de tijd van het Oude Testament nog als volstrekt verwerpelijk werd gezien, was in de tijd dat de Koran tot stand kwam al heel normaal. Tegenwoordig is de benadering die tot de Holocaust leidde, reden om prijzen uit te reiken.
Wie op internet gaat zoeken op een term als 'discriminatie' vindt precies hetzelfde. Overal propaganda, reclame, mands. Het hele idee dat men een probleem rationeel zou kunnen benaderen, dat men onderzoek zou kunnen doen, is vrijwel volledig uit de cultuur verdwenen.
Het kwaad is volop aanwezig, maar de meeste mensen zijn kennelijk niet in staat het te zien. In hun optiek gaat het om het krachtdadig bestrijden van het kwaad. Maar wanneer dat kwaad in jezelf zit, terwijl je het ook nog eens niet ziet, wordt dat best lastig.
Ik denk dat het moet gaan om het leren begrijpen van het kwaad en het leren zien van het kwaad.
Hoe groter geest, hoe groter beest?
Max Pam bespreekt in de Volkskrant van 10 januari 2018 het resultaat van een maand film kijken. De film die de meeste indruk op hem heeft gemaakt, is Wonder Wheel van Woody Allen.
Hij schrijft: 'Opmerkelijk, want de film heeft hoofdzakelijk matige recensies gekregen. Toch was ik geneigd de film een meesterwerk te vinden, vooral door de grandioze rol voor Kate Winslet.'
Ik vind dat een mooie formulering. Hij vertelt dat de film matige recensies heeft gekregen, maar daar trekt hij zich niet al te veel van aan. Zo hoort het, wat mij betreft, ook.
Vervolgens komt het onderwerp Woody Allen ter sprake en de problematische relatie met Mia Farrow en andere kwalijke zaken. Hij schrijft dan: 'Enfin, wat hebben die twee er een tragische rotzooi van gemaakt met al hun echte en aangenomen kinderen.'
Daarna gaat hij door met: 'Hoe groter geest, hoe groter beest.' Ik vind dat een mooie uitspraak om te horen, het rijmt, het klinkt geweldig, maar klopt die uitspraak ook?
Mijn eerste reactie was dat de uitspraak beslist niet klopte, maar in tweede instantie ben ik daar niet meer helemaal zeker van.
Bij nazoeken op internet blijkt het een al een vrij oud spreekwoord te zijn. Ik vind het volgende.
-----Op woorden.org vind ik echter een wat minder letterlijke interpretatie: wel verstandig, maar daarom niet goedhartig.
Hoe grooter geest, hoe grooter beest.‘De ondervinding heeft dikwyls geleert, dat de schranderste vernuften en grootste konstenaars, de ongebondenste lichtmissen zyn: waaruit dit spreekwoord gesproten is’ zegt Tuinman I, 202, naar aanleiding van het spreekw. de grootste geesten, de grootste beesten. Bij Goedthals, 63: Hoe meerder constenaer, hoe meerder dueghniet, bons ouvriers sont gaudisseurs et peu riches; Bank. I, 12: De gauste geesten werden dickwils de grootste beesten; ook II, 256; Harreb. I, 42 a; Ndl. Wdb. IV, 729. Syn. van hoe grooter schilder, hoe wilder (Smetius, 61); hoe geleerder hoe verkeerder (Spieghel, 128; Ndl. Wdb. IV, 1099; Wander I,1532). In Zuid-Nederland: hoe grooter geest, hoe grooter of meerder beest; fri.: ho greater geest ho greater beest; Eckart, 147: hoe grôter Gêst, hoe grooter Bêst.
-----
Klopt de uitspraak of klopt die niet? Het probleem is: wat bedoel je precies met een grote geest?
Als we het hebben over een rationeel denkende double-low of bèta lijkt die uitspraak me niet echt te kloppen. Dat betekent niet dat er met double-lows niet het nodig mis zou kunnen zijn, maar in doorsnee zijn ze niet vooringenomen en niet agressief.
Als we het hebben over een irrationeel denkende double-high of alfa lijkt die uitspraak me volkomen correct. In het Griekse drama Ifigeneia in Aulis van Euripides offert Agamemnon zijn dochter om maar met de vloot uit te kunnen varen voor een onzekere strooptocht en verzint vervolgens een belachelijk verhaal om zijn vrouw tevreden te houden (hier).
Euripides heeft het soort mens waar het om gaat, kennelijk scherp geobserveerd. Het lijkt een fantastisch verhaal, maar de werkelijkheid zou nog wel eens donkerder kunnen zijn.
Wie dus oppervlakkig kijkt, zoals autoritaristen normaal doen, ziet inderdaad voortdurend grote geesten, kwalijke dingen doen.
Wie echter dieper kijkt, ziet dat er met het denken van die veronderstelde 'grote geesten' iets zwaar mis is. Het probleem is natuurlijk dat autoritaristen dat niet goed kunnen, omdat ze -- op een of andere manier: geleerd of aangeboren -- niet verder kijken dan de oppervlakte.
Ik denk ook dat autoritaristen zich dat probleem soms realiseren. Iemand die ik voor autoritaristisch houd, heeft mij tenminste wel eens verzekerd dat hij mijn denken niet kon volgen. Ik dacht vreemd. Ik had toegang tot een wereld, die voor hem afgesloten was. En ik begreep dat dat iets van jalouzie opwekte.
Dat zou ook het verhaal van Plato verklaren. Plato komt met het in bèta-ogen vreemde verhaal dat hij achter de waarneembare werkelijkheid kan kijken door zijn bijzondere gaven. Kennelijk heeft hij zich gerealiseerd dat andere mensen toegang hadden tot een wereld die voor hem afgesloten was en zag hij onmiddellijk de mogelijkheid om dat als mand (commando) te gebruiken. Hij was een van die mensen die over die bijzondere gave beschikten.
In werkelijkheid valt uit zijn manier van schrijven en denken af te leiden, dat hij goed met woorden kon goochelen, maar dankzij dat vermogen kennelijk geen toegang had tot de harde wereld van de feiten.
woensdag 10 januari 2018
Discriminatie/agressie en informatieverwerking
Laatst aangepast op 12/1/2018 om 1:40.
De drie manieren van informatieverwerking, die uit de gedragsanalytische basisprincipes volgen, leiden opmieuw tot het eerder gevonden vereenvoudigde soortenmodel.
Het vereenvoudigde soortenmodel
Het soortenmodel is volledig gebaseerd op empirisch onderzoek met (overwegend) vragenlijsten. Het gaat daarbij om drie variabelen: bevooroordeeldheid (prejudice) als maat voor geneigdheid tot discriminatie/agressie, sociale dominantie (SDO-schaal) en autoritarisme (RWA-schaal).
De basis voor het soortenmodel is het 'vreemde' empirische resultaat dat sociale dominantie en autoritarisme, hoewel onderling vrijwel ongecorreleerd, samen in staat zijn discriminatie/agressie (gemeten als prejudice) vrijwel volledig te voorspellen.
Het soortenmodel stelt dat er vier soorten mensen te onderscheiden zijn qua respectievelijk sociale dominatie en autoritarisme:
1. laag/laag (double-lows of bèta's);
2. laag/hoog (gewone volgelingen/gelovigen of alfa-gamma's);
3. hoog/laag; (pseudo volgelingen/gelovigen of bèta-gamma's);
4. hoog/hoog (double-highs of alfa's).
Deze vier soorten mensen leveren door hun aard een machtige en agressieve groep bestaande uit een leider met zijn elite (alfa's) en zijn aanhang van gamma's (2 en 3). Buiten de machtige groep bevinden zich de bèta's die gericht zijn op productie en het oplossen van praktische problemen.
Dit levert twee verschillende culturen op: een hoge, hiërarchische alfacultuur (4+2+3) en een lage, egalitaire bètacultuur (1) die zich onderscheiden door hun mate van agressie (bevooroordeeldheid/prejudice). De alfa's zijn uitermate agressief, de bèta's zijn niet of amper agressief.
De hoge cultuur kan alleen bestaan door de productie van de lage cultuur af te romen, maar produceert zelf niet of amper.
De drie manieren van informatieverwerking leiden ook tot het soortenmodel
Zachte informatieverwerking heeft alleen zin in combinatie met passieve informatieverwerking. De spreker gebruikt zachte informatieverwerking om een mand te construeren, en gebruikt die mand vervolgens om via passieve informatieverwerking zijn publiek te manipuleren.
Wanneer het publiek ook harde informatieverwerking zou toepassen, zou de manipulatieve boodschap niet overkomen. Het publiek moet zich dus beperken tot passieve informatieverwerking, anders heeft de mand geen zin. Er is dus een publiek dat vrijwel alleen passief informatie verwerkt.
