zaterdag 20 januari 2018

Hiërarchische relaties en diep denken gaan niet samen


Laatst aangepast op 23/1/2018 om 3:17.


Veel mensen geloven in samenzweringstheorieën en nepnieuws


De vier methodes die ik in de vorige blogpost vermeldde om de alfafactor (de voorkeur voor hiërarchische relaties) te meten, wijzen allemaal naar dezelfde conclusie. We geloven allemaal dat slavernij niet meer bestaat, maar in werkelijkheid zijn we zo ingesteld geraakt op het functioneren in dit soort relaties, dat we meester-slaafrelaties niet meer als bijzonder zien.

De vier methodes om de alfafactor te meten, hebben echter als euvel dat de cijfermatige onderbouwing wel preciezer en/of actueler mocht. In Frankrijk is kort geleden door de Fondation Jean-Jaurès en Conspiracy Watch een onderzoek naar het geloof in samenzweringstheorieën gedaan, dat cijfermatige uitkomsten oplevert (hier).

Mensen die samenzweringstheorieën geloven, evalueren informatie totaal anders dan mensen die dat niet doen. De basis voor het geloof is dat het idee goed van pas komt en in de groep goed valt. Het gaat om geloof en niet om feiten. Men hanteert subjectieve waarheid in plaats van objectieve waarheid.

Uit het onderzoek blijkt, dat slechts een klein deel van de respondenten (21%) in geen enkele van de afgevraagde samenzweringstheorieën gelooft. Wie minder streng rekent en redeneert dat geloof in slechts één samenzweringstheorie toeval kan zijn of een ongelukje, komt op 39% ongelovigen. Van de respondenten gelooft een derde (34%) in zes, zeven, acht of negen samenzweringstheorieën (hoger dan negen ging men niet met afvragen).

Een klein deel van de bevolking lijkt dus niet gevoelig te zijn voor het 'mooie' -- niet op harde feiten gebaseerde -- verhaal van de strongman, maar een meerderheid van de bevolking gelooft in vage verhalen en een derde is zelfs extreem gevoelig voor dat soort verhalen. Dit empirische resultaat wijst op een hoge alfafactor.

Het resultaat van 21% bèta's (double lows), eventueel iets meer door meet-onbetrouwbaarheid, lijkt aardig te kloppen met de ruwweg 25% die op grond van het soortenmodel ongeveer verwacht zouden worden.

Een ander punt dat uit het onderzoek bleek, is dat dit geloof in samenzweringstheorieën sterk gekoppeld blijkt te zijn aan de voorkeur voor ultra-rechtse kandidaten. De mensen die in veel samenzweringstheorieën geloven, blijken ruwweg drie keer zo vaak voorkeur op te geven voor Marine Le Pen dan mensen die niet in deze theorieën geloven. Dit verband bevestigt het idee dat informatieverwerking de basis vormt van de voorkeur voor rechtse kandidaten.

Een laatste en en nogal verontrustend punt is dat de jonge generaties (18-34) viermaal zo vaak geloven in veel samenzweringstheorieën als de oudere generatie (65 en ouder). Dit is een duidelijke indicatie dat de jongere generaties in veel mindere mate harde informatieverwerking toepassen dan de oudere generatie.

De alfafactor is kennelijk in relatief korte tijd sterk gestegen doordat men voortdurend in een sociale omgeving verkeert en niet meer hoeft te interacterenmet harde problemen. Hitler noemde in Mein Kampf zijn geschiedenisleraar als de oorzaak voor zijn kijk op de wereld. Einstein realiseerde zich dat het onderwijs niet deed, wat het zou moeten doen en dat het wel deed, wat het niet zou moeten doen. In dit geval gaat het echter niet slechts om een bewering van iemand, maar om een hard empirisch resultaat: in korte tijd is de alfafactor verviervoudigd!

Waarom die alfafactor verviervoudigd is, is natuurlijk strikt genomen niet zeker. Dat de factor verviervoudigd is in relatief korte tijd door culturele oorzaken of iets dergelijks, lijkt wel zeker. Een genetische verklaring lijkt in zo'n korte periode onzinnig. De enig overblijvende verklaringsgrond is dan de cultuur of eventueel het onderwijs, eventueel een combinatie van beide. (Het doet denken aan het oorlogsenthousiasme aan het begin van de Eerste Wereldoorlog.)

Verder laat dit resultaat zien dat het probleem kennelijk vanaf ongeveer 1960 in deze mate is ontstaan. De periode na de Tweede Wereldoorlog waarin de welvaart sterk toenam en de interactie met de harde werkelijkheid sterk afnam.

Dit empirische resultaat bevestigt ook wat Jan Terlouw dacht te zien (het touwtje uit de brievenbus) en wat ik ook dacht te zien: rond 1960 heerste er een ander cultureel klimaat. Het was een klimaat van aanpakken, samen de schouders eronder en dan was er heel veel mogelijk. Het was ook een uitermate liberaal klimaat: individuele rechten stonden voorop. Het fascisme lag nog vers in ieders geheugen. In dit klimaat kon even later de minirok doorbreken. In dit klimaat durfde ik ook mezelf als 'foute' man te presenteren en gaf dat -- voor zover ik zag -- geen serieuze problemen.

Rond 1995 was dat liberale klimaat echter volledig voorbij. Wat was er precies veranderd? Wat er veranderd was -- in mijn optiek -- was de manier waarop men met geruchten, met vooroordelen omging. Rond 1960 kregen die geen kans, mensen waren te nuchter, na 1990 floreerden geruchten en vooroordelen. Mensen waren graag bereid de gekste dingen te geloven. In feite precies de basis van de Holocaust.

Natuurlijk is Frankrijk niet hetzelfde als Nederland. Vermoedelijk ligt in Nederland de alfafactor lager dan in Frankrijk, men denkt vermoedelijk in Nederland belangrijk minder hiërarchisch, maar voor het overige zal de ontwikkeling in beginsel vergelijkbaar zijn.

Uit de resultaten van een computergestuurd trainingsprogramma voor het onderscheid feit/mening bij hbo-studenten, die ik analyseerde, bleek dat ongeveer de helft van de studenten geuite meningen consequent aanziet als 'feit' of 'waar', terwijl deze groep op feiten en waarnemingen gebaseerde beweringen consequent ziet als 'mening' of 'onwaar'. Ongeveer de helft zag subjectieve waarheid (nepnieuws) dus als echte waarheid en objectieve, feitelijke waarheid als nepnieuws. Men draaide de twee consequent om.

Uitgaande van dit resultaat zou de verhouding alfa's ten opzichte van bèta's in de jongere generaties dan ongeveer één op één zijn. Bèta's zijn dan gedefinieerd als mensen die feitelijke, objectieve waarheid omarmen en alfa's als mensen die subjectieve waarheid omarmen. Vermoedelijk is dat resultaat in verhouding tot landen als Frankrijk en de VS niet slecht, maar het is wel een resultaat dat strongmen gemakkelijk een grote schare volgelingen oplevert.

Daarbij is het goed mogelijk dat, omdat het om een trainingsprogramma ging en de items daarom zo geformuleerd werden dat ze in beginsel moeilijk fout waren te beantwoorden, het werkelijke percentage studenten dat subjectieve waarheid omarmt, belangrijk groter is. Het percentage alfa's in de samenleving bedraagt dan dus minimaal 50% en maximaal tegen de 80%.

Voor een strongman is een aanhang van 40% van de bevolking (of van de mensen binnen een organisatie) al ruim voldoende om de macht te grijpen. Zijn groep is immers hiërarchisch en strak georganiseerd, schuwt geweld niet en heeft slechts één duidelijke doelstelling. Zijn tegenstanders zijn dat echter allemaal niet. Ze zijn het onderling oneens, ze zijn niet strak hiërarchisch georganiseerd, ze schuwen wel geweld en ze missen een centrale doelstelling die iedereen onderschrijft.

Al deze indicatoren wijzen er dus op dat in moderne samenlevingen een groot deel van de bevolking niet in staat is, weerstand te bieden aan de lokroep van een strongman. Een strongman hoeft zijn slaven dus niet te vangen, hij hoeft ze slechts met een 'mooi' verhaal te roepen.


Een foute opvatting over slavernij

Op basis van allerhande verhalen en producties zien we slavernij als iets verwerpelijks. Ik denk dat er ook goede redenen zijn om slavernij een volstrekt slechte zaak te vinden.

De werkelijkheid blijkt zich echter van al die emoties en bezwaren niets aan te trekken. De strongman hoeft slechts te roepen en zijn slaven (volgelingen/gelovigen) komen toegestroomd.

Dat lijkt zo'n bizar idee, dat het bijna niet valt voor te stellen. Toch was dat het idee dat Fromm in 1941 (nogal chaotisch en in een overvloed van begrippen) ventileerde. Vervolgens klopt dat idee ook met vrijwel alles dat bekend is uit onderzoek en uit de historie.

Dat betekent natuurlijk niet, dat de strongman niet met geweld mensen zou kunnen onderwerpen. Strongmen zijn dol op geweld en zullen dat bij gelegenheid zeker niet achterwege laten.

Uitgaande van het volledig op empirisch onderzoek gebaseerde soortenmodel valt te verwachten dat een moderne landbouw-samenleving bestaat uit drie grote maatschappelijke lagen: alfa's, gamma's en bèta's. De alfa's produceren 'mooie' verhalen en orders (mands). De gamma's (of volgelingen/gelovigen/slaven/loonslaven) verlenen diensten en oefenen geweld en agressie uit. Ze verwerken informatie passief of zacht. De bèta's verzorgen de feitelijke productie, die door de gamma's in opdracht van hun alfa's sterk wordt afgeroomd.

Het beslissende onderscheid tussen de gamma's en de bèta's zit in de manier van overleven en de houding tegenover de alfa's. De gamma's buigen voor de strongman en zijn van hem afhankelijk, de bèta's moeten zelf in hun levensonderhoud voorzien en jagen de strongman zodra ze de kans krijgen, het liefste het land uit.

Wat er via de historie en economische gegevens bekend is, bevestigt dit het beeld dat uit onderzoek oprijst. Er is een leider met zijn elite die via orders en propaganda zijn aanhang aanstuurt. Deze aanhang produceert zelf niet of amper, maar oefent wel geweld uit. Een kleine onderlaag realiseert tenslotte de feitelijke productie. 


Hiërarchische relaties en diep denken gaan niet samen

Fromm omschreef in 1941 het vluchten in de machtige groep als: 'Angst voor de vrijheid'. Hij realiseerde zich dat moderne mensen zich in veel gevallen onweerstaanbaar voelen aangetrokken tot de ogenschijnlijke veiligheid van een totalitair regiem. Het gekooide dier verkiest na verloop van tijd de veiligheid van de kooi, boven het zelfstandige bestaan in het oerwoud.

Doordat moderne mensen vaak hoog scoren op de alfafactor, denken ze associatief. 'Slavernij' koppelt men aan sterk negatieve emoties, maar voor de rest is het voor de betrokkene een leeg begrip. Het staat slechts voor een bepaald gevoel dat men koppelt aan een bepaald woord.

