Onregelmatig periodiek over empirisch onderzoek naar discriminatie en agressie
Onze missie: -- "To boldly go where no man has gone before!" --
Onderwerpen: discriminatie, meten van fascisme, F-schaal, rechts autoritarisme (RWA), sociale dominantie (SDO), bevooroordeeldheid (prejudice), systeem 1 vs systeem 2 denken (snel denken vs langzaam denken)
Dr. Mik van Es -- psycholoog, psychometricus
dinsdag 10 juli 2018
De empirische theorie van fascistische systemen
Laatst bijgewerkt: 17/7/2018 om 4.31
Wat is fascisme? Hoe moeten we fascisme definiëren? Wat is er bekend over fascisme? Is 'fascisme' vooral een scheldwoord? Wie op internet gaat zoeken naar informatie over fascisme komt terecht in een brei van wollige teksten. Vaak is onduidelijk op welke evidentie de beweringen in die teksten precies gebaseerd zijn. Gaat het slechts om opinies van de hooggeleerde auteur of gaat het om beweringen gebaseerd op daadwerkelijke waarnemingen?
Deze verwarring is jammer en onnodig. Het empirische onderzoek naar fascisme is al begonnen tijdens de Tweede Wereldoorlog en heeft uiteindelijk duidelijke en heldere resultaten opgeleverd, denk ik. Maar vallen die resultaten beknopt te communiceren? Mensen hebben weinig tijd, weinig motivatie en willen snel. Ze hebben dus geen zin in ellenlange verhalen.
Tegelijkertijd is die beknoptheid voor onderzoekers en wetenschappers ook van groot belang. We hebben meer te doen. Verder valt een beknopte theorie eenvoudiger te toetsen en bij te stellen dan een vage, complexe theorie. Eerder formuleerde ik al het soortenmodel, maar inmiddels zijn we weer een stukje verder. Daarom hier een nieuwe poging kort samen te vatten, wat er bekend lijkt te zijn op basis van het empirische onderzoek naar fascisme en discriminatie. Om het beestje een naam te geven, duid ik het aan als de Empirische Theorie van Fascistische Systemen (ETFS).
Het doel van de Empirische Theorie van Fascistische Systemen
Een theorie probeert iets te verklaren, beter nog: te voorspellen. Wat probeert de ETFS te voorspellen?
Fascisme is een verschijnsel dat we kennen uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog dat vaak beschreven is. Zelf vind ik de beschrijving van Umberto Eco goed (hier). Hij is leesbaar, begrijpelijk en helder. Verder geeft hij 14 concrete punten.
En hij merkt op: 'the fascist game can be played in many forms, and the name of the game does not change.' Fascisme kan in veel verschillende vormen gebracht worden, maar het blijft allemaal fascisme.' Met andere woorden: staar je niet blind op de details.
Eco probeert een soort handleiding te geven om fascisme te herkennen. Het doel van de ETFS is echter duidelijk te maken waardoor een fascistische samenleving, een fascistisch systeem, ontstaat. Waardoor dat fascistische systeem tenslotte aan haar einde komt. En wat we kunnen doen om te voorkomen dat dit soort systemen ontstaat. Het laatste doel is misschien op dit moment nog wat te hoog gegrepen. Misschien is het beter om te zeggen dat de ETFS moeten helpen om te begrijpen waardoor een fascistisch systeem ontstaat, wat het drijft en in stand houdt en waardoor het tenslotte in elkaar stort.
De ETFS
Hier komt mijn formulering van de ETFS.
1. De basisvariabelen zijn autoritarisme en sociale dominantie.
Het ontstaan van een fascistisch systeem vindt plaats wanneer de mensen in een samenleving gemiddeld hoog scoren op de twee basisvariabelen die ten grondslag liggen aan fascistische systemen: autoritarisme (de RWA-schaal) en sociale dominantie (de SDO-schaal).
Autoritarisme is de neiging van mensen hun toevlucht en bestaan in een groep te zoeken. Sociale dominantie is de drijfveer om ten koste van alles macht te verwerven (leider van de groep te worden). Anders geformuleerd: qua status zo hoog mogelijk te komen.
Het gaat om twee variabelen die beide betrouwbaar gemeten kunnen worden. Dat betekent dat er mensen zijn die laag scoren op een van beide variabelen. Verder zijn er ook mensen die op beide variabelen laag scoren. Omgekeerd zijn er ook mensen die op een van de twee variabelen hoog scoren, terwijl sommige mensen op beide variabelen hoog zullen scoren.
In totaal levert dit vier groepen op: double lows (bèta's), sociaal submissieve autoritaristen (volgelingen/gelovigen), sociaal dominante niet-autoritaristen en double highs (alfa's). De autoritaristen (volgelingen/gelovigen en alfa's) zoeken veiligheid en macht in de groep. Ze zoeken elkaar op en klitten. Dit levert een machtige groep onder leiding van een alfa. Dit trekt vervolgens sociaal dominante niet-autoritaristen aan ('men of action') die aan de ene kant scherp kunnen denken, maar aan de andere kant ook ten koste van alles vooruit willen komen in het leven.
Deze twee variabelen resulteren dus voor een samenleving in een machtige groep met daarbuiten een relatief kleine groep van zelfstandige, individualistische, vrijdenkende bèta's die niet gericht zijn op groep en macht.