Dat publiek trekt vooral mensen aan, die informatie zacht verwerken. Aan de ene kant levert de spreker wat het publiek wil horen, aan de andere levert het publiek de spreker invloed, status en macht op.
Er is echter ook nog harde informatieverwerking. Harde informatieverwerking is de enige manier waarop informatie daadwerkelijk verwerkt wordt.
Bij zachte informatieverwerking is er geen enkele noodzaak de feitelijk juiste informatie uit de informatiestroom te filteren. Men filtert de informatie op bruikbaarheid als mand. De feitelijke juistheid van de informatie doet in dat verband niet ter zake.
Dat betekent dat voor interactie met de harde natuur harde informatieverwerking de enige serieuze optie is. Zo lang iedereen interacteert met aan de ene kant de harde natuur en aan de andere kant de sociale omgeving zal iedereen dus alle drie methodes van informatieverwerking hanteren.
Na de uitvinding van de landbouw vervalt die noodzaak en specialiseert zich een deel van de samenleving in harde informatieverwerking en een ander deel in zachte en passieve informatieverwerking.
In de sociale omgeving heeft degene die spreekt, die zachte informatieverwerking hanteert, het overwicht, doordat hij/zij manipuleert, terwijl de ander door de passieve verwerking emotioneel gemanipuleerd wordt. De spreker verwerft dus controle over de emoties en associaties van het passief luisterende publiek.
In totaal ontstaan dan drie 'groepen' waarvoor minimaal twee variabelen vereist zijn. De eerste variabele maakt het onderscheid tussen harde informatieverwerking enerzijds en zachte/passieve informatieverwerking anderzijds. Dit is het onderscheid tussen respectievelijk laag en hoog autoritarisme.
De tweede variabele maakt het onderscheid tussen zacht informatieverwerking enerzijds en passieve informatieverwerking anderzijds. Dit komt overeen met respectievelijk hoog en laag scoren op sociale dominantie.
Deze twee benodigde variabelen leveren daarmee weer alle vier soorten van het soortenmodel op:
1. overwegend gebruik van tacts -- overwegend receptief (bèta's);
2. gebruik van tacts en mands -- overwegend productief (bèta-gamma's);
3. overwegend gebruik van mands -- overwegend receptief (alfa-gamma's);
4. overwegend gebruik van mands -- overwegend productief (alfa's).
Te verwachten valt dat bèta-gamma's door hun grote drive de top te bereiken ook mands zullen gebruiken om sociaal vooruit te komen. Daarnaast zullen ze echter ook nog steeds het vermogen hebben om tacts te hanteren.
Conclusie
Dit verband tussen de drie methodes van informatieverwerking en het empirisch gevonden soortenmodel lijkt te mooi om toeval te kunnen zijn. De vraag is dus: wat was er eerst?
De drie verschillende methodes voor informatieverwerking zijn bij jagers/verzamelaars al aanwezig. Pas na de uitvinding van de landbouw werd het kennelijk interessant zich te specialiseren in een bepaalde methode van informatieverwerking. Het soortenmodel maakt duidelijk wat voor de betrokkenen het voordeel was.
De conclusie moet kennelijk zijn dat de drie verschillende methodes van informatieverwerking de basis vormen van het soortenmodel. Wie discriminatie/agressie wil begrijpen, moet focussen op de manier waarop informatie verwerkt wordt.
De op discriminatie en agressie gerichte alfacultuur hanteert zachte informatieverwerking in combinatie met passieve informatieverwerking. De niet-agressieve bètacultuur hanteert bij voorkeur harde informatieverwerking.
De bijbel en C.P. Snow over de alfafactor
Laatst aangepast op 11/1/2018 om 5:11.
Het onderzoek naar de factor die maakt dat mensen de lokroep van de strongman niet kunnen weerstaan is -- zou men kunnen zeggen -- begonnen in 1941 met de publicatie van Escape from Freedom van Erich Fromm (hier).
Sinds kort lijkt duidelijk te zijn dat de alfafactor (bevooroordeeldheid/prejudice) de factor is, waarmee de strongman trekt (1). Daarnaast vormt deze factor natuurlijk ook het verschil tussen alfa's (double highs) en bèta's (double-lows) (2).
De alfafactor is ook de maat die normaal gebruikt wordt om agressie te meten (3). Daarnaast kan men de alfafactor nog interpreteren als maat voor irrationaliteit (4) en als maat voor gerichtheid op mensen (5).
Uit empirisch onderzoek is bekend dat de alfafactor bestaat uit twee vrijwel ongecorreleerde bestanddelen: sociale dominantie (6) en autoritarisme (7). Het eerste is het streven naar macht, het tweede is het streven te behoren tot een groep.
Uit vergelijking van teksten uit beide culturen blijkt verder dat alfa's dogmatisch denken in plaats van inductief (8). Verder hanteert men bij voorkeur mands (commando's) in plaats van tacts (beschrijvingen) (9). Tenslotte hanteert men subjectieve waarheid in plaats van objectieve waarheid (10).
Bij het nagaan hoe mensen informatie verwerken, blijken alfa's informatie zacht en passief te verwerken in plaats van hard (11).
De alfafactor geeft kennelijk aan op welke wijze men informatie verwerkt, denkt en reageert. Men zou het ook, in navolging van Daniel Kahneman, de snel-denk-factor kunnen noemen. Alfa's denken snel, dat wil zeggen via emoties. Bèta's denken langzaam via bewust en gericht nadenken.
Hoe lang is de alfafactor al bekend, kan men zich afvragen. Ik laat hierna zien dat de auteurs van het Oude Testament, in dit geval Exodus, zich al van het onderscheid bewust moeten zijn geweest.
Daarna laat ik zien dat C.P. Snow in 1956 drie grote verschillen zag tussen alfa's en bèta's. Deze drie verschillen zijn inmiddels bij onderzoek teruggevonden.
De bijbel en de alfafactor
Naar aanleiding van de vraag naar de afschaffing van de slavernij, viel het me op, dat het bijbelwoord (Exodus 20:5, hier) stelt, dat God de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in de derde en vierde generatie van hen die God haten. Je moet dan dus denken in een termijn van ongeveer honderd jaar. In werkelijkheid zou het als het om slavernij gaat, weleens heel wat langer kunnen duren voordat de kwalijke effecten van de grootheidswaan van de slavenhouders uitgewerkt zijn, vrees ik.
Dit bijbelfragment bevat echter een merkwaardige passage waarvan vrijwel niemand -- bij zoeken op internet -- goed lijkt te begrijpen wat er precies mee bedoeld wordt. Het fragment handelt namelijk over wandaden van mensen die God haten. Letterlijk: 'dergenen, die Mij haten.' Welke mensen worden daarmee precies bedoeld?
Mensen met een christelijke opvoeding blijken de vraag 'Wie zijn die godhaters?' vaak te beantwoorden met: 'ongelovigen'. Iemand die echter niet gelooft in 'God', kan hem moeilijk haten.
Bij zoeken op internet blijken er ook nu nog godhaters te bestaan. Mensen die negatieve gebeurtenissen hebben meegemaakt en daar God voor verantwoordelijk stellen. Men gelooft dus wel in God, maar men is kwaad op hem. Men is verontwaardigd over, hoe men door hem behandeld is.
Aan een dergelijke reactie zitten meerdere aspecten:
1. het is een emotionele reactie;
2. het is een impulsieve, snelle reactie;
3. het is een negatieve reactie;
4. het is een irrationele reactie;
5. het is een agressieve reactie;
6. het is een 'sociale' reactie (men ziet de natuur als mens);
7. het is een mand (commando: 'behandel me beter!');
8. men hanteert subjectieve waarheid ('Ik zeg het, dus het is zo!');
9. men denkt vanuit zijn ik naar buiten (dogmatisch) in plaats van omgekeerd ('Ik weet hoe ik behandeld behoor te worden, dit lijkt nergens op!' Behandel me beter of je hebt mot!);
10. men verwerkt de informatie associatief en zacht (de als negatief ervaren werkelijkheid wordt vertaald in een boos commando aan de tegenwerkende God, maar wat er precies gebeurd is, onttrekt zich ondertussen aan de waarneming en het bewustzijn van de spreker);
11. men ziet zichzelf als hoger dan God.
Dit is kortom een typische alfa-reactie: emotioneel, impulsief, negatief, irrationeel, agressief en niet de reactie van iemand die focust op de natuur, maar die focust op mensen. Verder ziet men zichzelf als superieur, ziet men niet wat er precies gebeurd is en gaat men volledig uit van zijn eigen overtuiging en gelijk.
Gelovigen/autoritaristen zijn geneigd niet te lezen. Wanneer men wel leest, leest men passief. Vervolgens vormt men de tekst om, zodat men die kan gebruiken voor een persoonlijk doel. Mocht men een helder moment hebben, dan is het in iedere geval volstrekt onvoorstelbaar dat een tekst met een ernstige waarschuwing betrekking zou kunnen hebben op zo'n bijzonder, edel en uitverkoren mens als men zelf denkt te zijn.