'Slavernij' is in de beleving van moderne mensen iets slechts, maar het is vervolgens prima om voor drie euro een t-shirt te kopen dat door bruine kinderhandjes in elkaar is genaaid. Want een t-shirt heeft met slavernij natuurlijk niets te maken.

Zodra men slavernij objectief definieert in termen van 'hiërarchische relaties' is er echter weinig reden om te denken dat het nu niet meer zou voorkomen. Sterker nog: we zijn inmiddels zo gewend geraakt aan hiërarchische relaties, dat we ze niet meer zien.

We zijn hiërarchische relaties als een normaal onderdeel van de samenleving gaan zien. We hebben de meester-slaafmentaliteit geïnternaliseerd. We zijn gaan denken zoals meesters en slaven denken (autoritaristisch en snel).

Het gevolg is dat een groot deel van de bevolking niet langer in staat is tot zelfstandig en zuiver denken. Tot wat Daniel Kahneman 'slow thinking' noemde en wat dolfijn-onderzoekers omschrijven als 'diep denken'. Wat de mens ooit zo uniek maakte in het dierenrijk, is bij een groot deel van de moderne mensheid bezig te verdwijnen of is al verdwenen.


Waarom gaat het voortdurend mis in hiërarchische relaties?

Het zoeken van veiligheid en een goed bestaan bij Hitler resulteerde in ruwweg 65 mijoen doden, een onbekend aantal gewonden en de ineenstorting van Duitsland. Kennelijk leidt het uitschakelen van het gezonde verstand lang niet altijd tot de gouden toekomst die de strongman voorspiegelt.

Dat was bepaald niet de eerste keer dat het misging. Iets eerder had om nogal vage redenen de Eerste Wereldoorlog plaatsgevonden. Ook die was vooral dankzij Duitsland ontstaan en niet helemaal afgelopen zoals men zich dat aanvankelijk had voorgesteld.

Wie zich verdiept in de Tweede Wereldoorlog ziet dat ook Japan op een bepaald moment om nogal romantische redenen gebieden begint te bezetten en te veroveren. Ook dat avontuur liep nogal rampzalig af voor Japan.

Een derde partij in de Tweede Wereldoorlog was Italië. Ook vanuit dat land begon men enthousiast gebied te bezetten, schuwde men geweld niet en ook dat liep uiteindelijk niet goed af voor Italië.

Recenter is het Nederlandse Sebrenica-avontuur. Ook dat liep nogal rampzalig af, terwijl men het zo romantisch begonnen was. De Nederlanders hebben Indonesië beschaving gebracht, leerden we op school, maar in werkelijkheid was het een bestaande landbouw-samenleving met alle voor- en nadelen van dien. Ook dat avontuur liep nogal gewelddadig af.

Men kan ook naar andere gebieden kijken. Automatiseringsprojecten van de overheid hebben de neiging lang te duren, veel te kosten en tenslotte te mislukken. De gezondheidszorg is door de overheid voortvarend ter hand genomen, met het gevolg dat de kosten de pan uitrijzen en dat een foute onzindiagnose regelmatig plaatsvindt.

Tegelijkertijd lukt het wel om mensen op de maan neer te zetten en die levend terug te halen. Het lukt wel om voor een bescheiden bedrag een laptop te bouwen, zoals waarop ik nu schrijf, waarvan de processor met een onvoorstelbare snelheid van 2.5 gigaherz instructies uitvoert. Dat zijn 2,5 miljard instructies per seconde.

De eenvoudige verklaring die zich opdringt, is dat mensen in hiërarchische relaties denken in mands (commando's) in plaats van in tacts (beschrijvingen). Dat men geen objectieve waarheid hanteert, maar subjectieve. Dat men niet inductief denkt, maar dogmatisch. En dat men informatie niet bewust verwerkt, maar slechts emotioneel en associatief.

Daniel Kahneman zou zeggen dat men in hiërarchische relaties kennelijk 'snel denken' toepast in plaats van 'langzaam denken'. Dat is misschien wat voorzichtig uitgedrukt, duidelijker is: men denkt niet, men babbelt. En men ziet dat babbelen vervolgens aan voor denken.









vrijdag 19 januari 2018

De wereld is vol willige slaven


Laatst bijgewerkt op 19/1/2018 om 16:52.


Het is verleidelijk om onmiddellijk te reageren op de vraag naar de redenen om slavernij af te schaffen. In eerste instantie heb ik dat in een vorige blogpost (hier) ook gedaan. Bij herlezing van mijn reactie, zie ik echter dat er toch een paar gemene adders onder het gras schuilen.

Einstein beschouwde Galilei als de vader van de empirisch wetenschappelijke methode. Ik denk dat we Einstein dan als de moeder moeten zien. Uitgaande van Einstein moeten we verborgen vooronderstellingen vrezen als arsenicum in de boerenkool met worst. (Dat zijn niet zijn woorden, maar mijn samenvatting daarvan. Ik vermeld dat hier, omdat er anders binnenkort mogelijk een nieuw citaat aan zijn lijst met quotes wordt toegevoegd.)


Wat is precies 'slavernij'?

De eerste adder onder het gras is dan: wat is precies 'slavernij'? In de denktrant van Einstein: hoe stelt mijn elektronische slavernij-detector precies vast dat er sprake is van slavernij? En levert mijn detector dan dezelfde uitkomsten als de detector van een waarnemer op ster B die 30.000 lichtjaar verderop staat en zich met bijna de lichtsnelheid van ons afbeweegt?

Slavernij is iets dat we koppelen aan indringende beelden en diepe emoties. Oudere mensen hebben vrijwel altijd wel De negerhut van Oom Tom gelezen. Jongere mensen hebben aangrijpende films gezien.

Het resultaat is dat mensen slavernij op grote schaal evalueren op basis van emotionele waarheid. Men voelt gewoon dat het zo is en dus is het zo. Onze collega-waarnemer op ster B is op dit moment echter nog volstrekt onkundig van al die emoties die door ons heen razen en voordat hij kan beginnen daar rekening mee te houden, zijn we minimaal een paar duizend jaar verder.

De lastige vraag is dus: hoe moet je slavernij precies definiëren zodat het begrip objectief meetbaar wordt. Bij slavernij denken we vooral aan negatieve zaken: slaan, martelen, gevangen houden, slecht behandelen, met de zweep er van langs geven, vernederen, brandmerken. Kortom, allerhande zaken die te maken hebben met het onderwerp van deze blog: discriminatie/agressie.

Discriminatie/agressie is bedoeld het slachtoffer te beschadigen en te vernederen, terwijl de dader zichzelf probeert te profileren als de machtige partij en op die manier voordeel hoopt binnen te halen.

Het soortenmodel leert verder, dat er bij discriminatie/agressie altijd drie 'groepen' betrokken zijn en dat iedereen uiteindelijk tot één van die drie groepen behoort. Meer mogelijkheden zijn er uiteindelijk niet.

De eerste optie is dat men behoort tot de aanstichters: de strongman met zijn elite. De tweede optie is dat men behoort tot het leger van de strongman: de mensen die zijn bevelen uitvoeren en zorgen dat hij aan de macht blijft. De derde optie is dat men behoort tot de collectie individuen waar de strongman jacht op maakt.

Dat maakt de zaak simpel. Er blijven dan maar twee mogelijkheden over. Of we omarmen de strongman als onze grote vriend of we moeten niks van hem hebben. De wereld valt als het ware te verdelen in twee grote groepen: de fascisten en de mensen die fascisme helemaal niks vinden. De mensen die vrijheid verwerpen en de mensen die geloven in vrijheid.

De mensen die kiezen voor de strongman hopen op die manier aan vervolging door de strongman te ontkomen. If you can't beat them, join them. Het Algemeen Nederlands Woordenboek geeft als vertaling: 'Het is een wijs besluit om je bij een sterkere tegenstander aan te sluiten in plaats van het tegen hem op te nemen.'

Deze vertaling maakt begrijpelijk waarom er tijdens Wereldoorlog II zoveel Nederlandse Joden spoorloos verdwenen. Men handelde gewoon 'wijs' en verstandig. Het soortenmodel is daar echter toch nog niet zo zeker van. Wie al te slim wil zijn, krijgt soms het deksel op de neus.

Het probleem is natuurlijk dat wie besluit -- om wat voor reden dan ook -- om zich aan de strongman te onderwerpen, al zijn rechten verliest. Men wordt de slaaf van de strongman. De strongman beslist over dood en leven van zijn volgelingen/gelovigen.

In eerste instantie zal de agressie van de strongman zich misschien vooral richten op zijn openlijke tegenstanders of wat hij als zodanig wil zien. Het is echter een kwestie van tijd voordat hij zijn agressie ook richt op volgelingen/gelovigen die hem om een of andere reden ontstemmen.

Zodra de strongman dus de macht stevig in handen heeft, is niemand zijn leven meer veilig. Er is een totalitaire samenleving ontstaan.

George Orwell omschreef dit in Nineteen Eighty-Four met: 'If you want a picture of the future, imagine a boot stamping on a human face – for ever.' Vertaald: 'Als je een beeld wilt van de toekomst, stel je dan een laars voor stampend op een menselijk gezicht -- voor altijd.'

J.R.R. Tolkien had het in 1954/1955 in zijn boek The Lord of the Rings over: 'One Ring to rule them all.' Wie deze magische ring in handen krijgt, heeft het middel dat leidt tot de absolute macht.


Propaganda is de One Ring to Rule Them All

Inmiddels is echter ook bekend, wat de One Ring to Rule Them All is. Het zijn de volgelingen/gelovigen die zich achter de strongman scharen. De aanhang van de strongman is het middel waarmee hij absolute macht kan verwerven.

Waarom laat de aanhang van de strongman zich inpalmen door zijn 'mooie' woorden? Ook dat lijkt inmiddels duidelijk te zijn. De aanhangers zijn niet in staat door de 'mooie' woorden van de strongman heen te zien. Ze verwerken informatie passief en zacht; ze hebben nooit geleerd informatie hard te verwerken.

Aanhangers verwerken informatie door deze om te zetten in emoties en die emoties eventueel weer te vertalen in wensen en commando's. Daniel Kahneman noemde dit 'snel denken', maar een betere term is misschien 'niet denken en babbelen'. Men denkt niet of men denkt met de onderbuik.

Waarom gebruiken sommige mensen voor beslissingen vooral 'niet denken en babbelen' in plaats van 'denken'? Kahneman noemde denken: 'langzaam denken'. Bewust en gericht nadenken om harde problemen op te lossen. In sociale situaties levert het meer op om niet te denken en te babbelen. In confrontatie met harde problemen zoals de natuur die bijvoorbeeld oplevert, levert het meer op om te denken.

Wanneer aanhangers passief luisteren (zonder te babbelen) worden ze automatisch en onbewust door de strongman geconditioneerd. Wanneer aanhangers babbelen (actieve, maar zachte informatieverwerking) gebruiken ze de woorden van hun leider om hun status in de groep te verhogen.

In beide gevallen zien aanhangers dus niet de problemen in het verhaal van de strongman. Zijn verhaal bevat geen feitelijk juiste informatie, maar slechts propaganda. Het is de folder van de autofabrikant: prachtige plaatjes van auto's die te duur zijn en mankementen hebben. Het probleem is niet de folder, maar dat de aanhangers ook graag zo'n mooie auto willen en niet begrijpen dat de folder slechts gebakken lucht is.