2. Bevooroordeeldheid is de centrale variabele
De twee basisvariabelen bepalen samen (vrijwel volledig) de centrale variabele van het fascistische systeem: bevooroordeeldheid (prejudice). Bevooroordeeldheid wordt gemeten door uitspraken over (leden van) andere groepen te laten beoordelen.
Bevooroordeeldheid heeft meerdere petten op, zou je kunnen zeggen. Allereerst meet het de geneigdheid tot discriminatie en agressie (1). Verder is het ook de variabele waarmee de leider, de strongman, volgelingen aantrekt (2). Mensen die laag scoren, zien niets in de strongman en zijn verhaal. Mensen die hoog scoren, geloven zijn verhaal en zijn geneigd achter hem te gaan staan. Deze koppeling tussen agressie en enthousiasme voor de strongman lijkt niet zo vreemd: de strongman kan alleen bestaan dankzij discriminatie en agressie en voor dat doel heeft hij een leger van gelijkgestemden nodig die bereid zijn tot agressie als hij daartoe opdracht geeft.
Een volgende manier om bevooroordeeldheid te interpreteren is het op te vatten als maat voor irrationeel geloof (3). Mensen die hoog scoren, geloven bepaalde zaken zonder dat daar deugdelijke evidentie voor bestaat. Ze weten het zeker, maar ze ontlenen hun zekerheid niet aan deugdelijke waarnemingen, maar aan de uitspraken van hun leiders en hun mede groepsleden.
Bevooroordeeldheid kan ook opgevat worden als gerichtheid op andere mensen in plaats van op de harde natuur (4). Omdat bèta's laag scoren en alfa's hoog en bevooroordeeldheid het verschil tussen deze twee groepen het beste in beeld brengt, kunnen we bevooroordeeldheid ook aanduiden als de alfabèta-factor (5). Het is de variabele waarop alfa's en bèta's maximaal verschillen.
Tenslotte kunnen we bevooroordeeldheid natuurlijk ook nog koppelen aan de basisvariabelen: autoritarisme en sociale dominantie. Bevooroordeeldheid is dan een maat voor het denken in termen van groep (6) en macht of status (7).
Wanneer bevooroordeeldheid de centrale variabele is in een fascistisch systeem, dan betekent dat, dat er mensen zijn die niet of vrijwel niet bevooroordeeld zijn (bèta's) en dat er mensen zijn die extreem bevooroordeeld zijn (alfa's). De twee overige groepen vallen daar tussenin. De volgelingen/gelovigen blijken bevooroordeeld, de 'men of action' nog belangrijk meer.
3. Twee conflicterende culturen: bèta en alfa.
Vanuit het gegeven dat de machtige groep onder leiding van haar alfa-leider extreem agressief is en de individuele bèta's zich altijd buiten de machtige groep bevinden, zijn zij de eerst in aanmerking komende slachtoffers. Bèta's moeten zich dus onder uiterst moeilijke omstandigheden staande houden. Ze doen dat door maximaal te produceren en onderling informatie uit te wisselen en zo ver mogelijk in de toekomst te kijken.
De machtige groep is hiërarchisch opgebouwd en bestaat uit de leider met zijn elite van alfa's. Eric Hoffer noemde deze groep in The True Believer: 'men of words' (hier). Mensen die de gave van het woord hebben. Mensen die een menigte kunnen bezielen. Aan de basis van de groep bevindt zich het leger van de leider: de (submissieve) volgelingen/gelovigen. Mensen die geloven wat hen van hogerhand verteld wordt. Hoffer noemde deze groep: 'fanatici.' De middenlaag wordt gevormd door, wat hij noemde: 'men of action'. Mensen die ten kost van alles macht willen, maar die geen autoritarist zijn (niet goedgelovig zijn en wel zelfstandig en scherp kunnen denken).
4. Twee manieren van overleven: productie versus agressie
De bètacultuur probeert te overleven door maximaal te produceren. Men maakt zichzelf als het ware onmisbaar.
De alfacultuur of machtige groep overleeft door het uitoefenen van macht en geweld. Individuele bèta's zijn de eerst in aanmerking komende slachtoffers. Hun productie wordt afgeroomd, eventueel worden zij vervolgd. Vervolgens richt de agressie zich op andere minderheidsgroepen en afwijkende individuen. Tenslotte worden andere samenlevingen aangevallen. Ook kan de agressie zich gemakkelijk richten op leden van de eigen groep.
5. Toenemende alfaïsering
Na verloop van tijd ontstaat in iedere rijke samenleving een toenemende alfaïsering: de alfacultuur groeit qua aantal en qua macht. Het gevolg is dat de bèta's het steeds moeilijker krijgen, waardoor de productie afneemt, terwijl de samenleving steeds agressiever, harder en onverdraagzamer wordt. Het systeem 1 denken gaat het systeem 2 denken steeds meer verdringen. Er ontstaat een steeds sterkere babbelcultuur. De samenleving gaat van democratisch en egalitair (we zijn allemaal gelijk) naar totalitair (fascistisch, één absoluut heerser).
De toenemende alfaïsering ontstaat doordat systeem 1 reacties (gevoelsmatige reacties) snel en gemakkelijk gaan en weinig tijd en energie kost. Systeem 2 reacties, bewust gericht denken om de juistheid van oplossingen te evalueren, gaan echter traag en kosten veel tijd en energie. Verder vereist systeem 2 denken een lang en lastig leertraject. In een rijke cultuur is er daardoor weinig noodzaak voor systeem 2 denken. Het aantal systeem 2 denkers loopt daardoor steeds verder terug. Het verdelen van de beschikbare koek wordt steeds belangrijker, het produceren van de beschikbare koek gaat men als steeds minder belangrijk zien.