Wie echter de hele tekst leest (Exodus 20), ziet dat met 'God' de externe werkelijkheid wordt bedoeld. 'God' in de betekenis die Einstein aan het woord toekende: de Natuur.
Bèta's zijn kennelijk geneigd 'God' te interpreteren als de 'Natuur'. Ze zien er geen persoon in, maar het gigantische heelal dat ze niet kunnen bevatten en nog minder volledig kunnen controleren. Ze kunnen het hoogstens een beetje proberen te begrijpen en zo goed mogelijk wat eten bij elkaar scharrelen.
Alfa's zijn echter niet gericht op de natuur, maar op mensen. Ze zijn daardoor geneigd de natuur te interpreteren als het werk van een machtig persoon die de baas is over alles. Als er dus dingen misgaan, is dat toe te schrijven aan die machtige persoon. Een idee dat een bèta verwilderd naar de hemel doet kijken met een blik van: 'Lieve Heer, wat heeft u nu weer in elkaar geprutst?'
Er waren dus in de tijd dat het bijbelverhaal gemaakt werd, kennelijk mensen die de Natuur/God zagen als iets oppermachtigs, dat gerespecteerd, omarmd en begrepen moest worden. En er waren mensen die van dat idee niets moesten hebben, omdat ze de natuur zagen als het werk van een machtig persoon, genaamd God, die verantwoordelijk was voor alle ellende waar men in zat.
Aan de ene kant waren er dus mensen die vonden, dat je blij moest zijn met wat je had, ook al viel dat misschien vergeleken met vroeger zwaar tegen. Aan de andere kant waren er mensen die uiterst ontevreden waren over de situatie en een zondebok zochten om hun woede te koelen.
Een volgend punt dat dan opvalt, is dat de auteur kennelijk een probleem met de normen en moraal ziet. Men moet zich normaal en fatsoenlijk gedragen is waar veel van de geboden op neerkomen. De ontevredenen waren kennelijk zo kwaad dat ze het met de normen ook niet altijd even nauw namen. Ook dit wijst erop dat de ontevredenen alfa's waren. Alfa's beschikken niet over ingebouwde normen doordat ze in mands denken.
Een specifiek punt in dit verband is ook het verbod op begeerte, op hebzucht. Een punt dat typerend is voor sociale dominantie. Een ander punt is het verbod op beelden. Kennelijk duidelijk gericht tegen autoritaristen.
Wat aan deze bijbeltekst verder opvalt, is dat de schrijver uiterst summier is over de mensen die deze -- in zijn ogen volstrekt foute -- reactie vertonen. Hij doet geen aanval op ze, maar hij voorspelt slechts dat hun gedrag op termijn eindeloze narigheid zal opleveren. Hij blijft dus consequent een rationele benadering volgen. 'Je kunt dat wel doen, maar dan . . .'
Het is in dit verband mogelijk dat de auteur zich op dit punt inhield, omdat hij geen problemen wilde met deze mensen. Afgaande op de irrationele reactie ging het om alfa's die onweerstaanbaar worden aangetrokken door macht. Indien men zich bevond in ballingschap waren dit de mensen die probeerden bij de machthebbers in het gevlij te komen. Verder hebben alfa's geen last van ingebouwde normen. Er was dus in hun optiek geen enkele reden om niet de gunst van de eerdere vijand te zoeken.
Waarom was de manier waarop men God zag voor de schrijver zo'n belangrijk punt, kan men zich afvragen. In moeilijke situaties staan er voor mensen twee totaal verschillende routes van reageren open: de alfa- en de bètareactie. De eenvoudigste reactie is de emotionele route te kiezen. Een zogenaamde systeem-1 reactie: reageren vanuit de onderbuik. Wat Daniel Kahneman 'snel denken' noemde.
De andere route is veel moeizamer, vergt veel meer inspanning en kost veel meer tijd, maar levert op termijn vaak ook veel meer op: nadenken, je verstand gebruiken. De schrijver van de bijbeltekst beveelt in feite deze systeem-2 reactie aan. De reactie die Daniel Kahneman omschreef als: 'langzaam denken'.
Accepteer de werkelijkheid zoals die is, bestudeer die zorgvuldig en hou vast aan onze waarden en normen. Kennelijk is de bijbeltekst tot stand gekomen in een tijd dat men als samenleving onder grote druk stond.
Deze bijbeltekst laat ook zien, dat de auteur wortelde in een samenleving waarin rationeel denken, de bètareactie, in hoog aanzien stond. Kennelijk was men meer gericht op productie dan op agressie.
De bijbelse vermaningen waren vermoedelijk goed bedoeld, maar het is de vraag in hoeverre ze daadwerkelijk effectief waren, speciaal bij het autoritaristische deel van de doelgroep. Het deel dat slechts passief luistert en dat negatieve informatie nooit op zichzelf betrekt.
Aan de andere kant lijkt het aannemelijk dat geloofsgroepen die bijbelstudie omarmen, qua empirisch wetenschappelijke attitude een duidelijk voordeel hebben. Mogelijk heeft de regelmatige verkondiging van deze boodschap dus toch invloed op de manier van denken en in het leven staan.
Snow over de problemen van alfa's
C.P. Snow beschreef in 1956 (hier) vermoedelijk als eerste de problemen van alfa's in vergelijking met bèta's. Hij baseerde zich aan de ene kant op wat hij gezien had bij de empirische wetenschappers waar hij meegewerkt had en aan de andere kant op wat hij zag en hoorde bij de literaire wetenschappers, waar hij later als schrijver tussen terechtkwam.
Allereerst hebben bèta's volgens Snow een open mind (open geest) en een bepaalde instelling. Ze beschikken over een soort pioniersmentaliteit. Ze zijn gericht op de wereld en zijn geneigd ieder probleem als een uitdaging te zien. Alfa's hebben volgens Snow kennelijk een closed mind (gesloten geest) en dat klopt helemaal, met wat er op dit punt via onderzoek bekend is. Men denkt zeer dogmatisch en is extreem agressief.
Ten tweede hebben alfa's een intellectueel probleem. Alfa's missen het vermogen empirische wetenschap te begrijpen. Ze zijn in dit opzicht toondoof, aldus Snow. In mijn termen: ze kunnen niet goed in tacts denken en hebben problemen met zindelijk denken. Ook dit punt is door het beschikbare onderzoek uitvoerig bevestigd.
Het belangrijkste verschil volgens Snow is echter de moraliteit: de kennis van goed en kwaad. Alfa's missen ingebouwde absolute normen. Men mist het gevoel voor wat nog wel kan en wat niet meer. Men ziet alles als relatief. Alles moet kunnen.
Alfa's denken in hiërarchische relaties. Men ziet de samenleving als een piramide waarin het erom gaat de top te bereiken. Daarbij ziet men zichzelf aan de top van de piramide. Men ziet zichzelf als God. Hoewel men voor zichzelf geen normen hanteert, legt men het eigen waarde-oordeel zo mogelijk wel dwingend op aan anderen. Alfa's voelen zich aangetrokken tot fascisme, zag Snow.
Bèta's geloven daarentegen in egalitaire relaties tussen mensen, maar zien de Natuur/God als hoger dan zichzelf. Ze beschikken daardoor over ingebouwde moraliteit. Van fascisme moeten ze niets hebben.
Ook dit punt van Snow is in het beschikbare onderzoek bevestigd. Alfa's zien de wereld als een strijdtoneel. Men is extreem agressief en bevooroordeeld en vergaand irrationeel. Men denkt in groepen en het doel is het verwerven van de absolute macht.
Kortweg zijn de problemen van alfa's als volgt. Men heeft een foute instelling doordat men gericht is op het bereiken van de top. Men heeft problemen met logisch en zuiver denken. Tenslotte beschikt men niet over een ingebouwd gevoel voor goed en fout: men is corrupt.
Op basis van wat er inmiddels bekend is over de alfafactor (de twaalf punten van Altemeyer en mijn elf punten) lijkt Snow scherp te hebben waargenomen. Hij vermoedde toen vermoedelijk niet, dat het verschil dat hij dacht te zien tussen beide soorten wetenschappers, een verschil zou blijken te zijn tussen mensen in het algemeen.
donderdag 4 januari 2018
Waarom de slavernij is afgeschaft
Laatst aangepast 10/1/2018 om 0:37.
In de Volkskrant van 2/1/2018 stelt Sebastien Valkenberg het onderwerp slavernij aan de orde met de titel: Stel eens de échte vraag over slavernij. De vraag waar het volgens hem om moet gaan, is: waarom is de slavernij op een bepaald moment overwegend afgeschaft?