Wie slavernij via wetgeving probeert af te schaffen, probeert dus eigenlijk de hoeveelheid discriminatie/agressie in een samenleving te reduceren. Men maakt slaven vrij waardoor ze niet langer in een hiërarchische relatie tot hun Heer staan, maar -- is de bedoeling -- in een egalitaire relatie. Men kan op basis van gelijkwaardigheid zaken doen, is het doel.

Maar 'slavernij' heeft in het strongman-systeem geen expliciete betekenis. De strongman krijgt en grijpt zijn kans zodra hij voldoende aanhangers om zich heen heeft verzameld. Geen enkele strongman zal zich door welke wetgeving dan ook, tegen laten houden van zijn ultieme doel: macht.

Wie de strongmen dus binnen de perken wil houden, moet zich in de eerste plaats richten op de manier van informatieverwerking die mensen hanteren. Zodra de groep mensen die informatie passief en zacht verwerkt te groot wordt in verhouding tot de rest van de bevolking, is het in een samenleving goed mis.

Dit leidt tot de tweede adder in het gras. 


Hoe valt de hoeveelheid slavernij vast te stellen?

Het doel van afschaffing van de slavernij is hiërarchische relaties tussen mensen tegen te gaan en te vervangen door egalitaire. De vraag is in hoeverre dat door wijziging van de wet inderdaad lukt.

Beide adders onder het gras (de definitie van slavernij en het meten van de hoeveelheid slavernij) kunnen dus onschadelijk gemaakt worden door de hoeveelheid hiërarchische relaties in een samenleving te meten.

Doordat egalitaire samenlevingen totaal anders zijn dan hiërarchische samenlevingen kan dit in beginsel op een groot aantal verschillende manieren. Een mogelijkheid is te kijken naar de inkomensongelijkheid, naar de ongelijkheid in bezit, naar de ongelijkheid in woonsituatie, en ga zo maar door.

Een andere mogelijkheid is te kijken naar artikelen in kranten en andere cultuuruitingen. De drie variabelen die het discriminatie-systeem van de strongman vorm geven, zijn redundant. Sociale dominantie (de baas willen zijn, de sterkste willen zijn) en autoritarisme (lid van een groep willen zijn) bepalen samen de hoeveelheid agressie en vooringenomenheid. In beginsel is het dus eenvoudig om via cultuuruitingen na te gaan, hoe het in een samenleving op dit punt is gesteld.

Over de alfafactor (de mensen die zich aangetrokken voelen tot hiërarchische relaties) weten we echter inmiddels veel meer. Ik geef hier nogmaals de belangrijkste punten.

1. Mensen die hoog scoren op de alfafactor voelen zich aangetrokken tot typische strongman-teksten zoals die van Hitler, Trump, Plato en andere filosofen en ideologen.

2. Mensen die hoog scoren op de alfafactor, voelen zich aangetrokken tot typische alfa-studierichtingen en alfaberoepen. (Dat neemt niet weg dat ze zich door de hoge status van bètavakken en -beroepen soms ook een weg banen naar de bètatop.)

3. Mensen die hoog scoren op de alfafactor zijn uitermate agressief en extreem geneigd tot discriminatie.

4. Mensen die hoog scoren op de alfafactor hebben een sterke hang naar het irrationele en hebben grote problemen met rationeel en zuiver denken.

5. Mensen die hoog scoren op de alfafactor zijn gefocust op mensen en groepen in plaats van op dingen, getallen en de harde natuur.

6. Mensen die hoog scoren op de alfafactor zijn overwegend sociaal dominant dat wil zeggen: sterk gericht op macht, status, winnen en oorlog.

7. Mensen die hoog scoren op de alfafactor zijn overwegend autoritaristisch dat wil zeggen: men onderwerpt zich aan de autoriteit van zijn leiders, men is bereid tot geweld uit naam van die leiders en men is traditionalistisch en conformistisch. Men denkt in wij/zij-termen.

8. Mensen die hoog scoren op de alfafactoren denken vanuit hun ik naar buiten, dat wil zeggen: dogmatisch in plaats van inductief. Ze geloven zeker te weten en voelen zich gerechtvaardigd te handelen op basis van hun heilige geloof, dat echter niet gebaseerd is op harde feiten.

9. Mensen die hoog scoren op de alfafactor denken, spreken en schrijven in mands (commando's) in plaats van in tacts (beschrijvingen).

10. Mensen die hoog scoren op de alfafactor hanteren alternatieve (subjectieve) waarheid. Men voelt waarheid, maar deze gevoelde waarheid is een sociale, subjectieve waarheid en niet een op feiten gebaseerde waarheid.

11. Mensen die hoog scoren op de alfafactor verwerken informatie passief en zacht, maar normaal niet hard. Dit betekent dat ze informatie wel emotioneel verwerken, maar niet bewust. Dit betekent dat men informatie afkomstig van zijn leiders zich emotioneel eigen maakt, maar dat men niet in staat is nieuwe, feitelijke informatie bewust te benutten. Men is in staat tot emotioneel leren, maar niet in staat tot het gericht leren van nieuw gedrag.


Hoeveel slavernij is er tegenwoordig?

Het is mogelijk een samenleving voor de wettelijke afschaffing van de slavernij te vergelijken met dezelfde samenleving daarna. Ik neem aan dat dat ook nog wel gedaan zal worden.

De vraag waar het om ging, was echter: hoe zit het nu -- op dit moment -- met slavernij in de samenleving? Gaan we nu volledig uit van egalitaire relaties of gaan we in werkelijkheid nog steeds vaak uit van hiërarchische relaties?

Ik zie mijn vrouw regelmatig gefascineerd naar The Crown kijken op Netflix en ik begrijp dat zij lang niet de enige is. Zelf heb ik net gekeken naar Das Boot. Hiërarchische relaties hebben dus nog steeds een grote aantrekkingskracht op moderne mensen.

Hoe kan men nu in concreto de sterkte van de alfafactor schatten?

De eerste methode is simpel. Het percentage mensen dat Hitler en Trump aan de macht hielp is vergelijkbaar en ligt rond de veertig procent. Daarbij is het nog steeds mogelijk dat een belangrijk deel van de overige zestig procent, wel voelde voor hiërarchische relaties, maar niet met die specifieke strongman. Het kan bijvoorbeeld zijn dat men op dat moment zelf al een hoge positie heeft in de heersende groep. In werkelijkheid zal het totale percentage dan dus nog hoger kunnen uitkomen dan die veertig procent.

Verder lijkt duidelijk te zijn dat dit percentage de laatste jaren niet afneemt, maar vrijwel overal ter wereld toeneemt. Nationalisme, fascisme, identiteitspolitiek zijn op een of andere manier groeisectoren.

Een tweede methode is al even simpel. Kijk naar de hoeveelheid vage, esoterische literatuur. Richard Feynman verbaasde zich in 1974 al (cargo cult science) over de gigantische hoeveelheid onzin die er te koop was. Hij merkte op: Then I became overwhelmed. I didn’t realize how much there was. In verhouding tot de serieuze, feitelijke literatuur is er veel meer onzin te koop, dan gedegen werk. Dat kan alleen als het publiek kennelijk hoog scoort op de alfafactor.

Een derde manier is te kijken naar de manier waarop teksten in doorsnee geschreven worden in de samenleving. Schrijft men inductief of dogmatisch? Inductieve artikelen moeten tegenwoordig met een lampje gezocht worden. Er worden vrijwel voortdurend meningen gespuid. Dat impliceert dat mensen in de huidige cultuur hoog op de alfafactor scoren.

Een vierde methode kan zijn dat men kijkt naar het verwerken van informatie. Rond 1960 (hier) was bekend dat het stijgende CO2-niveau grote problemen dreigde te gaan leveren voor de stijging van de zeespiegel. Inmiddels zijn we bijna zestig jaar verder en is de CO2-uitstoot alleen maar vele malen groter geworden. Verder heeft men druk gebabbeld, heel gewichtig gedaan, maar is er feitelijk gezien nog niets aan de oplossing van het probleem gedaan. De beschikbare informatie wordt kennelijk niet verwerkt. Ook dit wijst op een hoge alfafactor.

Alle vier manieren leiden tot een soortgelijke conclusie. Er is een zeer grote groep mensen die vatbaar is voor de lokroep van een strongman. Het probleem is niet dat mensen tegen hun wil tot slaaf gemaakt moeten worden, maar dat ze slechts geroepen hoeven te worden om zich aan de macht van de strongman te onderwerpen.

Wat Fromm in 1941 dacht te zien, dat een grote groep mensen niets op had met vrijheid en graag de ogenschijnlijke veiligheid van een machtige groep zocht, kwam toen uit en komt nog steeds uit.

Het resultaat van dat zoeken van veiligheid in de machtige groep van Hitler is ook bekend. In totaal ruwweg 65 miljoen doden, een onbekend aantal gewonden en de bijna volledige vernietiging van Duitsland.



woensdag 17 januari 2018

De alfafactor meet de voorkeur voor gezellig praten en geweld


Onderstaande blogpost is een bewerking en uitbreiding van de voorgaande blogpost. Uitgaande van het voorbeeld van Appelfeld zijn er steeds twee totaal verschillende reacties mogelijk: een rationele en een sociale. De alfafactor meet de voorkeur voor de laatste manier van reageren (gezellige discussie) en daarmee ook de voorkeur voor geweld.


In de NRC van 5/1/2018 wordt bericht over het overlijden van Aharon Appelfeld. Hij overleefde de Holocaust en schreef daar veel romans over. Hij verwerkte zijn ervaringen en gevoelens dus tot fictie. In de termen van deze blog: hij hanteerde zachte informatieverwerking. 


Passieve en zachte informatieverwerking

Ik begrijp uit wat ik ondertussen gelezen heb, dat Aharon of zijn romanfiguur, als kind, toen er ogenschijnlijk nog niets aan de hand was, opeens in panisch huilen uitbrak. Er klopte iets niet, er dreigde groot gevaar.

Dat is hoe passieve informatieverwerking in combinatie met zachte informatieverwerking, kan werken. Men is zich het gevaar nog niet bewust, maar via het emotionele systeem zijn er prikkels binnengekomen die angst veroorzaken. Het emotionele systeem denkt: foute boel.

Maar dat gevoel is nog niet uitgesproken, nog niet verwoord. Bewust en rationeel gezien lijkt alles nog in orde, maar het automatische systeem heeft ondertussen onmiskenbare voortekenen gezien. Men voelt het gevaar als een onbestemde dreiging. Tot dit punt heeft men de informatie slechts passief verwerkt: in de vorm van automatisch opgewekte emoties.

Vervolgens worden de emoties omgezet in bewust gedrag, in een mand. Een verzoek het probleem op te lossen. Het kind gaat actief huilen. Er is iets mis, doe er alsjeblieft iets tegen! Wat precies de waarschuwingssignalen waren, valt niet meer te achterhalen, maar de boodschap van het kind is onmiskenbaar en niet zonder effect op de toehoorders.