6. Ineenstorting van het systeem
Door de steeds verdergaande alfaïsering stort het systeem (de civilisatie) tenslotte in elkaar. Het kan zijn dat men onderling slaags raakt, het kan zijn dat men een al te enthousiast begonnen oorlog verliest, het kan zijn dat de productieve onderklasse verdwenen is, het kan zijn dat men niet meer in staat is het hoofd te bieden aan een natuurramp of andere externe bedreiging.
In het laatste stadium zijn de mensen in de alfacultuur doorgaans volledig de koppeling met de externe realiteit kwijt. Men leeft in een waanwereld die ontstaat doordat iedereen elkaar naar de mond praat. Bij Hitler is dit via de film Der Untergang in beeld gebracht. Niet bestaande eenheden worden de strijd ingestuurd doordat (in eerste instantie) niemand durft te vertellen dat die niet meer bestaan.
In het Oude Testament is het verhaal te vinden koning Belsazar. Hij geeft een groot feest, terwijl de Perzen voor de stad staan om deze in te nemen. Hoewel dat natuurlijk voor ieder normaal mens weken eerder al duidelijk zou zijn, is er in zijn voorstelling van zaken zogenaamd geen enkele reden tot ongerustheid. Het feest bewijst dat alles perfect gaat. Tot er op de muur een tekst verschijnt: 'mene mene tekel urfasin'. Gewogen, gewogen en te licht bevonden. Dezelfde nacht valt de stad en wordt hij vermoord.
Samenvatting
Je zou de ETFS kunnen samenvatten via de alfabèta-factor: bevooroordeeldheid. Naarmate de mensen in een samenleving vooroordelen (fake news, 'mooie' verhalen) steeds gemakkelijker gaan omarmen, zich steeds sterker richten op het verwerven van een zo'n hoog mogelijke status, wordt de samenleving steeds fascistischer, gewelddadiger en totalitairder. Het recht van de sterkste gaat steeds meer heersen. Tenslotte leidt de focus op geweld en irrationaliteit tot de ineenstorting van het systeem.
De basis van de ETFS is dat er in een rijke samenleving geleidelijk aan steeds meer bevooroordeelde mensen komen en steeds minder niet bevooroordeelde. Er komen steeds meer alfa's en steeds minder bèta's. De alfa's zijn: gericht op discriminatie en agressie (1), scharen zich gemakkelijk achter een strongman (2), geloven gemakkelijk vooroordelen, fake news en andere irrationele zaken als hen dat op de juiste manier verteld wordt (3), zijn vooral gericht op andere mensen en niet op de harde natuur (4), voelen zich beter thuis in een zacht alfavak dan een hard bètavak (5), zien zichzelf als lid van een belangrijke en machtige groep (6) en zijn zeer statusgericht (7).
In een volgende blogpost probeer ik verder in te gaan op het essentiële verschil tussen alfa's en beta's: hoe kan het verschil in bevooroordeeldheid verklaard worden? In de tweede alinea onder punt 5 hierboven schetste ik al kort de vermoedelijke verklaring. Er komen geleidelijk aan door de overvloed steeds meer systeem 1 'denkers' in de samenleving. Het gerichte, kritische denken wordt steeds meer vervangen door niet meer aan de externe werkelijkheid gerelateerd babbelen.
zondag 8 juli 2018
Een fascist die waarschuwt voor fascisme?
Laatst bijgewerkt: 10/7/2018 om 0.55 uur.
Op vrijdag (6/7) lees ik in de bijlage Boeken van de NRC een interview van bijna anderhalve bladzij met Madeleine Albright. Het doel van het artikel is kennelijk het nieuwe boek van Albright te promoten: Fascisme. Een waarschuwing. Deze vertaling van het Engelstalige origineel is uitgegeven door De Arbeiderspers en kost, op 1 cent na, 20 euro.
Wat me dan opvalt, is dat men zijn toevlucht neemt tot een interview. Kennelijk was zelf serieus het boek doorwerken te hoog gegrepen. Je vraagt je ook af, hoe het precies zit met de betaling. Is dit gratis reclame? Of wisselt er onder de tafel een behoorlijk geldbedrag? Mijn eerdere ervaringen met de NRC op dit punt waren niet altijd even positief.
Is Trump een fascist?
De titel van het interview is: 'Ík denk niet dat Trump een fascist is.' Ik vind dat een vreemde uitspraak. Je schrijft een boek over fascisme en je beweert dat Trump geen fascist is. Om de verwarring nog groter te maken, blijkt Trump bijna voortdurend in het boek te worden opgevoerd als bedenkelijk voorbeeld.
Wat is dan volgens Albright precies de definitie van een fascist? Dat was even zoeken in haar boek. Ze vindt het lastig. Ze zet haar studenten aan het werk, die het natuurlijk ook niet precies weten. Maar op die manier kan ze in ieder geval kwijt dat ze hoogleraar is. Vervolgens krijg je heel veel woorden die het er niet duidelijker op maken.
Op internet is echter een Google Talk met haar te vinden van bijna een uur lang. In mijn opinie een degelijk stuk werk van Google (hier). Op 7:16 geeft ze als omschrijving: '[a] kind of bully with an army.'