Hij merkt terecht op dat slavernij in de geschiedenis altijd de norm was. Het was niet de uitzondering, maar de norm. Het is dus niet iets, dat dateert uit de tijd van het kolonialisme.
Het is ook niet iets dat alleen gekleurde mensen trof. Wie de bijbel naslaat, vindt daar al hele verhandelingen over de omgang met slaven.
De indruk die deze passages op mij altijd gemaakt hebben, was dat men (in die tijd, in die cultuur) slavernij accepteerde, maar er tegelijkertijd ook huiverig voor was. Het was aan strikte regels gebonden. Men zag toen al het problematische ervan.
Hoe zit het precies met slavernij?
Slavernij dateert van na de uitvinding van de landbouw. Jagers/verzamelaars zijn doorgaans egalitair. Ze schieten met een slaaf ook weinig op. Die kan zo in het oerwoud een andere kant uitlopen.
Na de uitvinding van de landbouw verandert dat om een of andere reden. Waarom? Vrijwel zeker weten we inmiddels de reden: sociale dominantie. De baas willen zijn. Na de uitvinding van de landbouw wordt het moeite waard om baas te zijn over een groep mensen.
De strongman verovert met zijn leger niet alleen voorraden, maar ook mensen. Hij kan die mensen doden, maar heeft er dan niets meer aan. Hij kan ze ook proberen te gebruiken als slaaf.
Volgens het soortenmodel moet de strongman eerst een leger van volgelingen/gelovigen hebben, die voor hem de kastanjes uit het vuur halen. De slaven mogen dus het werk doen, waar de volgelingen/gelovigen geen zin in hebben.
Het zwaarste werk vroeger, was vermoedelijk iets als het land bewerken. Men zet dus slaven in om het land te bewerken en ander zwaar en vervelend werk te doen.
Maar in het soortenmodel vinden we onderin qua status de double-lows. Dat zijn akelig rationeel denkende mensen die met weinig tevreden zijn (ze zijn niet agressief) en die bovendien ook nog eens zeer op hun vrijheid gesteld zijn. Dat waren dus geen slaven, maar kennelijk boeren en eventueel ambachtslieden.
Waar blijven de slaven dan, die de strongman heeft veroverd? Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat die slaven onmiddellijk toetreden tot zijn elite. De slaven komen dus in hetzelfde hokje als de gewone volgelingen/gelovigen. Misschien komen ze helemaal onderin dat hokje terecht, maar als ze niet vluchten of weglopen, dan komen ze daar terecht.
Waarom laat men de slaven niet gewoon het land bewerken? Dat is vele malen geprobeerd bij mijn weten. Als ik het goed heb, kwamen ook de Romeinen op dat schitterende idee. Ze vervingen de freemen, de boeren, door slaven. Dat leek voordeliger. Kortgeleden heeft men in communistische landen iets soortgelijks geprobeerd. Wat is het probleem? De productie stort in.
Probeer eens een boerderij te runnen met ambtenaren. Dat wordt niks. Met slaven wordt het nog minder.
Slaven zijn qua productie dus slechts beperkt inzetbaar. Voor een optimale productie moet men enerzijds vrij zijn, anderzijds positief gemotiveerd zijn. Beide zaken zijn precies, wat slaven niet zijn.
Voor slaven zijn er dus uiteindelijk maar twee opties. Of ze vluchten met succes en worden vrij en zelfstandig. Of ze worden volgeling/gelovige.
Het effect van slavernij
Beide opties hebben grote gevolgen. Slaven die gegrepen worden na hun vlucht, zullen in veel gevallen ter dood worden gebracht, na eerst te zijn gemarteld, om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. Slaven die na hun vlucht niet gegrepen worden, verwijderen zich zo ver mogelijk.
Het gevolg is dat het percentage double-lows (de mensen die vrijheid omarmen) in de samenleving terugloopt. Maar zonder double-lows kan een samenleving niet goed bestaan. Zij moeten de productie op gang houden en de zich voordoende problemen oplossen.
De slaven die berusten in hun lot, bevinden zich in een hiërarchische relatie tot hun Heer. Hij kan met hen doen en laten, wat hij wil. Om te overleven moeten ze zich dus volledig concentreren op het niet ontstemmen van hun Heer en op het overnemen van zijn manier van denken, zijn denkbeelden en zijn gewoontes.
Het niet ontstemmen van hun Heer is in de praktijk niet altijd eenvoudig is, omdat slavenhouders vaak double-highs of alfa's zullen zijn. Dat betekent dat ze uitermate agressief en impulsief zijn, niet in staat zijn goed te kijken, niet in staat zijn zorgvuldig onderzoek te doen en niet in staat zijn tot rationeel denken om maar enkele van hun geestelijke beperkingen te noemen.
De reden waardoor slavenhouders vaak alfa's zullen zijn, is dat ze aan de ene kant te maken hebben met een groep en aan de andere kant de baas moeten blijven over die groep. Aan de ene kant moeten ze autoritarist zijn, aan de andere kant moeten ze sociaal dominant zijn. Deze twee kenmerken impliceren ook dat ze uitermate agressief zijn.
Welke optie een slaaf dus ook kiest, voor de samenleving die slavernij omarmt, is het resultaat altijd hetzelfde. De cultuur verschuift belangrijk naar de alfakant.
De dodelijke omhelzing
Een alfacultuur kan echter alleen goed bestaan op basis van een productieve onderlaag waarvan de productie wordt afgeroomd. Er zijn dus altijd zelfstandige bèta's nodig, wil een alfacultuur kunnen gedijen. Door de verschuiving naar de alfakant worden die bèta's schaarser en komen de nog wel aanwezige bèta's nog sterker onder druk te staan.
Er ontstaat een cultuur waarin het gaat om macht en status en waarin discriminatie en geweld wordt gezien als de methode om alle problemen op te lossen. Doordat vrijwel niemand meer in staat is tot rationeel denken, worden problemen niet meer aangepakt en opgelost. De productie wordt een steeds groter probleem en stort tenslotte in.
De slavenhouder is aan een onderneming begonnen, waarvan hij zelf de consequenties in de verste verte niet overziet. Tussen de slavenhouder en zijn 'volgelingen/gelovigen' heeft zich een kwaadaardige band ontwikkeld die beide partijen gevangen houdt. Op termijn levert dit een dodelijke omhelzing op.
De slavenhouder produceert mands, commando's, en gaat daardoor in mands denken. Zijn 'volgelingen/gelovigen' vinden alles prima, zijn het overal mee eens, mits ze maar te eten krijgen. Verder nemen ze de manier van denken, die hun Heer hanteert, over.
Beide partijen worden autoritaristisch en sociaal dominant. Daarmee worden ze ook bevooroordeeld, agressief en irrationeel. Hoe hoger men binnen de groep komt, hoe beter men het krijgt. De woorden die men produceert, zijn volledig gericht op een maximaal sociaal effect, maar komen steeds verder los te staan van de realiteit.
Bij beide partijen raakt het denken gecorrumpeerd. Beide partijen gaan in mands (commando's) denken in plaats van in tacts (beschrijvingen). Hierdoor wordt informatie uit de externe wereld die binnenkomt, niet langer bewust verwerkt.
In plaats daarvan ontstaat een virtuele wereld. Men gelooft, wat men elkaar vertelt, en wat men gelooft, is heilig en moet verdedigd worden. Men past zich niet langer aan, aan de de externe wereld, maar gaat leven in de eigen virtuele wereld van zijn geloof.
Tenslotte worden de problemen met de externe wereld zo groot, terwijl men niet in staat is via gerichte acties die problemen rationeel aan te pakken, dat de cultuur instort.
Verwoestende uitwerking
Wat voor verwoestende uitwerking een alfacultuur heeft op de menselijke geest en op de moraal, kan men zien in de lijst van 12 kenmerken die Altemeyer heeft gevonden via valideringsonderzoek voor autoritaristen (hier).
Mijn lijst met tien kenmerken van de alfafactor (hier), inmiddels uit te breiden met een elfde punt: het verschil in informatieverwerking (hier), is al even weinig opwekkend.
Het valt ook rechtstreeks te zien, zonder onderzoek te doen. Het resultaat van een alfacultuur valt te zien in bijvoorbeeld Haïti. Eén van de armste, meest corrupte en meest gewelddadige landen ter wereld. Niet omdat de natuur tegenwerkt, niet omdat het klimaat tegenwerkt, maar omdat er met de mensen die hier tenslotte zijn overgebleven, in doorsnee iets fundamenteel mis is.
Haïti is niet het enige land in de wereld waar het resultaat van een alfacultuur zichtbaar is. Wie op de globe iets meer naar links gaat en iets omhoog, ziet de VS liggen. Een extreem gewelddadig land dat tegelijkertijd extreem religieus is. Een land waar een extreem groot deel van de bevolking zit opgesloten. Een land met een fascist aan het roer.