Zijn ouders, de ouders van het kind, konden zich niet voorstellen dat de Duitsers juist hen wilden vermoorden, omdat ze een sterke focus hadden op de Duitse cultuur. Ze dweepten met alles dat Duits was.

Ook dat is hoe passieve informatieverwerking in combinatie met zachte, werkt. Omdat de Duitse cultuur voor de ouders een sterk positieve gevoelswaarde had, kon het voor hun gevoel niet tegelijkertijd ook de bron van een groot gevaar zijn. De positieve emotie blokkeerde het rationele inzicht dat daar volledig mee in strijd was.

Het emotionele systeem werkt simpel en snel, maar is op deze manier eenvoudig te misleiden. De vruchtboom ziet er prachtig uit, dat geeft een positief gevoel. De conclusie dat de vruchtboom dus ook veel vruchten zal opleveren, hoeft echter niet uit te komen.

Trump arriveert in een kolossaal vliegtuig. Voor zijn aanhang die vrijwel uitsluitend informatie passief verwerkt, betekent dat, dat hij geweldig is. De conclusie dat hij als president geweldig zal zijn, is echter gebaseerd op iets dat met zijn functioneren als president niets van doen heeft.

Psychopaten (oplichters, conmen, double-highs) hanteren als vaste truc dat men heel keurig en onschuldig overkomt. Een specifieke truc is bijvoorbeeld het opwekken van medelijden. De psychopaat is zielig, denkt de toeschouwer. Iets dat zielig is, kunnen we vertrouwen, gelooft men. Dat is een misrekening die gemakkelijk fataal kan aflopen.

Bekend is in dit verband ook de truc van het lieve, onschuldige meisje. Het meisje is uiteraard vrouw en in dit geval ook nog een knappe vrouw. Verder is ze verzorgd, goed gekleed, aardig, charmant, wellevend, goed bespraakt en een en al glimlach. Een enkele keer gaat het mis en komt de opzet tenslotte uit, maar voor de slachtoffers soms te laat (hier en hier bijvoorbeeld).


Twee conflicterende manieren van actieve informatieverwerking

Een mooi voorbeeld van passieve informatieverwerking met daaraan gekoppeld zachte, was het instortende dak van de toneelzaal. De architect had een prachtige zaal ontworpen, waar hij bijzonder trots op was. Sommige mensen vroeger zich echter af, of de constructie wel deugdelijk was. De architect was volstrekt zeker. Zijn gevoelens met betrekking tot het dak waren volledig positief. Helaas stortte het dak even later in.

Wat is de moraal van dat -- werkelijk gebeurde -- verhaal? (Wie gaat zoeken kan overigens een overvloed van dit soort verhalen vinden. Het is iets dat kennelijk regelmatig voorkomt.) Daken zijn geen mensen. Mensen vallen in de praktijk prima te overtuigen met volstrekte onzinverhalen. Daken niet. De harde natuur heeft lak aan welke verhaal dan ook en gaat onverstoorbaar haar eigen gang.

De architect hanteerde zachte informatieverwerking, waar hij harde informatieverwerking had moeten toepassen. Hij kwam met een 'mooi' verhaal, terwijl het om harde feiten moest gaan. Hij produceerde een mand om zijn publiek gerust te stellen, terwijl hij een tact had moeten produceren.

Op dezelfde manier kwam Aharon Appelfeld met 'mooie', aangrijpende verhalen over de Holocaust. Het is gebeurd, laten we er een 'mooi', aangrijpend verhaal van maken. Een schrijver van fictie schrijft nu eenmaal het gemakkelijkst over zaken die hij zelf kent en heeft meegemaakt. Hij produceerde mands.

Het vervelende van de Holocaust is echter dat die in werkelijkheid steeds opnieuw plaatsvindt. Niet letterlijk, niet op precies dezelfde manier, maar wel in essentie. Discriminatie en agressie zijn niet iets uit een ver verleden en een niet-bestaand vreemd land. Het zijn zaken die iedere dag opnieuw plaatsvinden.

Het is gedrag dat stevig verankerd zit in de moderne menselijke natuur. Wanneer we greep willen krijgen op dat gedrag, hebben we tacts nodig (harde informatieverwerking, feitelijk juiste beschrijvingen) en beginnen we niets met mands (zachte informatieverwerking). Integendeel, die mands (commando's) verduisteren de zaak.


Een 'vreemd' conflict en een grote sprong

Ik hoop dat bovenstaande conclusie plausibel klinkt. Om zaken als de Holocaust te begrijpen, hebben we tacts nodig en geen mands. Om te weten of het dak van de schouwburg op zijn plaats blijft of niet, moet je niet proberen het publiek gerust te stellen, maar moet je de sterkte van de constructie narekenen en checken waar er misschien onbedoeld iets fout kan zijn gegaan. Hetzelfde principe geldt ook voor zaken als discriminatie en agressie.

Maar wie goed kijkt naar praktijkvoorbeelden, ziet dat hier een probleem ligt. De eerste keer dat ik me als slachtoffer realiseerde dat het ging om discriminatie, maakte me dat eerst diep triest en later heftig verontwaardigd. En strikt genomen, heb ik die reactie -- tientallen jaren later -- nog steeds. In combinatie met discriminatie en agressie is het kennelijk normaal om sterk emotioneel te reageren in plaats van strikt rationeel.

Einstein kan als typische double-low en bèta op dit punt fungeren als voorbeeld. Hij voelde als het ware dat oorlog en agressie verkeerd waren en vertaalde dat in een actief pacifisme. Terwijl hij in een natuurkundig kader het volstrekt normaal vond, om diepgaande vragen te stellen en zorgvuldig te analyseren, verviel hij op het gebied van pacifistische acties soms in romantische onbezonnenheid. Zo wilde hij ten koste van alles geen geweld en geen oorlog, maar dat standpunt was toen Hitler op grote schaal onschuldige mensen begon te vernietigen, moeilijk vol te houden.

De verklaring lijkt simpel. De twee gedragssystemen waar mensen over beschikken, die Kahneman omschreef als snel en langzaam denken, zijn gevoelig voor de context. Wanneer we het over het gedrag van een vallende steen hebben, zoals Galilei, is het gemakkelijker om rationeel te denken (langzaam denken toe te passen) dan wanneer we het over het gedrag van mensen hebben. Wij zijn door evolutie en ervaring geneigd het gedrag van mensen als totaal anders te zien dan het gedrag van vallende stenen.

Wat is precies het verschil? We zijn gewend dat mensen reageren op taal, op mands. Met betrekking tot vallende stenen geloven we veel eerder dat die zich niets van mands zullen aantrekken. We hebben tacts nodig om greep op vallende stenen te krijgen.

Op dezelfde manier hebben we ook tacts nodig om greep te krijgen op menselijke discriminatie en agressie. Kennelijk is de stap van vallende stenen naar iets als de Holocaust zelfs voor iemand als Einstein nog een gigantische sprong.

De basis voor het idee dat menselijk gedrag en vaardigheden gemeten en gekwantificeerd kunnen worden, is gelegd door Sir Francis Galton rond 1870. Pavlov liet vervolgens rond 1920 zien dat emoties onder experimentele controle kunnen worden gebracht.

Skinner maakte vervolgens rond 1940 duidelijk dat bewust gedrag onder experimentele controle kan worden gebracht. In 1957 publiceerde hij Verbal Behavior, maar toen ik me rond 1980 diepgaand in dat boek begon te verdiepen, was het idee dat spreken en denken volledig de gedragswetten zouden volgen, zo ingrijpend, dat dat zelfs voor doorgewinterde behavioristen nog steeds moeilijk viel te begrijpen.

Ondanks het feit dat Einstein de grote sprong in benadering van het agressie-probleem niet maakte (men hoeft hem dat niet kwalijk te nemen, want het was zijn specialisme niet en op dat moment was ook de benodigde kennis nog niet beschikbaar), was hij er wel volledig van overtuigd dat men moest proberen er wat aan te doen. Een typische bètabenadering: er is een probleem, het is onze taak dat aan te pakken.

Hitler koos als alfa de tegenovergestelde route. Hij omarmde agressie. Hij was min of meer het probleem. In zijn optiek ging het om macht en was dat, hoe de wereld nu eenmaal in elkaar zat. Deze route leek aanvankelijk onvoorstelbaar succesvol, zijn legers beheersten vrijwel geheel Europa, maar zou tenslotte tot zijn zelfmoord leiden.

De conclusie moet dus kennelijk luiden dat het zelfs voor iemand met een sterke bèta-instelling kennelijk uitermate lastig is om menselijk gedrag zuiver rationeel te bezien. Het idee dat men dat gedrag en de bepalende factoren, zo volledig mogelijk moet kwantificeren, ligt nog lastiger.


Ook de daders begrijpen het kwaad niet

De passage waar het mij in het artikel van de NRC speciaal om gaat, heeft betrekking op een scene uit zijn boek Badenheim 1939. In de zomer van 1939 verblijft een groep geassimileerde Joden in een Oostenrijks kuuroord. Ze komen daar al jaren, maar ditmaal wordt iedereen naar Polen vervoerd. Dat veroorzaakt geen paniek.

Mensen vinden die beschrijving 'surrealistisch' volgens de NRC. Appelfeld merkte (volgens het artikel) in een interview in 2005 tegen de NRC op: 'Hun naïviteit is realistisch. Mensen begrijpen het kwade niet. Alleen als het in henzelf zit.'

Dat zijn gevleugelde woorden. De eerste twee zinnetjes lijken me te kloppen, maar het derde niet. Appelfeld denkt gemakshalve dat mensen die kwaad doen, zelf begrijpen waarom ze kwaad doen. Dat lijkt me niet te kloppen.

Appelfeld gaat van de veronderstelling uit, dat mensen die kwaad doen, die agressie plegen, zichzelf van dat kwaad bewust zijn. De slachtoffers vermoeden niets, maar de daders weten als het ware precies wat voor kwalijks ze aan het doen zijn.

Vergelijk het met het overvallen van een bank. Je weet dat het niet mag, maar je weet ook dat je dertig miljoen euro kunt buitmaken. Je maakt koelbloedig het sommetje en besluit dan om toe te slaan.

Vrijwel alles dat bekend is, wijst erop, dat het zo in werkelijkheid niet gaat. Als de nazi's rationeel hadden gedacht, was er nooit een Jodenvervolging geweest. Dan had men zich tegenover de Sovjets totaal anders opgesteld en had Stalin mogelijk geen enkele kans gehad. Als dat zo was, zouden mensen zich realiseren dat oorlog helemaal niet zo heilig en mooi is als ze doorgaans geloven, voordat ze de oorlog beginnen.

Laten we kijken naar wat eruit empirisch onderzoek bekend is over discriminatie en agressie. Agressie wordt geproduceerd door een machtige groep, een mob. Die mob bestaat uit twee delen: de leider met zijn elite en het gewone voetvolk, de aanhang, die de orders van boven uitvoert en de agressie pleegt.