Is Donald Trump geen bully? Iemand die voor zijn politieke gewin kleine kinderen levenslang beschadigt alleen in de hoop daar zelf beter van te worden. Heeft Donald Trump opeens geen leger meer tot zijn beschikking? Tot voor kort gold het leger van de VS als het grootste en het modernste ter wereld. Is dat nu opeens totaal veranderd?
De titel van het interview is kennelijk vooral bedoeld de vele Trump-aanhangers onder het NRC-publiek niet voor het hoofd te stoten. Maar de uitspraak laat ook zien, dat Albright er lekker op los kwebbelt zonder echt na te denken. Het is alsof je de woordvoerder van Trump, Sarah Huckabee Sanders, hoort praten.
Ik vrees echter dat de meeste hedendaagse lezers niet op zoek gaan naar een heldere definitie van 'fascisme' in het volumineuze werk van Albright. Ik denk zelfs dat ze de definitie die ik hier boven uit het interview gepakt heb, min of meer bij toeval heeft geproduceerd. Albrigt lijkt me een typisch 'talking head', een pundit. Ze heeft haar woordje wel klaar en tegen de tijd dat jij nog over de eerste zin zit na te denken, is zij al ergens aan de andere kant van de wereld om haar evangelie te verspreiden. Zorg dat je publiek geen tijd krijgt om na te denken. Overweldig ze met woorden.
Het interview met haar in de NRC viel me vooral op door de grote inhoudelijke leegte. Ze heeft in feite niets te vertellen. Hier hebben we een vitale, goed verzorgde, oudere dame die nog steeds prima van de tongriem gesneden is, maar die inhoudelijk niets te melden heeft. Dat was in ieder geval de indruk die bij mij achterbleef.
Wat zeggen de Amazon-reviewers over het boek?
Via amazon.com kan ik de reviews van lezers van het boek opvragen. Ik vind 354 positieve (4 of 5 sterren) en 33 kritische (3 sterren of minder). De positieve reviews slagen er niet in mij duidelijk te maken wat zo waardevol is aan dit boek. Het zijn vooral verhalen die vermelden hoe geweldig en hoe bijzonder de auteur volgens de lezer is. Mensen die het boek dus de hemel inprijzen, omdat ze denken dat de auteur een belangrijk iemand is.
Neem bijvoorbeeld de op Amazon.com als meest behulpzaam beoordeelde (599 mensen) positieve review (4 sterren) van Gary Moreau (hier). Hij begint met op te merken dat dit boek precies op het juiste moment verschijnt en geschreven is door een briljant persoon die op de eerste plaats zat bij de Europese tragedie (hij refereert kennelijk aan de Holocaust.)
Kun je van bijvoorbeeld de relativiteitstheorie stellen dat die op precies het juiste moment verscheen, maar dat we nu wel eens weer wat anders willen. Hij begint dus met een uitermate vreemd argument. Daarna kiepert hij er twee autoriteitsargumenten overheen. De auteur is een briljant persoon. Maar juist briljante personen kunnen afschuwelijk manipuleren. Vervolgens zou Albrigt op de eerste rang hebben gezeten bij de Holocaust. Allereerst klopt die bewering niet. Albright zat de oorlogsjaren in het veilige Londen. Maar zelfs als die veronderstelling wel geklopt had, voegt dat niets toe aan de waarde van een boek over fascisme. Het idee is kennelijk, als je fascisten maar van dichtbij hebt meegemaakt, weet je er alles van. Ben je ervaringsdeskundige en kun je rapporteren wat andere mensen moeten doen om het te vermijden. Als het eens zo simpel was, was fascisme al in te tijd van Mozes de kop ingedrukt.
Vervolgens komt Moreau met een bijzondere uitspraak. Haar boek bestaat eigenlijk uit drie verschillende delen. Ik heb echter de inhoudsopgave en het begin en daarin valt niets te zien van die opsplitsing in drie delen. Het maakt op mij meer de indruk van een in stukken geknipte monoloog die eindeloos doorzeurt.
Wat zegt Moreau vervolgens over die drie verschillende delen die hij in het boek denkt te ontwaren? Het eerste deel ziet hij als een deel waarop veel lezers zullen afhaken. Ze probeert in dit deel duidelijk te maken wat fascisme is, maar haar omschrijving is zo vaag en ruim dat we iedereen waar we het niet mee eens zijn zonder problemen kunnen betitelen als 'fascist'. En zelf begrijpt ze ook wel, dat dat toch wat problematisch is. Over dit eerste deel is Moreau dus uitgesproken negatief.
Over het tweede deel, dat hij denkt te zien, is hij uitermate kort. Ze behandelt in dit deel recente politieke gebeurtenissen in een reeks landen en ze stelt in al die landen in meer of mindere mate afglijden naar Fascisme te zien. (Op dit punt weten we dus nog steeds niet, wat dat volgens haar precies is. Het wordt dan wel lastig om haar ongelijk aan te tonen.)
Het laatste deel van haar boek zou volgens Moreau het beste zijn. Volgens zijn review gaat dit deel echter specifiek over de Amerikaanse politiek. Wel een behoorlijke inperking als je een algemeen boek over fascisme schrijft. Wat is nu haar centrale boodschap om te zorgen dat we niet in een fascistisch systeem terecht komen?
De voorlaatste alinea van Moreau werpt daar een bijzonder licht op. Hij schrijft: 'In the end she notes that spend her time on issues like: “…purging excess money from politics, improving civic education, defending journalistic independence, adjusting to the changing nature of the workplace, enhancing inter-religious dialogue, and putting a saddle on the bucking bronco we call the Internet.” It’s a perfect ending to what is a very good book by an inspiring individual.'