Wie in de VS echter nauwkeuriger kijkt, ziet dat de ellende zich concentreert in bepaalde gebieden, terwijl er kleine vlekjes op de kaart zijn waar het nationale inkomen wordt verdiend. De gebieden waar de problemen niet worden aangepakt, hebben voor Trump gestemd. Hij moet als een soort wijze vader de problemen maar krachtdadig oplossen, vindt men. Dat geloof suggereert dat er met de informatieverwerking van de betrokkenen iets grondig mis is.
De reden om slavernij af te schaffen en in plaats daarvan over te gaan op loonslaven, is dus uiteindelijk welbegrepen eigenbelang. Loonslaven werken altijd nog een stuk beter dan echte slaven. Althans dat is mijn idee, maar mogelijk zien alfa's dit meer in moralistische termen.
Nog slimmer zou zijn, het te verrichten werk volledig uit te besteden. Maar nu zit er een belangrijke adder in het gras. Een schilder die per uur betaald wordt, heeft de neiging veel langer over de klus te doen, dan een schilder die een afgesproken bedrag krijgt.
Beter is dus om de schilder te betalen op grond van zijn product en prestaties. Bij een boer is dat relatief simpel, bij een schilder kan dat best lastig zijn.
Conclusie
Wie de kwestie van slavernij rationeel probeert te bekijken, ziet dat er steekhoudende argumenten zijn om alles dat riekt naar slavernij (en andere onnodige en overbodige hiërarchische relaties), zo volledig mogelijk uit te bannen.
Slavernij en alle andere zaken waardoor de alfafactor toeneemt, is voor een samenleving tenslotte de dood in de pot. Het gaat ten koste van de productie, de kwaliteit van het denken en ten koste van het normbesef. Tegelijkertijd nemen zaken als discriminatie en agressie sterk toe.
Het levert een stagnerend en arm land op, waar mensen niet in staat zijn scherp te denken, met veel corruptie en vergaande agressie.
Tot overmaat van ramp zijn die zaken -- voor zover tot nu toe bekend -- niet eenvoudig terug te draaien.
Achteraf valt natuurlijk nooit met zekerheid te zeggen, waarom men slavernij officieel heeft afgeschaft. Maar dat het rationeel gezien een uitermate verstandige beslissing was, lijkt me onmiskenbaar.
woensdag 3 januari 2018
Meer wis- en natuurkunde, minder discriminatie?
Laatst aangepast op 5/1/2018 om 13:36.
Het doel van deze blog is discriminatie te begrijpen en er zo mogelijk iets tegen te ontwikkelen.
Discriminatie blijkt in de praktijk gekoppeld te zijn aan negatief gedrag. Het gaat dus om discrimatie in combinatie met agressie. Wie discriminatie bestudeert, krijgt agressie automatisch meegeleverd.
Een tweede punt is dat de geneigdheid tot discrimiantie/agressie per persoon anders kan zijn en eenvoudig gemeten kan worden als de mate van bevooroordeeldheid (prejudice).
Een derde punt is dat bevooroordeeldheid twee 'verklarende' variabelen heeft. Die twee variabelen samen zijn in staat de mate van bevooroordeeldheid vrijwel volledig te voorspellen. Het gaat om sociale dominantie en autoritarisme.
Sociale dominantie is een overweldigend streven naar macht en letterlijk alles willen doen om die te verwerven. Autoritarisme is je toevlucht zoeken in de groep en voor die groep of de leider daarvan alles willen doen, inclusief liegen, stelen, geweld en moord.
De laatste variabele levert een hechte groep op. De eerste variabele levert de leider van die groep en de adjudanten van de leider: zijn elite.
Discriminatie/agressie kan dus niet los gezien worden van groepen. Het is vrijwel altijd het product van groepen.
Wie volgen de leider?
Dat mensen graag leider willen zijn van een groep, valt wel te begrijpen. Dat levert veel voordelen op. Maar waarom mensen zich achter zo'n leider scharen, leek moeilijker te begrijpen.
Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd de grote vraag daarom: wat drijft mensen om iemand als Hitler te volgen? Waarom helpen bepaalde mensen zo'n man aan de macht? Voor iemand als Trump kan men hetzelfde vragen. Zo zijn er wereldwijd natuurlijk heel veel strongmen en het lijken er zelfs steeds meer te worden.
In werkelijkheid gaat het lang niet altijd om grote dictators. Soms zijn het kleine. Ik lees net een boek over The Family van Charles Manson. De auteur, Ed Sanders, schrijft: 'Jonge mensen moeten de technieken kennen die een guru of een zogenaamde leider kan gebruiken om ze te vangen in een web van onderwerping, zodat ze hier voortdurend alert op zijn' (p. 10).
Manson focuste op knappe, jonge vrouwen. In werkelijkheid raken mannen en vrouwen van alle leeftijden voortdurend in de greep van mannen en vrouwen met een tomeloze lust naar macht. Het gaat dus niet alleen om mensen als Hitler en Trump, het kan ook gaan om je buurman, je buurvrouw, je eigen man, je eigen vrouw, je eigen kind.
De kans dat ze behoren tot de sociaal-dominante helft van de bevolking is 50%. Een van de twee mensen in de samenleving is sociaal-dominant. Misschien niet allemaal in dezelfde extreme mate, maar wel meer dan gemiddeld. (Er zijn iets meer sociaal-dominante mannen, dan vrouwen. Maar ook dan nog blijven er veel sociaal-dominante vrouwen over.)
Dan hebben we het alleen nog maar over de leiders van het kwaad. Zonder volgelingen begint een leider niets. Waar vindt de leider volgelingen die zijn orders blindelings willen uitvoeren?
Op dezelfde manier bekeken, is de helft van de bevolking autoritaristisch. De helft van de bevolking is meer dan gemiddeld geneigd een leider te volgen en zich daaraan te onderwerpen. De apirant leider hoeft niet lang en niet ver te zoeken. De volgelingen liggen voor het oprapen.
Dat druk ik te zwak uit. Volgelingen hoeven niet opgeraapt. Volgelingen voelen zich tot de leider aangetrokken als staal door een magneet. Zodra ze te dicht in de buurt van de leider komen, klikken ze vast.
Het doel van de mob
En dan? Wat is het nut van zo''n machtige groep? Wat is de brandstof die de machtige groep, kortweg de mob, aandrijft?
The Family van Charles Manson, zijn 'gezinnetje', vormde in de woorden van Ed Sanders: het Dune Buggy Attack Battalion. Het Duin Buggy Aanvals-Bataljon. De duin-buggy's waren gestolen buggy's met vierwiel-aandrijving. Bedoeld om mee door de duinen van Death Valley te crossen. Het aanvalsbataljon viel aan, stal, roofde en moordde.
Zo extreem gaat het niet altijd. Soms gaat het extremer. Vaak gaat het minder extreem. De basis voor de groep, is macht. Als groep vormt men een respectabele macht. Door die macht te gebruiken, krijgt men dingen, diensten en geld. Kan men mensen onderwerpen, mensen afpersen, mensen dwingen, mensen verleiden.
Discriminatie in combinatie met agressie is dus niet iets bijzonders. Het is niet zeldzaam. Het is ongeveer zo oud als dat er mensen zijn.
Niet helemaal. Discriminatie/agressie heeft geen zin in een samenleving waarin niets te halen valt. In een samenleving zonder voorraden, zoals jagers/verzamelaars die vroeger hadden (en soms nog hebben, hoewel er niet veel meer over zijn), komt het niet of amper voor. Discriminatie/agressie is dus iets, dat ontstaan is na de uitvinding van de landbouw zo'n twaalfduizend jaar geleden.
Dat betekent dat sociale dominantie, autoritarisme en bevooroordeeldheid/agressie vroeger niet bestonden. Die kenmerken hadden toen geen nut, want iedereen moest zelf zijn eten uit het oerwoud halen.
Dat verklaart het verschijnsel discriminatie/agressie. Doordat er rijke voorraden zijn in landbouw-samenlevingen, werd het interessant die in te pikken. Boeren waren zo dom om met hard werken veel eten te produceren, maar een handige jongen organiseert een knokploeg en pikt de hele zaak in.
Om een mob te organiseren, zijn slechts twee zaken nodig: een groep en een leider. De overal aanwezige autoritaristen klitten automatisch samen en vormen een groep. De overal aanwezige aspirant-leiders worden lid van de groep en proberen -- koste wat het kost -- de top te bereiken.
In een landbouw-samenleving krijgen we aan de ene kant mensen die de productie verzorgen en de problemen proberen op te lossen. Wat vroeger de boeren en ambachtslieden waren. Deze mensen scoren laag op sociale dominantie en autoritarisme (double-lows of bèta's) en daarmee ook op bevooroordeeldheid/agressie.