Probeer de kwestie eens te bekijken vanuit het standpunt van de mob. Als mob en moblid heb je eten en inkomsten nodig. Sommige mensen halen dat uit het oerwoud. Andere mensen verbouwen wat op een stukje grond. Dat is allemaal mooi en prima, maar als mob-lid moet je ook bestaan. De methode van bestaan die je om een of andere reden gekozen hebt, is nu eenmaal je eten weg te halen, waar dat toevallig te vinden is. Zoals je een kat moeilijk kwalijk kunt nemen, dat het beest vogeltjes vangt, zo kun je een moblid moeilijk kwalijk nemen dat hij geweld pleegt. Dat hoort nu eenmaal bij de manier van bestaan, die hij het gekozen heeft.

Wanneer je dus de moeite neemt, de kwestie rationeel te bekijken, is er voor het moblid geen enkele reden zich druk te maken over het kwalijke van zijn handelen. Dat kwalijke bestaat alleen in de optiek van zijn slachtoffers.


Agressie is gekoppeld aan irrationaliteit

Als het geweld van de mob rationeel bedoeld is, waarom neemt het dan zulke irrationele vormen aan? Taal kan in beginsel op twee totaal verschillende manieren gehanteerd worden: als tact en als mand. Tacts worden in toom gehouden door de harde natuur. Mands kennen alleen sociale grenzen. Het gevolg is dat er voor mands geen harde normen bestaan. Doordat mobs mands hanteren, zit er geen rem op het systeem.

De basis van de groep is autoritarisme. Men wil en moet onderdeel zijn van een groep. Men is daarom bereid de leider onvoorwaardelijk te gehoorzamen. In dat kader bestaat er niet zoiets als zelfstandig denken. Men gelooft wat de leiders van de groep vertellen. Dit komt doordat men informatie passief, eventueel zacht, verwerkt. Men wordt hierdoor een willoos werktuig van de leiders.

De kop van de groep, de leider met zijn elite, wordt gevormd en bepaald door sociale dominantie. Dat is een soms letterlijk vernietigende drang om de top van de piramide (van de hiërarchische groep) te bereiken en daar zo lang mogelijk te blijven.

Om in de groep zo hoog mogelijk te komen, hanteert men zachte informatieverwerking. Wat men hoort en leest, wordt omgevormd tot een 'mooi' verhaal voor de achterban en de leiders die hoger zijn. Dat verhaal vormt echter tegelijkertijd voor de persoon zelf zijn bewuste werkelijkheid, de werkelijkheid waar hij in denkt te leven.

De bewuste werkelijkheid van de aanhang wordt dus bepaald door de leiders van de groep, die vertellen wat de volgelingen moeten geloven. De bewuste werkelijkheid van de leiders wordt bepaald door de drive om de top te bereiken en daar zo lang mogelijk te blijven. Beide delen van de groep begrijpen niet precies, wat ze aan het doen zijn en waarom. Men is niet in staat van buitenaf naar zichzelf te kijken.

Beide delen van de groep houden elkaar gevangen in een op termijn dodelijke omhelzing. Doordat men volledig op elkaar is gefixeerd, wordt informatie van buitenaf niet meer bewust en rationeel (hard) verwerkt, maar wordt die informatie omgezet tot een emotie, vervolgens resulteert de emotie in een mand.

Van buitenaf gezien lijkt het alsof men volop bewust en gericht gedrag produceert. In werkelijkheid gaat het om vertaalde emoties, die bepaald worden door toevallige gebeurtenissen.

Een historisch voorbeeld is het toevallige bombardement op Londen in de begindagen van de Slag om Engeland. De Engelsen sloegen terug met een bombardement op Berlijn. Dit bracht Hitler tot grote woede, waarna de beslissing werd genomen Londen plat te bombarderen. Die beslissing betekende in de praktijk dat de Slag om Engeland voor Duitsland verloren was. Men doet maar wat, zonder dat men er serieus over nagedacht heeft.

Het vermogen van de groep om externe bedreigingen het hoofd te bieden, neemt daardoor af en verdwijnt tenslotte. Men vervalt onder invloed van de eigen emoties en de betrokkenheid op elkaar in volledig irrationele acties.


Mensen met en zonder geweten?

Double-highs worden ook wel omschreven als 'mensen zonder geweten'. Mensen hebben van nature een ingebouwd geweten. Vergelijk het met de hond die niet in staat is de eigen kat te bijten. Men beschikt normaal over een ingebouwd vermogen de andere leden van de eigen groep niet onnodig te beschadigen, althans dat wordt verondersteld.

Bij autoritaristen wordt dat geweten op twee manieren uitgeschakeld, lijkt het. Allereerst nemen de leiders de verantwoordelijkheid op zich. Men hoeft slechts te gehoorzamen.

Ten tweede worden de slachtoffers voorgesteld als gevaarlijk, slecht, vies, vuil. De slachtoffers zijn geen leden van de eigen groep, geen mensen, maar gevaarlijke insecten.

Ten derde doen ook andere leden van de groep het, dus kennelijk is het in orde. De andere groepsleden zorgen voor sociale bekrachtiging van het kwalijke gedrag.

Bij sociaal-dominante personen (zoals double-highs) lijkt het geweten zelfs standaard uitgeschakeld te staan. Zij zien de wereld als: 'dog-eat-dog'. Of jij pakt mij, of ik pak jou. Het kunnen beschadigen van de ander is dus bij voorbaat het doel. De beschadigde ander is een teken dat men sterker is en gewonnen heeft.

Een andere reden waardoor autoritaristen en sociaal-dominanten niet of amper geremd worden door hun geweten, is dat ze niet in tacts denken, maar in mands. Men is daardoor niet in staat naar zichzelf te kijken. Men is niet in staat in beschrijvingen te denken. Men vertaalt de eigen emoties voortdurend in mands (commando's).

Wanneer bij autoritaristen het geweten niet goed functioneert en wanneer het bij sociaal-dominanten standaard staat uitgeschakeld, heeft slechts een kleine minderheid (iets van 25%) van de bevolking last van iets als een geweten. Wat honden hebben met de eigen kat, hebben mensen dan doorgaans niet.

Het menselijke geweten wordt dan overwegend een 'mooi' idee van kennelijk autoritaristische psychologen die door hun sociale-dominantie een 'mooi' verhaal willen vertellen. Aan de andere kant kan men natuurlijk argumenteren dat het misschien wel een bruikbaar begrip is om het gedrag van een minderheid van de bevolking te verklaren. 


Agressie leidt tot meer agressie en irrationaliteit

Wanneer de agressie van de groep voldoende oplevert om royaal van te kunnen leven en andere groepen niet in actie komen om het gevaar in te dammen, lijkt er geen enkele reden te zijn voor de groep om met de agressie te stoppen.

In de praktijk hebben mobs echter de neiging steeds groter te groeien, steeds agressiever te worden en steeds minder goed te gaan functioneren. Aan de ene kant vernietigt men zijn productieve basis, aan de andere kant vernietigt men zijn omgeving, zodat de agressie steeds minder oplevert en tenslotte vernietigt de toenemende agressie ook de interne structuur van de groep.

Dit probleem van de alfa-route wordt in de bijbel uitgedrukt als: 'Wie het zwaard gebruikt, zal door het zwaard omkomen' (Matteüs 6:34). In theorie zou een machtige groep dankzij haar agressie in een rijke landbouw-samenleving lang een royaal leven moeten kunnen hebben. In werkelijkheid zit de menselijke agressie vast aan twee factoren waardoor men niet langer zuiver rationeel kan denken. Wat men op het punt van agressie gewonnen heeft, heeft men op het punt van rationeel denken moeten inleveren.


Het aantrekkelijke van de alfa-reactie

Waarom beweert Appelfeld over iets dat zo ingrijpend is als de Holocaust, onzin? Waarom beweert iemand die zelf de Holocaust ternauwernood heeft overleefd, daarna onzin over de Holocaust?

De Holocaust openlijk ontkennen, is iets wat veel mensen liever niet doen. Dat is te opvallend, dat kan problemen opleveren. Maar bijvoorbeeld beweren dat de Holocaust niet relevant is in een bepaald kader, gebeurt heel veel.

Op een blog als deze vormt de Holocaust, doordat die algemeen bekend is, een soort standaard voorbeeld van discriminatie en agressie. Dat is echter in de ogen van de meeste mensen geen aanbeveling, maar juist een negatief punt. Er zijn leukere dingen om over na te denken.

Voordat ik deze blog begon, schreef ik voor een transgender-blad stukjes. Toen die stukjes echter begonnen te gaan over discriminatie begon het opeens allemaal erg moeilijk te worden. Er moesten eerst overtuigender voorbeelden gegeven worden van discriminatie, vond de redactie, maar welk voorbeeld ik ook aanvoerde, in de optiek van de redactie was geen enkel voorbeeld overtuigend. Discriminatie bestond eigenlijk niet en als het wel bestond, dan zeker niet voor transgenders.

De cijfers wijzen echter op het tegenovergestelde, de mortaliteit ligt bij openlijke transgenders volgens het beschikbare onderzoek een paar keer zo hoog als normaal. Wie een groep transgenders over een periode van bijvoorbeeld 15 jaar volgt en vergelijkt met een vergelijkbare groep niet-transgenders, vindt in de groep transgenders enkele malen zoveel sterfgevallen als in de controlegroep.

Dat is geen opwekkende informatie, daar word je als transgender niet blij van. Dus bestaat die informatie eigenlijk niet, als de informatie wel bestaat, klopt die eigenlijk niet, vindt men. Het is foute informatie, die liefst verbrand moet worden en wanneer dat niet mogelijk is, vooral niet opgerakeld moet worden.

Dit doet denken aan het motorrijder-probleem. Motorrijden is nogal gevaarlijk, de mortaliteit ligt soms een dertig keer zo hoog als voor autorijden. Dat is voor een motorrijder vervelende informatie. Gelukkig geldt die nooit voor een bepaalde motorrijder, want iedere motorrijder weet zeker dat hij veel veiliger rijdt en op zo'n manier rijdt, dat er gewoon niets kan en zal gebeuren.

Toen ik als student rond 1970 een schilderij maakte om een muur te verlevendigen, zette ik daar in de linker-onderhoek klein de tekst van George Orwell uit 1984 op: 'the future, imagine a boot stamping on a human face forever'. Mensen vonden het een mooi schilderij, maar die tekst . . ., waar was die nu voor nodig. Die tekst bedierf het.

Kahneman zou dit systeem-1 denken noemen: snel denken, denken via de onderbuik. Je kunt het ook zachte informatieverwerking noemen. Zaken als de Holocaust, discriminatie, motorrijden en het citaat uit 1984 roepen negatieve gevoelens op. Dat is vervelend en daarom moeten die zaken weg. Laten we het over leukere dingen hebben.

Op dezelfde manier is het beweren van onzin over de Holocaust te verklaren. Het is gemakkelijk, het klinkt goed. Waarom zou men zich druk maken over iets onbenulligs als feitelijke juistheid? Het gaat om de sociale conversatie, de leuke babbel.

Systeem-1 werkt snel, automatisch en kost geen tijd en geen inspanning. Alles is voorgeprogrammeerd, men hoeft niet zelf meer te denken. Men hoeft alleen nog maar te handelen. Waarom ingewikkeld doen met systeem-2, langzaam en rationeel denken, als het snel en gemakkelijk kan?