Wat me opvalt, in die eerste zin, is dat hij niet loopt. Er lijkt een stuk te ontbreken. Mogelijk wilde hij iets schrijven in de trant van: aan het einde merkt ze op dat het besteden van haar tijd aan zaken als X1, X2, X3, . . . , een goede zaak is. De lezers die zijn review zo hoog beoordelen lijken deze oneffenheid aan het einde echter geheel en al niet op te merken. Kennelijk hebben ze niet zo ver of niet al te nauwkeurig gelezen.
Welke dingen, welke X, moeten we dan precies doen om het fascisme het hoofd te bieden? We moeten overtollig geld uit de politiek zuiveren. We moeten de opvoeding van burgers verbeteren. We moeten de journalistieke onafhankelijkheid verdedigen (maar een beetje rotzooien om aandacht te krijgen voor je boek moet natuurlijk blijven kunnen). We moeten ons aanpassen aan de veranderende natuur van de werkplaats. We moeten de dialoog tussen religies bevorderen. En een uiterst verontrustende: we moeten een zadel bevestigen op het bokkende wilde paard dat we Internet noemen.
De reviewer omschrijft die aanbevelingen om het fascisme blijvend de kop in te drukken als een perfecte afsluiting door een inspirerend individu. Maar wat het inspirerende individu debiteert zijn vrijblijvende algemeenheden. Het is vooral kretologie. Die manier van woordgebruik is helaas typerend voor precies dat wat men zegt te willen bestrijden: fascisme.
De kritische reviews vallen uiteen in twee groepen. Sommige mensen willen geen kritiek op Trump horen, die geeft ze in haar boek wel, en dus vinden ze het een slecht boek. Er zijn echter ook mensen die het boek inhoudelijk tegen vinden vallen. Iemand kent haar drie sterren toe, maar vraagt zich wel af het boek voldoende beknopt, helder en verhelderend is om te helpen bij het voorkomen en bestrijden van fascisme (hier).
Het eerste stuk van het boek dat ik via amazon.com gratis kan downloaden, nodigt niet echt uit om de rest ook op te vragen. Bij andere boeken die relevant zijn voor deze blog, heb ik vaak aan een stukje al genoeg om te denken: dit moet ik hebben en ik moet het nu hebben. In dit geval denk ik vooral het tegenovergestelde: zonde van de tijd.
Schrijven als zelfpromotie of schrijven om te begrijpen
Een punt dat je Albright ook mag verwijten, lijkt me, is dat ze volstrekt niet op de hoogte is met het empirische onderzoek op het gebied van fascisme/autoritarisme. Ze schrijft wel een heel boek, ze is zelfs te karakteriseren als een veelschrijfster (amazon.com levert 16 titels bij haar naam), maar ze vindt het kennelijk zonde van haar tijd om zich serieus in de materie te verdiepen. Waarom zou je, als je mikt op een publiek van mensen die niet of amper lezen en als ze lezen, niet kritisch lezen, maar de tekst vooral beoordelen op basis van hun idee over de auteur?
De reden voor mij, maar ook voor iemand als Bob Altemeyer, om ons te verdiepen in fascisme is dat we houden van puzzelen. Het is leuk een puzzel die nog nooit opgelost is, als eerste in de wereld op te lossen.
Daarnaast speelt nog een ander motief mee, in ieder geval bij mij. We leven in een bezeten wereld en we weten het, stelde Huizinga, toen hij over fascisme schreef. Dan is het uitermate handig om te weten hoe die wereld precies in elkaar steekt. Kennis is macht en soms kan een beetje kennis net het verschil betekenen tussen leven of dood. Of het publiek de oplossing van de puzzel wel of niet waardeert, doet er in dat verband niet toe. Wie empirische wetenschap beoefent om sociale erkenning te oogsten, beoefent geen wetenschap, maar doet precies het tegenovergestelde. Je kunt niet twee verschillende Heren dienen. Je bent of een empirisch wetenschapper of je bent een 'talking head,' maar beide tegelijk kan niet.
Als je dus over fascisme schrijft, staan er slechts twee routes open. Of je kiest de moeizame, harde, empirisch wetenschappelijke route. Het eindeloze zoeken en knutselen. De route waardoor Galilei bijna op de brandstapel eindigde en Einstein niet meer terug kon naar zijn woning in Berlijn. In zekere zin was hij daar nog gelukkig mee ook, want anders was het vermoedelijk slecht met hem afgelopen. Of je maakt het jezelf gemakkelijk en je schrijft een verhaal dat je publiek bevestigt in zijn vooroordelen. Bij Albright zie ik weinig van het eerste en veel van het tweede.
Natuurlijk geldt dit principe in beginsel ook voor andere teksten. Schrijvers hebben dus slechts twee opties. Of ze kiezen de fascistische route, of ze kiezen de harde, empirisch wetenschappelijke route. Journalisten die geloven dat harde wetenschap iets heel anders is dan journalistiek, vertellen daarmee in feite welke route zij kiezen. Wetenschappers die niet geloven in harde wetenschap, vertellen daarmee ook welke route zij kiezen.