Aan de andere kant hebben we, wat je de mobsters zou kunnen noemen. De mensen die niet produceren, maar pakken. Die groepsvorming en strijd zien als middel voor een mooi bestaan. De mensen die machtige groepen vormen, de macht naar zich toe trekken, die discrimineren, geweld plegen en tenslotte oorlogen beginnen en genocides plegen.
De structuur van de mob
Een machtige groep of mob is altijd hiërarchisch opgebouwd. De mob bestaat uit een leider met zijn elite. Deze mensen scoren hoog op zowel sociale dominantie als op autoritarisme (double-highs of alfa's). Aan de ene kant willen ze met alle geweld de baas zijn, aan de andere kant voelen ze zich alleen veilig in een groep.
Een mob heeft echter ook voetvolk nodig, de soldaten, de aanhang. Er werd altijd aangenomen dat dit puur autoritaristen zouden zijn. Het lijkt echter plausibel dat mensen ook zich kunnen aansluiten in de hoop hogerop te komen. Een mob lijkt dus ook aantrekkelijk voor sociaal-dominanten. Het nog wat schaarse onderzoek op dit punt lijkt daar ook op te wijzen.
De strongman trekt vermoedelijk dubbel: hij trekt beide categorieën aan. Het voetvolk, de gamma's, komt dan in twee smaken. We hebben de 'authoritarian followers' (de volgelingen/gelovigen). Ze hebben alle kenmerken van de alfa's maar missen hun sociale dominantie. Je zou dit de alfa-gamma's kunnen noemen, de onderworpen, maar agressieve gelovigen. De soldaten van de strongman.
Aan de andere kant hebben we de mensen die in beginsel alle eigenschappen van de bèta's hebben, maar ook nog sociaal dominant zijn. Mensen die scherp kunnen denken, maar ook een tomeloze lust hebben hogerop te komen. Dit zou je de bèta-gamma's kunnen noemen. De technici, wiskundigen en raketontwerpers die de top willen bereiken. De generaals die veldslagen winnen. Deze mensen maken de strongman met zijn club nog gevaarlijker.
Een mob bestaat dan uit de leider met zijn elite van alfa's. Vervolgens komen de gamma's. Aan de ene kant de alfa-gamma's, de onderdanige volgelingen/gelovigen. Aan de andere kant de bèta-gamma's, de mensen die uit koele berekening doen alsof ze een gewone volgeling/gelovige zijn.
De geschiktheid voor de mob
Welke factor bepaalt nu of men wel of niet kiest voor de mob? Voor zover op dit moment bekend, is dat bevooroordeeldheid (prejudice), de maat die we gebruiken om agressie te meten. Wat iemand meetorst aan sociale dominantie en autoritarisme, komt bijelkaar in de mate van bevooroordeeldheid.
Bevooroordeeldheid kun je op drie verschillende manieren opvatten. Allereerst zijn het geuite vooroordelen. Negatieve oordelen over bevolkingsgroepen. Daarom wordt het gezien als maat voor agressie.
Die vooroordelen vormen echter ook een niet op feiten gebaseerd geloof. Bevooroordeeldheid valt daardoor ook op te vatten als maat voor geloof, voor irrationaliteit.
Tenslotte zit er in bevooroordeeldheid ook nog iets van gerichtheid op groepen mensen. Het gaat niet over de eigenschappen van schelpen aan het strand waar men vreemde opvattingen over heeft, maar over andere mensen en dan vooral groepen andere mensen.
Bevooroordeeldheid meet de geschiktheid voor de mob. Als lid van de mob moet je agressief zijn, zodra je leider het signaal geeft. Als lid van de mob moet je doen, wat je opgedragen wordt. Je moet geloven, wat je verteld wordt te geloven. Tenslotte moet je denken in groepen mensen die bestreden moeten worden. Jouw groep, jouw mob is heilig. Het is de basis van je bestaan. Andere groepen deugen niet, ze moeten bestreden en onderworpen worden. Of gewoon vermoord of wegggejaagd.
Het beteugelen van mobs
Hoe valt discriminatie/agressie te beteugelen? Hoe vallen mobs in te perken? Je zou denken: door te zorgen dat discriminatie/agressie minder oplevert.
Iemand die tegenwoordig geen discriminatie/agressie pleegt, dreigt echter al snel gezien te worden als 'loser'. Hoe beter men is in het graaien, des te hoger de status. De typische manier waarop mobsters denken.
De praktijk is dus dat samenlevingen precies het omgekeerde doen. Het wordt steeds voordeliger om agressief te zijn en discriminatie/agressie te plegen. Discriminatie, geweld en oorlog worden -- misschien niet altijd expliciet, maar wel impliciet -- verheerlijkt. Kijk naar iemand als Trump. Zijn publiek vindt het allemaal prachtig.
Als we zo doorgaan, vechten we elkaar tenslotte de tent uit. In dit geval: de wereld uit. Je hebt kans dat na Wereldoorlog III de mensheid niet langer een bedreiging vormt voor de planeet Aarde.
Einstein beweerde dat Wereldoorlog IV uitgevochten zou worden met stokken en stenen, maar als er echt een Wereldoorlog IV komt, zou die hoop nog wel eens akelig kunnen tegenvallen. Zo lang er mensen zijn, begint alles weer van voren af aan.
Het beteugelen van mobs is geen simpel probleem. Zelfs een Wereldoorlog III, hoe afschuwelijk ook qua de te verwachten aantallen doden, zal dat probleem niet oplossen.
Democratie, democratische controle werd lang verondersteld de oplossing van het probleem te zijn. Zonder overheid gaat het niet, want dan begint iedere strongman zijn eigen mob. Of een buitenlandse strongman komt de zaak hier overnemen.
In theorie is de beste manier om mobs in te perken, een sterke overheid. Streng, maar rechtvaardig. Dank zij zo'n sterke overheid komen de mobsters, waar ze thuishoren: in de cel. De mobsters hebben dan opeens een stuk minder zin in mobbing. Want het moet natuurlijk wel wat opleveren.
Problemen van democratische controle
De praktijk is echter dat overheden vaak niet zo sterk zijn. En dat de democratische controle door kiezers ook beperkingen heeft. Op die manier kon Hitler aan de macht komen, werd Trump in Amerika verkozen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.
De redenen waarom democratie niet zo geweldig werkt, hebben te maken met de twee variabelen die discriminatie/agressie als het ware 'veroorzaken.'
Aan de ene kant vormt de overheid natuurlijk zelf ook een mob. Maar de basis van een mob is juist systematische ongelijkheid en irrationaliteit. Mobs zijn wel ingericht op macht en agressie, gezelligheid en genieten, maar niet op gelijkheid en productie. Overheden zijn daardoor vaak zwak en gevoelig voor allerhande vormen van corruptie.
Aan de andere kant levert het democratische controlesysteem ook veel macht op en trekt daardoor ook mobsters aan. Ook het controlesysteem wordt daardoor zwak en gevoelig voor corruptie.
Tenslotte is een groot deel van de kiezers autoritaristisch en daardoor te manipuleren. Autoritaristen verwerken informatie zwak of passief. Beide manieren van verwerking komen erop neer dat ze informatie uiteindelijk niet echt verwerken, maar het laatste systeem biedt wel de mogelijkheid om ze zonder hun toestemming of medewerking emotioneel te conditioneren.
Dan zijn er nog twee bijkomende problemen. Het eerste grote probleem is dat de productie steeds efficiënter wordt. Steeds minder mensen zijn echt nodig voor de productie. Veel banen bestaan uit vooral niet-productieve taken. Werknemers krijgen het steeds drukker, maar niet met daadwerkelijke productie.
De interactie met de harde natuur vormt echter de voedingsbodem voor het rationele denken. Naarmate steeds meer mensen steeds meer sociaal communiceren, neemt de irrationaliteit toe en daarmee ook de hoeveelheid discriminatie/agressie. Bevooroordeeldheid is immers aan de ene kant een maat voor agressie, maar aan de andere kant voor irrationaliteit. Het is de factor die het verschil maakt tussen de alfa's en de bèta's. Tussen wel en niet discrimineren.
Het tweede probleem is dat landbouw-culturen niet stabiel zijn. Het leven in de club die de macht heeft, is goed. Deze regerende mob trekt daardoor steeds meer mensen aan, die steeds harder moeten vechten om hogerop te komen. Het resultaat is dat de producerende bèta's onder druk komen te staan, terwijl men vanuit de top steeds meer agressie begint te verspreiden. Aan de ene kant uit zich dat in binnenlandse onderdrukking, aan de andere kant in oorlogen en dergelijke. Tenslotte -- leert de geschiedenis -- stort de cultuur in.
Helpt meer wiskunde?