Appelfeld heeft altijd geweigerd zich te verplaatsen in de daders. 'De nazi's beschouwden me als een insect. Dat soort mensen kan ik niet begrijpen.' Hij heeft gekozen voor de irrationele route, de benadering van de alfacultuur.

Vanuit die benadering schreef hij meer dan vijftig boeken, won hij vele prijzen en werd hij door Philip Roth beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers ter wereld. Die benadering heeft hem dus geen windeieren gelegd.

Appelfeld zat na de oorlog in een situatie dat er kennelijk een markt was voor verhalen over de Holocaust. Verder zal hij van huis uit ook ongetwijfeld door erfelijkheid en opvoeding het nodige hebben meegekregen.

Aan een kant kant men hem dus moeilijk de gang van zaken kwalijk nemen. Aan de andere kant resulteert de alfabenadering in gevaarlijke onzin over een belangrijk onderwerp.

Natuurlijk kan men zeggen, dat de lezer moet uitkijken. De lezer moet niet alles geloven, wat hem verteld wordt. De realiteit is echter dat schrijvers van fictie alleen kunnen bestaan door hun publiek van mensen die informatie passief verwerken of eventueel zacht.

Gezien vanuit de optiek van Appelfeld was zijn keuze begrijpelijk. Fictie schrijven over de Holocaust was de gemakkelijke optie. Appelfeld realiseerde zich vrijwel zeker ook het probleem niet. De Holocaust had diepe indruk op hem gemaakt en die emoties en indrukken vertaalde hij in fictie.

Je zit bij het kampvuur en de spreker vertelt een verhaal over wat hij heeft meegemaakt. Door de setting wordt het verhaal op punten wat mooier en op andere punten wat anders, dan de werkelijkheid ooit was. In de setting van het kampvuur doet het er niet toe en zal niemand zich er druk over maken.

Het probleem ontstaat doordat moderne mensen alleen de kampvuur-realiteit nog kennen. Vroeger moesten ze zelf het levensgevaarlijke oerwoud in, waar harde wetten golden. Het verhaal bij het kampvuur was leuk en gezellig geweest, maar in het oerwoud gold de harde wet van de jungle.

Voor mensen die echter in hun leven vrijwel nooit interactie hebben gehad met de harde natuur wordt het kampvuur-verhaal de enige werkelijkheid die men kent.

Zelfs dat is eigenlijk nog te veel gezegd, omdat men niet in staat is het kampvuur-verhaal hard te verwerken. Het kampvuur-verhaal laat daardoor in hun geest slechts een reeks emotionele koppelingen achter, waarop men zelf geen invloed heeft.

In feite verandert men daardoor in een emotioneel geprogrammeerde robot, voorbestemd om agressie te plegen. De kwaadaardige robotmens die Fromm in 1941 al zag en beschreef.


De bèta-reactie en de alfa-reactie

Het doel van deze blog is discriminatie/agressie te begrijpen en zo mogelijk te verminderen. De persoonsvariabele die discriminatie/agressie vrijwel volledig lijkt te verklaren, is de alfafactor of bevooroordeeldheid. Dit is tevens de factor die bepaalt in welke cultuur (alfa of bèta) men het meeste thuis is.

Wie zich vervolgens verdiept in de alfafactor ziet, dat deze factor de geneigdheid weergeeft om op een bepaalde manier te reageren. Maar zelfs volledige bèta's zullen in bepaalde gevallen nog steeds geneigd zijn om niet rationeel, dus sociaal/irrationeel, te reageren. Beide soorten reacties behoren dus in beginsel tot het repertoire van alle mensen.

Aan de ene kant is er de rationele bèta-reactie waarbij het fenomeen zorgvuldig bestudeerd wordt. Aan de andere kant is er de sociale alfa-reactie waarbij het fenomeen gezellig onderling besproken wordt en men vervolgens samen conclusies gelooft te trekken. Alfa's hebben het in dit verband over 'discussie'.

Bèta's plegen onderzoek om een probleem in kaart te brengen en de effectiviteit van oplossingen te onderzoeken, maar alfa's gaan het probleem samen gezellig bespreken en geloven op die manier de waarheid te achterhalen. Soms resulteert de gevonden waarheid vervolgens echter in zaken als een nieuwe holocaust. De alfa-reactie is niet alleen gezellig, maar ook de weg naar geweld.







vrijdag 12 januari 2018

Begrijpen mensen het kwaad als het in henzelf zit?


In de NRC van 5/1/2018 wordt bericht over het overlijden van Aharon Appelfeld. Hij overleefde de Holocaust en schreef daar veel romans over. Hij verwerkte zijn ervaringen dus tot fictie. In de termen van deze blog: hij hanteerde zachte informatieverwerking.

Ik begrijp uit wat ik ondertussen gelezen heb, dat Aharon of zijn romanfiguur, als kind, toen er ogenschijnlijk nog niets aan de hand was, opeens in panisch huilen uitbrak. Er klopte iets niet, er dreigde groot gevaar. Ja, dat is inderdaad hoe passieve informatieverwerking werkt.

Zijn ouders konden zich niet voorstellen dat Duitsers juist hen wilden vermoorden, omdat ze een sterke focus hadden op de Duitse cultuur. Ze dweepten met alles dat Duits was. En inderdaad, dat is hoe zachte informatieverwerking werkt. Uit het een, iets anders concluderen. Associatief gezien begrijpelijk, maar logisch gezien onzin.

De passage waar het mij echter om gaat, heeft betrekking op een scene uit zijn boek Badenheim 1939. In de zomer van 1939 verblijft een groep geassimileerde Joden in een Oostenrijks kuuroord. Ze komen daar al jaren, maar ditmaal wordt iedereen naar Polen vervoerd. Dat veroorzaakt geen paniek.

Mensen vinden die beschrijving 'surrealistisch' als ik de NRC mag geloven. Appelfeld merkte in een interview in 2005 tegen de NRC op: 'Hun naïviteit is realistisch. Mensen begrijpen het kwade niet. Alleen als het in henzelf zit.'

Dat zijn gevleugelde woorden. De eerste twee zinnetjes lijken me te kloppen, maar het derde niet. Appelfeld denkt gemakshalve dat mensen die kwaad doen, zelf begrijpen waarom ze dat kwaad doen. In zijn algemeenheid gaat dat niet op.

Ruwweg hebben we drie groepen mensen die kwaad doen. Van die drie groepen is er hooguit één die heel goed weet, wat men aan het doen is en waarom. Die groep wordt echter vermoedelijk ook het meest afgeremd door dat ingebouwde zelfinzicht. Ik doel hier op de groep van de bèta-gamma's.

De twee overige groepen die kwaad doen, hebben geen last van die ingebouwde beperkingen, maar hebben ook absoluut geen idee van wat ze precies aan het doen zijn. Strikt genomen zijn het mensen die wel babbelen, maar geen echte 'ideeën' hebben. Ze leven in een sociaal verbale werkelijkheid. Ze hebben geen toegang tot de feitelijke werkelijkheid. Ze hebben geen zelfkennis, ze hebben geen zelfinzicht. Hun eigen gedrag is een onbegrijpelijk iets voor hen. Ik doel nu op het autoritaristische deel van de samenleving: de double-highs of alfa's en de alfa-gamma's, de gewone volgelingen/gelovigen.

Waarom beweer je over iets dat zo ingrijpend is als de Holocaust, onzin?

Appelfeld heeft altijd geweigerd zich te verplaatsen in de daders. 'De nazi's beschouwden me als een insect. Dat soort mensen kan ik niet begrijpen.' Hij heeft gekozen voor de irrationele route, de benadering van de alfacultuur.

Vanuit die benadering schreef hij meer dan vijftig boeken, won hij vele prijzen en werd hij door Philip Roth beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers ter wereld. Die benadering heeft hem dus geen windeieren gelegd.

Maar diezelfde benadering heeft ook tot de Holocaust geleid. De benadering die in de tijd van het Oude Testament nog als volstrekt verwerpelijk werd gezien, was in de tijd dat de Koran tot stand kwam al heel normaal. Tegenwoordig is de benadering die tot de Holocaust leidde, reden om prijzen uit te reiken.

Wie op internet gaat zoeken op een term als 'discriminatie' vindt precies hetzelfde. Overal propaganda, reclame, mands. Het hele idee dat men een probleem rationeel zou kunnen benaderen, dat men onderzoek zou kunnen doen, is vrijwel volledig uit de cultuur verdwenen.

Het kwaad is volop aanwezig, maar de meeste mensen zijn kennelijk niet in staat het te zien. In hun optiek gaat het om het krachtdadig bestrijden van het kwaad. Maar wanneer dat kwaad in jezelf zit, terwijl je het ook nog eens niet ziet, wordt dat best lastig.

Ik denk dat het moet gaan om het leren begrijpen van het kwaad en het leren zien van het kwaad. 







Hoe groter geest, hoe groter beest?


Max Pam bespreekt in de Volkskrant van 10 januari 2018 het resultaat van een maand film kijken. De film die de meeste indruk op hem heeft gemaakt, is Wonder Wheel van Woody Allen.

Hij schrijft: 'Opmerkelijk, want de film heeft hoofdzakelijk matige recensies gekregen. Toch was ik geneigd de film een meesterwerk te vinden, vooral door de grandioze rol voor Kate Winslet.'

Ik vind dat een mooie formulering. Hij vertelt dat de film matige recensies heeft gekregen, maar daar trekt hij zich niet al te veel van aan. Zo hoort het, wat mij betreft, ook.

Vervolgens komt het onderwerp Woody Allen ter sprake en de problematische relatie met Mia Farrow en andere kwalijke zaken. Hij schrijft dan: 'Enfin, wat hebben die twee er een tragische rotzooi van gemaakt met al hun echte en aangenomen kinderen.'

Daarna gaat hij door met: 'Hoe groter geest, hoe groter beest.' Ik vind dat een mooie uitspraak om te horen, het rijmt, het klinkt geweldig, maar klopt die uitspraak ook?

Mijn eerste reactie was dat de uitspraak beslist niet klopte, maar in tweede instantie ben ik daar niet meer helemaal zeker van.

Bij nazoeken op internet blijkt het een al een vrij oud spreekwoord te zijn. Ik vind het volgende.

-----
Hoe grooter geest, hoe grooter beest.‘De ondervinding heeft dikwyls geleert, dat de schranderste vernuften en grootste konstenaars, de ongebondenste lichtmissen zyn: waaruit dit spreekwoord gesproten is’ zegt Tuinman I, 202, naar aanleiding van het spreekw. de grootste geesten, de grootste beesten. Bij Goedthals, 63: Hoe meerder constenaer, hoe meerder dueghniet, bons ouvriers sont gaudisseurs et peu riches; Bank. I, 12: De gauste geesten werden dickwils de grootste beesten; ook II, 256; Harreb. I, 42 a; Ndl. Wdb. IV, 729. Syn. van hoe grooter schilder, hoe wilder (Smetius, 61); hoe geleerder hoe verkeerder (Spieghel, 128; Ndl. Wdb. IV, 1099; Wander I,1532). In Zuid-Nederland: hoe grooter geest, hoe grooter of meerder beest; fri.: ho greater geest ho greater beest; Eckart, 147: hoe grôter Gêst, hoe grooter Bêst.
-----
Op woorden.org vind ik echter een wat minder letterlijke interpretatie: wel verstandig, maar daarom niet goedhartig.