Iets soortgelijks is zelfs voor dagboeken gevonden. Mensen die een dagboek bijhouden, kunnen dat op twee verschillende manieren doen. De ene manier is bij de eventuele lezer een sterk effect proberen op te roepen. De andere manier is problemen te inventariseren en na te gaan hoe ze het beste opgelost kunnen worden. De eerste benadering leidt vaak tot zelfmoord, de tweede benadering blijkt nuttig te zijn om beter om te gaan met problemen.
Opinies en ideologie uiten werkt dus in de praktijk totaal anders dan harde feiten uiten en kritisch nadenken. Het laatste is misschien minder leuk, maar levert soms toch belangrijke voordelen op.
Nu is er in dit geval een merkwaardige twist. Fascisme blijkt gekoppeld te zijn aan het uiten van opinies en ideologie. Democratie blijkt gekoppeld te zijn aan het uiten van harde feiten en kritisch nadenken.
Fascisme kun je niet los zien van een strongman. De strongman is een bully die streeft naar macht. Om macht te krijgen heeft hij een groot leger volgzame aanhangers nodig. Het eerste probleem van de strongman is dus zijn aanhang te wekken en te bezielen. Het verhaal dat een strongman vertelt is daarom altijd: de X deugen niet, volg mij, dan pakken we ze en je krijgt het goed.
Welke mensen zijn gevoelig voor die boodschap? De variabele die het beste het enthousiasme voor de strongman voorspelt, is bevooroordeeldheid (prejudice). Vooral mensen die gemakkelijk vooroordelen omarmen volgen de strongman. Bevooroordeeldheid is echter ook de variabele die maximaal onderscheid maakt tussen bèta's (double lows) en alfa's (double highs). Je kunt het dus ook de alfabèta-factor kunnen noemen. Het is dat waarin alfa's maximaal verschillen van bèta's.
Alfa's denken hiërarchisch. Iets is waar, omdat een hoger geplaatste het zegt. Bèta's denken egalitair. Wanneer iemand hun iets vertelt, geloven ze dat niet, maar willen ze weten of het feitelijk (qua beschikbare waarnemingen) klopt. De eerste groep denkt dogmatisch, het is zo omdat een autoriteit het ons verteld heeft. De tweede groep denkt inductief: wat men zegt moet kloppen met de feiten.
Je zou ook kunnen zeggen dat bèta's de Natuur zien als autoriteit of als God. Ze zien de Natuur als een hogere werkelijkheid, waar ze afhankelijk van zijn en die ze zo goed mogelijk willen begrijpen. De Natuur bepaalt in hun optiek uiteindelijk of een uitspraak klopt of niet. Alfa's zien de natuur eerder als een lastig iets, dat alleen maar tegenwerkt. Daarbij zien ze zichzelf graag in de rol van God. Wij willen gewoon het milieu kunnen vervuilen, de natuur moet daar niet zo moeilijk over doen, maar gewoon doen wat we zeggen, dat er moet gebeuren. In die trant.
Wie de teksten van bekende alfa's en bèta's vergelijkt, ziet belangrijke verschillen. Alfa's denken dogmatisch, op basis van vooroordelen. Het is zo, omdat zij of hun leider het beweert. Bèta's denken inductief. Het is kennelijk zo, omdat de bekende waarnemingen niet in strijd zijn met de uitspraak. Maar klopt de uitspraak echt of gooit de natuur op het laatste moment toch nog roet in het eten? De manier van denken is dus totaal verschillend. Dit maakt het mogelijk op basis van geschreven tekst na te gaan of iemand taal hanteert als alfa of als bèta.
De basis voor het omarmen van vooroordelen is sociale bekrachtiging. Hitler beweert zaken over Joden die effect sorteren op zijn publiek. De juistheid of onjuistheid van die uitspraken interesseert de man geen snars, maar het effect op zijn publiek wel. Of zoals Melania Trump met haar jas het standpunt van haar man verwoordde: 'I really do'nt care. Do U?'
Bèta's willen echter dat zaken kloppen met de beschikbare waarnemingen. Op het moment dat iemand begint te roepen dat de X niet deugen, is hun automatische vraag: hoe weet je dat? Waar is je evidentie? Doordat de strongman zich van evidentie niets aantrekt, slaat zijn boodschap bij bèta's niet aan. Ze zien het als een nogal kinderlijk verhaal dat ze moeilijk serieus kunnen nemen. Lariekoek die bombastisch gebracht wordt. In werkelijkheid is het echter levensgevaarlijke lariekoek doordat een belangrijk deel van de bevolking de lariekoek verslijt voor absolute waarheid.
Omdat er slechts twee manieren zijn om taal te gebruiken, promotioneel of descriptief, die gebaseerd zijn op de verschillende soorten bekrachtiging, is de zaak simpel. Of iemand doet vooral het ene, of iemand doet vooral het andere. Men is of alfa, of men is bèta. Het is lastig om beide manieren van taalgebruik precies even frequent te doen. Het lukt doorgaans niet om op de taalbal te balanceren. We kukelen vroeg of laat, of we willen of niet, naar links of naar rechts. Je kunt niet tegelijkertijd denken als Einstein en denken als Trump. In dit verband is 'denken' een wat ongelukkige term. Trump denkt niet, hij babbelt. Dat klinkt ongevaarlijk, maar is het niet, doordat volgelingen/gelovigen dat gebabbel zien als absolute waarheid.
Het probleem met Madeleine Albright is volgens mij dat ze precies hetzelfde doet als Trump, maar dan voor een andere doelgroep. Ze stond bij de verkiezingen aan de kant van Clinton. Bij die doelgroep weet ze wel wat los te maken. In het Google interview met Heather Young vermeldt Albright (op 1:45) dat haar boek nummer 1 staat op de New York Time Best bestseller lijst.