Zijn er geen andere methodes om iets te doen tegen discriminatie/agressie? Tegen mensen zeggen dat agressie minder belonend moet worden, is wel waar, maar lastig te realiseren.
We meten discriminatie/agressie met bevooroordeeldheid (prejudice). Dat is echter tegelijkertijd de factor die aangeeft of iemand alfa of bèta is. (De alfa's scoren hoog op deze factor.)
Maar een bèta-instelling kun je ook ontwikkelen en moet je ook ontwikkelen. Het komt nooit aanwaaien.
Een simpele methode om discriminatie/agressie te reduceren, is dus minder vrijblijvend onderwijs. Meer harde vakken. Meer wiskunde. Meer natuurkunde. Meer rekenen. Meer oefenen met goed/fout-opgaven. Minder gezellig kletsen. Minder sociale activiteiten. Harder werken. Meer ploeteren.
Maar het hoeft niet allemaal wiskunde te zijn. Uitvoerend artiesten zijn vrijwel zonder uitzondering anti-Trump. Dat is vermoedelijk geen toeval. Uitvoerend kunstenaars zitten in een harde wereld. Wanneer ze een foutje maken, ziet of hoort iedereen het.
In een harde wereld gaat het er niet om, dat je denkt dat je heel geweldig bent, je moet het zijn. Lady Gaga komt er niet, met heel erg overtuigd te zijn van zichzelf. Ze moet het iedere keer weer waarmaken.
Mensen die opgroeien in die harde wereld door te presteren, kijken niet naar wat ze denken te zien, maar naar wat ze werkelijk zien. Wie dat doet, discrimineert niet en is niet geneigd tot het plegen van agressie.
Kan het zo simpel zijn? Waarom niet? Vermoedelijk wel. Een vrijblijvende cultuur waarin alles kan en alles moet kunnen, leidt er toe dat de grootste graaiers er met de grootste buit vandoor gaan. Naarmate een cultuur strakkere regels voor iedereen hanteert -- niet voor sommigen, maar voor iedereen --, wordt de cultuur gelijker en neemt de hoeveelheid discriminatie/agressie af.
Helpt meer taal-onderwijs?
Omdat bevooroordeeldheid aan de ene kant de geneigdheid tot discriminatie/agressie meet, maar aan de andere kant ook de dimensie vormt waarop alfa's zuiver en maximaal verschillen van bèta's, lijkt het goed om meer te oefenen met vakken die helpen bij zindelijk te denken.
Iets soortgelijks kan mogelijk ook bereikt worden met iets als ballet, zingen, dansen, piano spelen. Maar hoe zit het met taal? Alfa's staan er toch om bekend dat ze iets hebben met taal? Schrijvers zou je kunnen zien als uitvoerend artiesten.
Jagers/verzamelaars hanteren taal op twee totaal verschillende manieren. Aan de ene kant is er de jacht. Communicatie moet dan kort en helder zijn en kloppen. Tijdens de jacht is men dus, net als balletdansers en natuurkundigen, heel rationeel.
Bij het consumeren van de buit, wil men zich ontspannen. Het moet gezellig zijn, het doel is de onderlinge band te versterken. De communicatie is niet langer feitelijk, maar sociaal. Wij zouden het borrelpraat noemen.
Tijdens de jacht gebruikt men tacts. Bij het kampvuur gebruikt men mands. De opmerkingen hoeven niet te kloppen met de werkelijkheid, maar moeten het juiste sociale effect opleveren. Men is op zulke moment heel irrationeel.
Mensen hebben dus een rationele en een irrationele kant. In het ene geval moet de taal kloppen met de externe werkelijkheid, in het andere geval focust men op het sociale effect van zijn woorden.
Het probleem zit hem dus niet in de taal, maar in de manier waarop iemand taal gebruikt. Het probleem met het moderne taalonderwijs is dat men zich vaak volledig concentreert op zachte informatieverwerking. Men gebruikt taal uitsluitend irrationeel. Iets dat discriminatie en agressie alleen maar bevordert.
Rationeel en irrationeel taalgebruik
Het onderscheid tussen wiskunde en taal zit niet in de vorm, maar in de betekenis. Een computertaal kan qua vorm dicht bij menselijke taal komen. Het verschil is echter dat in het ene geval een missende komma, leidt tot een niet-werkend programma, terwijl in het andere geval de menselijke lezer de missende komma vaak niets eens opmerkt.
Ook gericht zakelijk taalonderwijs met goed/fout-opgaven, het maken van concrete vertalingen waar ieder woord juist moet zijn, kan dus hetzelfde effect sorteren als oefenen met wiskunde-opgaven.
Sterker nog, wat geldt voor taal-onderwijs, geldt ook voor wiskunde-onderwijs. Wanneer mensen leren wiskundige taal irrationeel te gebruiken, iets dat bijvoorbeeld op een letterenfaculteit niet zeer bijzonder is -- en een verschijnsel dat soms ook waargenomen kan worden bij wiskundigen --, zal ook wiskunde-onderwijs averechts werken.
In feite gaat het dus om het onderscheid tact (beschrijving) of mand (commando). Taal puur beschrijvend gebruiken, is lastig te leren.
Het valt te illustreren aan het voorbeeld van '2 + 2 = 4'. De vraag is: waarom is dat zo? Op die vraag zijn in beginsel twee totaal verschillende antwoorden mogelijk. Het ene antwoord is: 'Omdat de juf dat zegt.' Het andere antwoord is: 'Omdat twee knikkers met nog twee knikkers erbij, bij opnieuw tellen vier knikkers opleveren.'
Het eerste kind heeft een mand geleerd, het tweede kind een tact. Het eerste kind is mogelijk voorgoed verloren voor wiskunde, het tweede kind kan steeds verder komen. Het eerste kind is kandidaat om ooit hoog te scoren op bevooroordeeldheid, het tweede kind kandidaat om ooit laag te scoren.
Met een voorbeeld als '2 + 2 =4' valt wel te illustreren, dat kinderen in beginsel twee totaal verschillende zaken kunnen leren bij dezelfde som, maar het maakt nog niet duidelijk, hoe moeilijk de kwestie voor kinderen in werkelijkheid ligt.
Moderne meesters en juffen zijn namelijk niet zo goed meer in rekenen. Wat er dus gebeurt bij wat ingewikkelder problemen, die zelfstandig nadenken vereisen, is dat de meester of juf het niet meer precies weet en het foute antwoord geeft.
En wat moet je dan als slim kind? Moet je dan het conflict aangaan met de meester of juf en zeggen dat hij/zij zich toch echt vergist? Veel slimme kinderen zien dat niet zo zitten. Ze leggen zich maar neer bij het foute antwoord van de juf of meester.
Wat deze slimme kinderen dankzij het falende Nederlandse Onderwijssysteem geleerd hebben, is dat de natuur er niet toe doet, het gaat erom wat de autoriteiten vinden.
Het Nederlandse Onderwijssysteem is op dit punt niet echt uitzonderlijk. Rond 1900 leerde een Oostenrijks jongetje dezelfde les. Het valt niet meer precies te achterhalen, waar hij deze belangrijke levensles leerde, maar volgens zijn eigen verhaal was het van zijn leraar geschiedenis. Het jongetje heette Adolf.
Onderwijs kan de ene kant uitwerken, waarom zou het niet ook de andere kant kunnen uitwerken?
De twaalf kenmerken van autoritaristen
Het gebeurt regelmatig dat ik het lijstje met de 12 kenmerken van autoritaristen van Bob Altemeyer zoek. Wie The Authoritarians zorgvuldig doorneemt en ook de eigenschappen van de gelovigen erbij trekt, vindt er dacht ik nog een heel stel meer. Maar dan wordt de lijst zo lang, dat het bijna niet meer valt te bevatten.
Mensen die hoog scoren op autoritarisme (RWA-schaal) hebben volgens de definitie die gehanteerd werd voor de constructie van de items van de RWA-schaal drie kenmerken:
1 - a high degree of submission to the established, legitimate authorities in their society;
2 - high levels of aggression in the name of their authorities;
3 - a high level of conventionalism.
Ik ontleen dit aan het boek The Authoritarians van Bob Altemeyer (p. 9).
Vrij vertaald:
1. men onderwerpt zich aan de leiders van zijn groep;
2. men is bereid tot agressie in naam van die leiders;
3. men houdt van vaste gewoonten, tradities en gebruiken.
Waarom wordt dit Right Wing Authoritarianism (RWA) genoemd? Het idee was dat het ging om de leiders die de macht al in hun bezit hadden. Er zouden dan ook aan de linkerkant van het politieke spectrum 'autoritaristen' te vinden, moeten zijn. Denk aan mensen als Fidel Castro toen hij nog rebel was. Dat linkse autoritarisme is echter nooit gevonden of aangetoond.