Klopt de uitspraak of klopt die niet? Het probleem is: wat bedoel je precies met een grote geest?

Als we het hebben over een rationeel denkende double-low of bèta lijkt die uitspraak me niet echt te kloppen. Dat betekent niet dat er met double-lows niet het nodig mis zou kunnen zijn, maar in doorsnee zijn ze niet vooringenomen en niet agressief. 

Als we het hebben over een irrationeel denkende double-high of alfa lijkt die uitspraak me volkomen correct. In het Griekse drama Ifigeneia in Aulis van Euripides offert Agamemnon zijn dochter om maar met de vloot uit te kunnen varen voor een onzekere strooptocht en verzint vervolgens een belachelijk verhaal om zijn vrouw tevreden te houden (hier).

Euripides heeft het soort mens waar het om gaat, kennelijk scherp geobserveerd. Het lijkt een fantastisch verhaal, maar de werkelijkheid zou nog wel eens donkerder kunnen zijn.

Wie dus oppervlakkig kijkt, zoals autoritaristen normaal doen, ziet inderdaad voortdurend grote geesten, kwalijke dingen doen.

Wie echter dieper kijkt, ziet dat er met het denken van die veronderstelde 'grote geesten' iets zwaar mis is. Het probleem is natuurlijk dat autoritaristen dat niet goed kunnen, omdat ze -- op een of andere manier: geleerd of aangeboren -- niet verder kijken dan de oppervlakte.

Ik denk ook dat autoritaristen zich dat probleem soms realiseren. Iemand die ik voor autoritaristisch houd, heeft mij tenminste wel eens verzekerd dat hij mijn denken niet kon volgen. Ik dacht vreemd. Ik had toegang tot een wereld, die voor hem afgesloten was. En ik begreep dat dat iets van jalouzie opwekte.

Dat zou ook het verhaal van Plato verklaren. Plato komt met het in bèta-ogen vreemde verhaal dat hij achter de waarneembare werkelijkheid kan kijken door zijn bijzondere gaven. Kennelijk heeft hij zich gerealiseerd dat andere mensen toegang hadden tot een wereld die voor hem afgesloten was en zag hij onmiddellijk de mogelijkheid om dat als mand (commando) te gebruiken. Hij was een van die mensen die over die bijzondere gave beschikten.

In werkelijkheid valt uit zijn manier van schrijven en denken af te leiden, dat hij goed met woorden kon goochelen, maar dankzij dat vermogen kennelijk geen toegang had tot de harde wereld van de feiten.

 





woensdag 10 januari 2018

Discriminatie/agressie en informatieverwerking


Laatst aangepast op 12/1/2018 om 1:40.


De drie manieren van informatieverwerking, die uit de gedragsanalytische basisprincipes volgen, leiden opmieuw tot het eerder gevonden vereenvoudigde soortenmodel.


Het vereenvoudigde soortenmodel

Het soortenmodel is volledig gebaseerd op empirisch onderzoek met (overwegend) vragenlijsten. Het gaat daarbij om drie variabelen: bevooroordeeldheid (prejudice) als maat voor geneigdheid tot discriminatie/agressie, sociale dominantie (SDO-schaal) en autoritarisme (RWA-schaal).

De basis voor het soortenmodel is het 'vreemde' empirische resultaat dat sociale dominantie en autoritarisme, hoewel onderling vrijwel ongecorreleerd, samen in staat zijn discriminatie/agressie (gemeten als prejudice) vrijwel volledig te voorspellen.

Het soortenmodel stelt dat er vier soorten mensen te onderscheiden zijn qua respectievelijk sociale dominatie en autoritarisme:
1. laag/laag (double-lows of bèta's);
2. laag/hoog (gewone volgelingen/gelovigen of alfa-gamma's);
3. hoog/laag; (pseudo volgelingen/gelovigen of bèta-gamma's);
4. hoog/hoog (double-highs of alfa's).

Deze vier soorten mensen leveren door hun aard een machtige en agressieve groep bestaande uit een leider met zijn elite (alfa's) en zijn aanhang van gamma's (2 en 3). Buiten de machtige groep bevinden zich de bèta's die gericht zijn op productie en het oplossen van praktische problemen.

Dit levert twee verschillende culturen op: een hoge, hiërarchische alfacultuur (4+2+3) en een lage, egalitaire bètacultuur (1) die zich onderscheiden door hun mate van agressie (bevooroordeeldheid/prejudice). De alfa's zijn uitermate agressief, de bèta's zijn niet of amper agressief.

De hoge cultuur kan alleen bestaan door de productie van de lage cultuur af te romen, maar produceert zelf niet of amper.


De drie manieren van informatieverwerking leiden ook tot het soortenmodel

Zachte informatieverwerking heeft alleen zin in combinatie met passieve informatieverwerking. De spreker gebruikt zachte informatieverwerking om een mand te construeren, en gebruikt die mand vervolgens om via passieve informatieverwerking zijn publiek te manipuleren.

Wanneer het publiek ook harde informatieverwerking zou toepassen, zou de manipulatieve boodschap niet overkomen. Het publiek moet zich dus beperken tot passieve informatieverwerking, anders heeft de mand geen zin. Er is dus een publiek dat vrijwel alleen passief informatie verwerkt.

Dat publiek trekt vooral mensen aan, die informatie zacht verwerken. Aan de ene kant levert de spreker wat het publiek wil horen, aan de andere levert het publiek de spreker invloed, status en macht op.

Er is echter ook nog harde informatieverwerking. Harde informatieverwerking is de enige manier waarop informatie daadwerkelijk verwerkt wordt.

Bij zachte informatieverwerking is er geen enkele noodzaak de feitelijk juiste informatie uit de informatiestroom te filteren. Men filtert de informatie op bruikbaarheid als mand. De feitelijke juistheid van de informatie doet in dat verband niet ter zake.

Dat betekent dat voor interactie met de harde natuur harde informatieverwerking de enige serieuze optie is. Zo lang iedereen interacteert met aan de ene kant de harde natuur en aan de andere kant de sociale omgeving zal iedereen dus alle drie methodes van informatieverwerking hanteren.

Na de uitvinding van de landbouw vervalt die noodzaak en specialiseert zich een deel van de samenleving in harde informatieverwerking en een ander deel in zachte en passieve informatieverwerking.

In de sociale omgeving heeft degene die spreekt, die zachte informatieverwerking hanteert, het overwicht, doordat hij/zij manipuleert, terwijl de ander door de passieve verwerking emotioneel gemanipuleerd wordt. De spreker verwerft dus controle over de emoties en associaties van het passief luisterende publiek.

In totaal ontstaan dan drie 'groepen' waarvoor minimaal twee variabelen vereist zijn. De eerste variabele maakt het onderscheid tussen harde informatieverwerking enerzijds en zachte/passieve informatieverwerking anderzijds. Dit is het onderscheid tussen respectievelijk laag en hoog autoritarisme.

De tweede variabele maakt het onderscheid tussen zacht informatieverwerking enerzijds en passieve informatieverwerking anderzijds. Dit komt overeen met respectievelijk hoog en laag scoren op sociale dominantie.

Deze twee benodigde variabelen leveren daarmee weer alle vier soorten van het soortenmodel op:
1. overwegend gebruik van tacts -- overwegend receptief  (bèta's);
2. gebruik van tacts en mands -- overwegend productief  (bèta-gamma's);
3. overwegend gebruik van mands -- overwegend receptief  (alfa-gamma's);
4. overwegend gebruik van mands -- overwegend productief  (alfa's).

Te verwachten valt dat bèta-gamma's door hun grote drive de top te bereiken ook mands zullen gebruiken om sociaal vooruit te komen. Daarnaast zullen ze echter ook nog steeds het vermogen hebben om tacts te hanteren.


Conclusie

Dit verband tussen de drie methodes van informatieverwerking en het empirisch gevonden soortenmodel lijkt te mooi om toeval te kunnen zijn. De vraag is dus: wat was er eerst?

De drie verschillende methodes voor informatieverwerking zijn bij jagers/verzamelaars al aanwezig. Pas na de uitvinding van de landbouw werd het kennelijk interessant zich te specialiseren in een bepaalde methode van informatieverwerking. Het soortenmodel maakt duidelijk wat voor de betrokkenen het voordeel was.

De conclusie moet kennelijk zijn dat de drie verschillende methodes van informatieverwerking de basis vormen van het soortenmodel. Wie discriminatie/agressie wil begrijpen, moet focussen op de manier waarop informatie verwerkt wordt.

De op discriminatie en agressie gerichte alfacultuur hanteert zachte informatieverwerking in combinatie met passieve informatieverwerking. De niet-agressieve bètacultuur hanteert bij voorkeur harde informatieverwerking.






De bijbel en C.P. Snow over de alfafactor


Laatst aangepast op 11/1/2018 om 5:11.


Het onderzoek naar de factor die maakt dat mensen de lokroep van de strongman niet kunnen weerstaan is -- zou men kunnen zeggen -- begonnen in 1941 met de publicatie van Escape from Freedom van Erich Fromm (hier).

Sinds kort lijkt duidelijk te zijn dat de alfafactor (bevooroordeeldheid/prejudice) de factor is, waarmee de strongman trekt (1). Daarnaast vormt deze factor natuurlijk ook het verschil tussen alfa's (double highs) en bèta's (double-lows) (2).

De alfafactor is ook de maat die normaal gebruikt wordt om agressie te meten (3).  Daarnaast kan men de alfafactor nog interpreteren als maat voor irrationaliteit (4) en als maat voor gerichtheid op mensen (5).

Uit empirisch onderzoek is bekend dat de alfafactor bestaat uit twee vrijwel ongecorreleerde bestanddelen: sociale dominantie (6) en autoritarisme (7). Het eerste is het streven naar macht, het tweede is het streven te behoren tot een groep.

Uit vergelijking van teksten uit beide culturen blijkt verder dat alfa's dogmatisch denken in plaats van inductief (8). Verder hanteert men bij voorkeur mands (commando's) in plaats van tacts (beschrijvingen) (9). Tenslotte hanteert men subjectieve waarheid in plaats van objectieve waarheid (10).

Bij het nagaan hoe mensen informatie verwerken, blijken alfa's informatie zacht en passief te verwerken in plaats van hard (11).

De alfafactor geeft kennelijk aan op welke wijze men informatie verwerkt, denkt en reageert. Men zou het ook, in navolging van Daniel Kahneman, de snel-denk-factor kunnen noemen. Alfa's denken snel, dat wil zeggen via emoties. Bèta's denken langzaam via bewust en gericht nadenken.

Hoe lang is de alfafactor al bekend, kan men zich afvragen. Ik laat hierna zien dat de auteurs van het Oude Testament, in dit geval Exodus, zich al van het onderscheid bewust moeten zijn geweest.

Daarna laat ik zien dat C.P. Snow in 1956 drie grote verschillen zag tussen alfa's en bèta's. Deze drie verschillen zijn inmiddels bij onderzoek teruggevonden.