Als je er dus over nadenkt, heb je hier kennelijk een 'fascist' die over fascisme schrijft en daarvoor zegt te waarschuwen. Het doet denken aan de anti-pieten die zelf racistisch bleken te zijn. Die zelf geen zin hadden om over racisme na te denken of dat gewoonweg niet konden.
Nu is de term 'facist' natuurlijk wat beladen. Ik zou daarom de term 'babbelaar' prefereren. Een babbelende baby is leuk en ontroerend. Maar babbelende volwassen zijn gevaarlijk, levensgevaarlijk.
donderdag 28 juni 2018
De imam versus de leraar of alfa's versus bèta's?
Laatst bijgewerkt: 7/7/2018 om 5.25 uur
Op dinsdag 26 juni had Erdal Balci in de Volkskrant een column over de verkiezingsoverwinning van Erdogan. Het ziet er in Turkije niet goed uit, denk ik. Erdogan heeft vergaande bevoegdheden gekregen en sluit zijn tegenstanders langdurig op of erger. Tot overmaat van ramp zien we soortgelijke ontwikkelingen op veel andere plaatsen in de wereld. Denk alleen al aan iemand als Trump. Het lijkt onmiskenbaar dat er wereldwijd sprake is van een vergaande 'verrechtsing.'
Ik vind dat een wat vaag woord, dat ik normaal liever niet gebruik. Wat ik bedoel is dat overal autoritaire regiems uit de grond lijken te springen. We zien een steeds verdergaande 'alfaïsering': in de samenleving krijgt de alfacultuur steeds sterker de overhand. Er komen steeds minder mensen die denken als boeren en andere bèta's. Mensen die denken in termen van productie en harde feiten. Tegelijkertijd komen er steeds meer mensen die gericht zijn op het binnenhalen van een zo'n groot mogelijk deel van de beschikbare koek (het nationale inkomen) door handig te kletsen en een mooi verhaal op te hangen. Mensen die grossieren in opinies en ideologie.
Het is makkelijker om met handig te babbelen een royale boterham te verdienen dan met hard werken nuttige zaken te produceren, die vervolgens proberen te slijten aan de hoogste bieder en aan het einde van de dag te moeten rondkomen van minimale middelen. Je kunt het mensen in ons soort samenlevingen dus moeilijk kwalijk nemen, dat ze de weg van de minste weerstand kiezen. Het irrationele gebabbel van alfa's is een stuk minder inspannend dan het moeizame nadenken en geworstel met feiten van bèta's, terwijl het vaak belangrijk meer oplevert. Dat irrationele gebabbel is helaas ook een stuk gevaarlijker. Maar als het eerste belangrijk meer oplevert dan het laatste, ben je een dief van eigen portemonnee als je kiest voor serieus nadenken.
Het mooie van Balci is dat hij over zo'n lastig onderwerp kan schrijven in simpele, dichterlijke taal. De titel van zijn column is: 'De imam die altijd van de leraar wint'.
Balci ziet de ruk naar rechts als de strijd tussen de prediker en de leraar. De geschiedenis van de Turkse republiek is de strijd tussen de imam (Erdogan) die de dorpelingen probeert te beschermen tegen het heidense Westen en de idealistische leraar die van ver is gekomen om de kinderen van de plattelanders te winnen voor het modernisme. Hij laat zijn leraar, juf Arzu, zeggen dat de uitvinding van de drukpers de Europese mens heeft bevrijd van het juk van de religie en dat die boeken vroeg of laat ook het Turkse volk zullen verlichten. Maar op een of andere manier is dat laatste in Turkije dus nooit gebeurd.
De column van Balci bevat vier punten die van belang zijn voor deze blog.
1. Hij ziet de ontwikkeling van democratie naar dictatuur als de eeuwige strijd tussen prediker en leraar. (Ik geef hierna aan dat het moet gaan om de 'strijd' tussen alfa's en bèta's.)
2. Hij ziet dat de prediker uiteindelijk altijd wint.
3. Hij ziet dat die strijd te maken heeft met de uitvinding van de drukpers, met de beschikbaarheid van informatie.
4. Hij ziet dat er een verband bestaat met kleding. Hij noemt specifiek de roklengte en het bedekken van het haar door vrouwen.
Roklengte, kledingnormen en niet verder kijken dan je neus lang is
Laat ik beginnen met het laatste punt: roklengte. Ik vind het leuk dat hij het verband met roklengte signaleert. Ogenschijnlijk heeft de lengte van de rok niets te maken met hoe rechts of links een cultuur is, maar in werkelijkheid is er een verband. Hij schrijft: 'De toenemende macht van de imams kon je meten aan de rokken die steeds langer werden. Toen de benen eenmaal volledig bedekt waren, was het de beurt aan het haar van de meiden dat uit het zicht moest.'
Ik weet niet zeker of roklengte altijd een goede indicator is van de alfabèta-verhouding in een cultuur. Maar het is onmiskenbaar dat alfaculturen zich uiten via het uiterlijk van hun leden. Ik zag ooit, via internet, een wetenschappelijke lezing op een Mormoonse universiteit in Utah. Allereerst viel het uiterlijk van de aanwezigen me op, vervolgens de gedragen toon waarop men sprak. Tenslotte het lage wetenschappelijke niveau. Nepwetenschap gebracht als wetenschap. Men zocht het in uiterlijk in plaats van inhoud.