Dat lijkt bij nadenken ook logisch. Het gaat om onderwerping aan de groep en aan de leider van de groep. Of die groep zogenaamd links of zogenaamd rechts is, maakt niet uit. Autoritarisme is veiligheid en een bestaan zoeken in een groep. Zogenaamd 'linkse' groepen, blijken na korte tijd ultra rechts te kunnen worden. Groepen blijven groepen.
Autoritaristen zijn niet speciaal mensen die een sterke band hebben met de zittende leiders, maar het zijn mensen die veiligheid en een bestaan zoeken in de groep. Welke groep dat precies is, maakt ze uiteindelijk niet uit. In de definitie van autoritarisme zit immers niets dat specifiek is voor een bepaalde groep.
De mensen die aan de andere kant van de autoritarisme-dimensie zitten (de mensen die laag scoren, de mensen die zogenaamd links zitten), zijn individualisten. Volgens het soortenmodel waren het ooit relatief zelfstandige boeren en ambachtslieden.
Doordat ze individueel proberen te denken, zijn ze het onderling nooit helemaal eens. Tegen de mensen aan de rechterkant van het politieke spectrum, die een automatische neiging tot klieken hebben, kunnen ze daardoor qua macht uiteindelijk nooit op.
De twaalf punten van Altemeyer over autoritaristen
De volgende punten zijn gebaseerd op het onderzoek van Altemeyer naar de validiteit van de RWA-schaal.
- They are highly ethnocentric, highly inclined to see the world as their in-group versus everyone else. Because they are so committed to their in-group, they are very zealous in its cause.
- They are highly fearful of a dangerous world. Their parents taught them, more than parents usually do, that the world is dangerous. They may also be genetically predisposed to experiencing stronger fear than most people do.
- They are highly self-righteous. They believe they are the “good people” and this unlocks a lot of hostile impulses against those they consider bad.
- They are aggressive. Given the chance to attack someone with the approval of an authority, they will lower the boom.
- They are highly prejudiced against racial and ethnic majorities, non-heterosexuals, and women in general.
- Their beliefs are a mass of contradictions. They have highly compartmentalized minds, in which opposite beliefs exist side-by-side in adjacent boxes. As a result, their thinking is full of double-standards.
- They reason poorly. If they like the conclusion of an argument, they don’t pay much attention to whether the evidence is valid or the argument is consistent.
- They are highly dogmatic. Because they have gotten their beliefs mainly from the authorities in their lives, rather than think things out for themselves, they have no real defense when facts or events indicate they are wrong. So they just dig in their heels and refuse to change.
- They are very dependent on social reinforcement of their beliefs. They think they are right because almost everyone they know, almost every news broadcast they see, almost every radio commentator they listen to, tells them they are. That is, they screen out the sources that will suggest that they are wrong.
- Because they severely limit their exposure to different people and ideas, they vastly overestimate the extent to which other people agree with them. And thinking they are “the moral majority” supports their attacks on the “evil minorities” they see in the country.
- They are easily duped by manipulators who pretend to espouse their causes when all the con-artists really want is personal gain.
- They are largely blind to themselves. They have little self-understanding and insight into why they think and do what they do.
Vrij vertaald staat er dit over autoritaristen (zowel de volgelingen als de leiders).
1. Men denkt sterk in termen van wij-zij: wij zijn goed, maar zij zijn slecht. Doordat men de eigen groep zo zeer is toegedaan, is men uiterst fanatiek bij groepsacties.
2. Men is erg bang voor de gevaarlijke wereld.
3. Men voelt zich hoog verheven boven andere mensen. Men gelooft tot de 'goede mensen' te behoren, dit maakt veel agressie los ten opzichte van mensen die men als 'slecht' ziet.
4. Men is agressief. Men is graag bereid tot verbaal en lichamelijk geweld, zodra men maar de kans krijgt.
5. Men is zeer bevooroordeeld ten opzichte van minderheidsgroepen zoals zwarten, gekleurde mensen, homo's, LGBT'ers, buitenlanders en vrouwen.
6. Wat men gelooft, wemelt van de tegenstrijdigheden. Men babbelt er vrolijk op los. Het ene moment beweert men dit, het andere moment dat, zonder dat men zelf het paradoxale ziet. Men hanteert voortdurend dubbele standaarden. 'Bij hen is dat heel slecht, maar bij ons mag dat natuurlijk.'
7. Men kan niet zindelijk denken. Men gaat al bij voorbaat uit van de conclusie, indien men die aantrekkelijk vindt. Men besteedt geen aandacht aan de evidentie en de consistentie van de argumenten.
8. Men is vergaand dogmatisch. Doordat men zijn geloofsopvattingen ontleent aan zijn leiders, en zaken nooit zelf heeft doorgedacht, heeft men geen verdediging, zodra de feiten uitwijzen dat men fout zit. Dus zet men de hakken in het zand en weigert zijn opvattingen aan te passen.
9. Men baseert zijn opvattingen zeer sterk op sociale bekrachtiging. Men gelooft het goed te zien, omdat vrijwel iedereen die men kent, bijna iedere nieuwsuitzending die men ziet, bijna iedere commentator waarnaar men luistert, hen dat vertelt. Dat wil zeggen: men filtert alle bronnen weg waaruit zou kunnen blijken dat men fout zit.
10. Doordat men zijn blootstelling aan andere mensen en ideeën sterk beperkt, overschat men ernstig de mate waarin andere mensen het met hen eens zijn. Hierdoor gelooft men te behoren tot 'de zwijgende meerderheid', wat aanvallen op de 'gevaarlijke minderheden' in het land rechtvaardigt.
11. Men wordt gemakkelijk het slachtoffer van oplichters die zeggen achter hen te staan en hun zaak te willen steunen, terwijl deze valse profeten in werkelijkheid alleen uit zijn op persoonlijk voordeel.
12. Men is vrijwel volledig blind voor zichzelf. Men is niet in staat enigszins objectief naar zichzelf te kijken. Men heeft een volledig verwrongen zelfbeeld. Men kijkt steeds in een spiegel, die een virtueel beeld laat zien. Men heeft weinig begrip van zichzelf en weinig inzicht in waarom men denkt en doet wat men doet.
Zijn dit ook de 'deplorables' die op Trump gestemd hebben?
Altemeyer dacht dat de mensen die op Trump gestemd hebben, het meest autoritaristische deel van de bevolking is. Dat klopt wel, maar niet helemaal.
Een strongman als Trump blijkt -- afgaande op de uitkomsten van twee verschillende onderzoeken die ik gezien heb -- op twee manieren mensen aan te trekken. Beide manieren hebben vrijwel niets met elkaar gemeenschappelijk (zijn vrijwel ongecorreleerd). Die twee manieren zijn: autoritarisme en sociale dominantie. Sociale dominantie is lust voor macht.
Beide variabelen samen voorspellen vrijwel volledig bevooroordeeldheid (prejudice). De maat die gebruikt wordt om de geneigdheid tot agressie te meten. Bevooroordeeldheid vormt tegelijkertijd ook de variabele die het onderscheid tussen alfa's en bèta's het duidelijkst en het zuiverst weergeeft. Bèta's scoren laag, alfa's scoren hoog.
De mensen die op Trump gestemd hebben, waren dus -- wanneer we beide variabelen samenvatten -- vooral bevooroordeeld en agressief. Vermoedelijk zijn ze dus vaak zowel autoritaristisch als sociaal dominant.
Het gaat dan vooral om zogenaamde double-highs of alfa's. Ze bezitten niet een 'kwalijke' eigenschap, maar twee, zou je kunnen zeggen. Deze mensen worden wel beschouwd als de gevaarlijkste mensen ter wereld door hun extreme geneigdheid tot agressie.
Behalve dat ze autoritaristisch zijn, zijn ze ook nog sociaal dominant. Dat betekent dat ze alles willen doen om de top te bereiken. Ze zijn dus zeer sterk statusgericht. Het doel van het leven is simpel: sociaal hoger te komen. Voor dat doel zijn ze tot alles bereid. Sociaal-dominanten hebben een dog-eat-dog attitude. Ik eet jou, of jij eet mij. Maar dat laatste zal dus niet snel gebeuren.
Een paar blogposts eerder heb ik een lijst gegeven met tien punten die voor alfa's lijken op te gaan. Een elfde punt dat in de laatste blogpost naar voren kwam, was dat in de alfa-cultuur informatie totaal anders verwerkt worden dan in de bèta'-cultuur. Alfa's gebruiken zachte en passieve informatieverwerking, bèta's harde.
Die elf punten kunnen dus in beginsel nog aangevuld worden met de twaalf hierboven van Altemeyer doordat alfa's niet alleen sociaal dominant zijn, maar ook autoritaristisch.
Abonneren op:
Posts (Atom)