De bijbel en de alfafactor

Naar aanleiding van de vraag naar de afschaffing van de slavernij, viel het me op, dat het bijbelwoord (Exodus 20:5, hier) stelt, dat God de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in de derde en vierde generatie van hen die God haten. Je moet dan dus denken in een termijn van ongeveer honderd jaar. In werkelijkheid zou het als het om slavernij gaat, weleens heel wat langer kunnen duren voordat de kwalijke effecten van de grootheidswaan van de slavenhouders uitgewerkt zijn, vrees ik.

Dit bijbelfragment bevat echter een merkwaardige passage waarvan vrijwel niemand -- bij zoeken op internet -- goed lijkt te begrijpen wat er precies mee bedoeld wordt. Het fragment handelt namelijk over wandaden van mensen die God haten. Letterlijk: 'dergenen, die Mij haten.' Welke mensen worden daarmee precies bedoeld?

Mensen met een christelijke opvoeding blijken de vraag 'Wie zijn die godhaters?' vaak te beantwoorden met: 'ongelovigen'. Iemand die echter niet gelooft in 'God', kan hem moeilijk haten.

Bij zoeken op internet blijken er ook nu nog godhaters te bestaan. Mensen die negatieve gebeurtenissen hebben meegemaakt en daar God voor verantwoordelijk stellen. Men gelooft dus wel in God, maar men is kwaad op hem. Men is verontwaardigd over, hoe men door hem behandeld is.

Aan een dergelijke reactie zitten meerdere aspecten:
1. het is een emotionele reactie;
2. het is een impulsieve, snelle reactie;
3. het is een negatieve reactie;
4. het is een irrationele reactie;
5. het is een agressieve reactie;
6. het is een 'sociale' reactie (men ziet de natuur als mens);
7. het is een mand (commando: 'behandel me beter!');
8. men hanteert subjectieve waarheid ('Ik zeg het, dus het is zo!');
9. men denkt vanuit zijn ik naar buiten (dogmatisch) in plaats van omgekeerd ('Ik weet hoe ik behandeld behoor te worden, dit lijkt nergens op!' Behandel me beter of je hebt mot!);
10. men verwerkt de informatie associatief en zacht (de als negatief ervaren werkelijkheid wordt vertaald in een boos commando aan de tegenwerkende God, maar wat er precies gebeurd is, onttrekt zich ondertussen aan de waarneming en het bewustzijn van de spreker);
11. men ziet zichzelf als hoger dan God.

Dit is kortom een typische alfa-reactie: emotioneel, impulsief, negatief, irrationeel, agressief en niet de reactie van iemand die focust op de natuur, maar die focust op mensen. Verder ziet men zichzelf als superieur, ziet men niet wat er precies gebeurd is en gaat men volledig uit van zijn eigen overtuiging en gelijk.

Gelovigen/autoritaristen zijn geneigd niet te lezen. Wanneer men wel leest, leest men passief. Vervolgens vormt men de tekst om, zodat men die kan gebruiken voor een persoonlijk doel. Mocht men een helder moment hebben, dan is het in iedere geval volstrekt onvoorstelbaar dat een tekst met een ernstige waarschuwing betrekking zou kunnen hebben op zo'n bijzonder, edel en uitverkoren mens als men zelf denkt te zijn.

Wie echter de hele tekst leest (Exodus 20), ziet dat met 'God' de externe werkelijkheid wordt bedoeld. 'God' in de betekenis die Einstein aan het woord toekende: de Natuur.

Bèta's zijn kennelijk geneigd 'God' te interpreteren als de 'Natuur'. Ze zien er geen persoon in, maar het gigantische heelal dat ze niet kunnen bevatten en nog minder volledig kunnen controleren. Ze kunnen het hoogstens een beetje proberen te begrijpen en zo goed mogelijk wat eten bij elkaar scharrelen.

Alfa's zijn echter niet gericht op de natuur, maar op mensen. Ze zijn daardoor geneigd de natuur te interpreteren als het werk van een machtig persoon die de baas is over alles. Als er dus dingen misgaan, is dat toe te schrijven aan die machtige persoon. Een idee dat een bèta verwilderd naar de hemel doet kijken met een blik van: 'Lieve Heer, wat heeft u nu weer in elkaar geprutst?'

Er waren dus in de tijd dat het bijbelverhaal gemaakt werd, kennelijk mensen die de Natuur/God zagen als iets oppermachtigs, dat gerespecteerd, omarmd en begrepen moest worden. En er waren mensen die van dat idee niets moesten hebben, omdat ze de natuur zagen als het werk van een machtig persoon, genaamd God, die verantwoordelijk was voor alle ellende waar men in zat.

Aan de ene kant waren er dus mensen die vonden, dat je blij moest zijn met wat je had, ook al viel dat misschien vergeleken met vroeger zwaar tegen. Aan de andere kant waren er mensen die uiterst ontevreden waren over de situatie en een zondebok zochten om hun woede te koelen.

Een volgend punt dat dan opvalt, is dat de auteur kennelijk een probleem met de normen en moraal ziet. Men moet zich normaal en fatsoenlijk gedragen is waar veel van de geboden op neerkomen. De ontevredenen waren kennelijk zo kwaad dat ze het met de normen ook niet altijd even nauw namen. Ook dit wijst erop dat de ontevredenen alfa's waren. Alfa's beschikken niet over ingebouwde normen doordat ze in mands denken.

Een specifiek punt in dit verband is ook het verbod op begeerte, op hebzucht. Een punt dat typerend is voor sociale dominantie. Een ander punt is het verbod op beelden. Kennelijk duidelijk gericht tegen autoritaristen.

Wat aan deze bijbeltekst verder opvalt, is dat de schrijver uiterst summier is over de mensen die deze -- in zijn ogen volstrekt foute -- reactie vertonen. Hij doet geen aanval op ze, maar hij voorspelt slechts dat hun gedrag op termijn eindeloze narigheid zal opleveren. Hij blijft dus consequent een rationele benadering volgen. 'Je kunt dat wel doen, maar dan . . .'

Het is in dit verband mogelijk dat de auteur zich op dit punt inhield, omdat hij geen problemen wilde met deze mensen. Afgaande op de irrationele reactie ging het om alfa's die onweerstaanbaar worden aangetrokken door macht. Indien men zich bevond in ballingschap waren dit de mensen die probeerden bij de machthebbers in het gevlij te komen. Verder hebben alfa's geen last van ingebouwde normen. Er was dus in hun optiek geen enkele reden om niet de gunst van de eerdere vijand te zoeken.

Waarom was de manier waarop men God zag voor de schrijver zo'n belangrijk punt, kan men zich afvragen. In moeilijke situaties staan er voor mensen twee totaal verschillende routes van reageren open: de alfa- en de bètareactie. De eenvoudigste reactie is de emotionele route te kiezen. Een zogenaamde systeem-1 reactie: reageren vanuit de onderbuik. Wat Daniel Kahneman 'snel denken' noemde.

De andere route is veel moeizamer, vergt veel meer inspanning en kost veel meer tijd, maar levert op termijn vaak ook veel meer op: nadenken, je verstand gebruiken. De schrijver van de bijbeltekst beveelt in feite deze systeem-2 reactie aan. De reactie die Daniel Kahneman omschreef als: 'langzaam denken'.

Accepteer de werkelijkheid zoals die is, bestudeer die zorgvuldig en hou vast aan onze waarden en normen. Kennelijk is de bijbeltekst tot stand gekomen in een tijd dat men als samenleving onder grote druk stond.

Deze bijbeltekst laat ook zien, dat de auteur wortelde in een samenleving waarin rationeel denken, de bètareactie, in hoog aanzien stond. Kennelijk was men meer gericht op productie dan op agressie.

De bijbelse vermaningen waren vermoedelijk goed bedoeld, maar het is de vraag in hoeverre ze daadwerkelijk effectief waren, speciaal bij het autoritaristische deel van de doelgroep. Het deel dat slechts passief luistert en dat negatieve informatie nooit op zichzelf betrekt.

Aan de andere kant lijkt het aannemelijk dat geloofsgroepen die bijbelstudie omarmen, qua empirisch wetenschappelijke attitude een duidelijk voordeel hebben. Mogelijk heeft de regelmatige verkondiging van deze boodschap dus toch invloed op de manier van denken en in het leven staan.


Snow over de problemen van alfa's

C.P. Snow beschreef in 1956 (hier) vermoedelijk als eerste de problemen van alfa's in vergelijking met bèta's. Hij baseerde zich aan de ene kant op wat hij gezien had bij de empirische wetenschappers waar hij meegewerkt had en aan de andere kant op wat hij zag en hoorde bij de literaire wetenschappers, waar hij later als schrijver tussen terechtkwam.

Allereerst hebben bèta's volgens Snow een open mind (open geest) en een bepaalde instelling. Ze beschikken over een soort pioniersmentaliteit. Ze zijn gericht op de wereld en zijn geneigd ieder probleem als een uitdaging te zien. Alfa's hebben volgens Snow kennelijk een closed mind (gesloten geest) en dat klopt helemaal, met wat er op dit punt via onderzoek bekend is. Men denkt zeer dogmatisch en is extreem agressief.

Ten tweede hebben alfa's een intellectueel probleem. Alfa's missen het vermogen empirische wetenschap te begrijpen. Ze zijn in dit opzicht toondoof, aldus Snow. In mijn termen: ze kunnen niet goed in tacts denken en hebben problemen met zindelijk denken. Ook dit punt is door het beschikbare onderzoek uitvoerig bevestigd.

Het belangrijkste verschil volgens Snow is echter de moraliteit: de kennis van goed en kwaad. Alfa's missen ingebouwde absolute normen. Men mist het gevoel voor wat nog wel kan en wat niet meer. Men ziet alles als relatief. Alles moet kunnen.

Alfa's denken in hiërarchische relaties. Men ziet de samenleving als een piramide waarin het erom gaat de top te bereiken. Daarbij ziet men zichzelf aan de top van de piramide. Men ziet zichzelf als God. Hoewel men voor zichzelf geen normen hanteert, legt men het eigen waarde-oordeel zo mogelijk wel dwingend op aan anderen. Alfa's voelen zich aangetrokken tot fascisme, zag Snow.

Bèta's geloven daarentegen in egalitaire relaties tussen mensen, maar zien de Natuur/God als hoger dan zichzelf. Ze beschikken daardoor over ingebouwde moraliteit. Van fascisme moeten ze niets hebben.

Ook dit punt van Snow is in het beschikbare onderzoek bevestigd. Alfa's zien de wereld als een strijdtoneel. Men is extreem agressief en bevooroordeeld en vergaand irrationeel. Men denkt in groepen en het doel is het verwerven van de absolute macht.

Kortweg zijn de problemen van alfa's als volgt. Men heeft een foute instelling doordat men gericht is op het bereiken van de top. Men heeft problemen met logisch en zuiver denken. Tenslotte beschikt men niet over een ingebouwd gevoel voor goed en fout: men is corrupt.

Op basis van wat er inmiddels bekend is over de alfafactor (de twaalf punten van Altemeyer en mijn elf punten) lijkt Snow scherp te hebben waargenomen. Hij vermoedde toen vermoedelijk niet, dat het verschil dat hij dacht te zien tussen beide soorten wetenschappers, een verschil zou blijken te zijn tussen mensen in het algemeen.