Bij corps-studenten is hetzelfde zichtbaar. Een bepaalde kleding, een bepaalde spraak, maar inhoudelijk een diepe leegte. Of denk aan het uniform van Trump: pak, das en een achtergrond van geduldig en gehoorzaam staande mensen. Inhoudelijk vooral onwaarheid en onzin. Of denk aan nazi's: laarzen, uniformen, marcheren, de Hitlergroet, het hakenkruis. Inhoudelijk: het omarmen van kreten, emoties, gevoelens en het bestrijden van rationaliteit en zindelijk denken.
Het is dus niet zo dat iedere alfacultuur dezelfde kledingnormen hanteert, maar wel zo dat men als groep bepaalde ideeën heeft over hoe men gekleed behoort te zijn en die liefst dwingend wil opleggen. De goedkope Zara-jas van Melania met het opschrift 'I really don't care, do U?', was dus vanuit deze optiek helemaal fout. De aanhang van Trump begreep dat dit beslist niet hoorde.
Op dezelfde manier was in 1965 het dragen van een minirok door een vrouw die gezien werd als het toppunt van vrouwelijkheid, volledig fout. Jean Shrimpton, op dat moment een van 's werelds best betaalde fotomodellen, verscheen in Melbourne op Derby Day in een 'onfatsoenlijk' kort jurkje. Althans zo zagen sommige Australische dames dat in die tijd. Zoiets deed je niet als vrouw. Je had dan geen idee, hoe een dame zich behoorde te kleden en te gedragen (hier en hier).
De reactie op de jas van Melania waren echter jassen met: 'I really care, don't you?' (hier). Als Melania haar echtgenoot zat te trollen, was dat precies de reactie die ze graag wilde horen. Eerder wist ze al een ogenschijnlijk perfecte toespraak te houden met een kleine twist, die pas enige tijd later duidelijk werd. De twist was, dat de toespraak voor een groot deel gejat was. En hij was gejat door niemand minder dan Melania zelf. Omdat Melania behoorlijk slim is (wat we weten uit haar toelatingsexamen tot de universiteit), wist ze vooraf dat die diefstal uit zou komen. Ik zou denken dat de boodschap duidelijk is, maar voor moderne Amerikanen lijkt die manier van communiceren doorgaans een brug te ver. Trump denken ze te begrijpen, maar Melania spreekt in raadselen.
Iedereen die afwijkend gekleed gaat, is voor alfa's een buitenstaander en indringer die niet deugt. Men is als het ware niet in staat verder te kijken dan de oppervlakte. Ik herinner me dat ik ooit bij een sollicitatiegesprek een colbertje en een overhemd had aangetrokken. Helaas bleek dat in dit geval net de foute kleding te zijn. De volledige commissie zat zonder jasje achter de tafel. Met die sollicitatie is het niets geworden.
De betekenis van de minirok
De omarming van de minirok door de meiden rond 1965 was een vorm van verzet tegen de bestaande orde, denk ik. Wij hebben het recht om ons te kleden zoals we willen, dan zullen we dat recht ook gebruiken! Tegelijkertijd was de cultuur in die tijd ook zodanig dat dat zonder problemen kon. Als jonge meiden hun benen wilden laten zien, dan was dat hun zaak. Het was hun goede recht. Slechts een enkeling die zich er in die tijd druk over maakte.
Het was een tijd met een revolutionair elan: alles moest anders. De jeugd zou het allemaal veel beter gaan doen dan de oude garde. Ik geloofde dat zelf in die tijd ook heilig, er heerste een sterk vooruitgangsoptimisme, maar ik zag ook dat er dingen niet leken te klopen. Wat me in deze tijd voor het eerst opviel was het onvermogen van veel mensen om niet door het 'mooie' verhaal van een handige politicus heen te kunnen kijken. Ik vond dat zorgwekkend.
Ik weet niet of ik me toen volledig de consequenties van die waarneming realiseerde. Wel realiseerde ik me dat als kennelijk een meerderheid van de stemgerechtigden via op niets gebaseerde verhalen tot politieke beslissingen viel te verleiden, het bestuur van het land gemakkelijk kon ontsporen.
Op een abstract schilderij dat ik in deze tijd als decoratie maakte, vermelde ik links onderin een citaat uit '1984' van George Orwell: 'the future: ... a boot stamping on a human face -- forever.' Mijn vriendin zag dat citaat als een dissonant bij de warme kleuren van het schilderij. Het citaat bedierf het gevoel dat de kleuren opriepen.
Terugkijkend is het misschien zo, dat wij, de naoorlogse generatie, de babyboomers, al de wortels van het nieuwe fascisme in ons meedroegen. Wij hadden nooit de ellende van de dertiger jaren meegemaakt en de oorlog die daarop volgde. Echte armoede hadden wij nooit gekend. Honger kenden wij alleen uit verhalen. Echt gewerkt hadden we nog nooit, maar we wisten absoluut zeker dat we alles beter konden dan de generatie sukkelaars voor ons.
Wij waren een generatie die dacht dat het steeds beter zou worden en dat alles wat daarvoor nodig was, slechts het verheffen van onze stem was. Wij zagen de natuur als iets dat overwonnen was en de samenleving als iets dat alleen nog maar aangepast moest worden aan onze superieure ideeën. Het enige wat daarvoor nodig was, was dat we die ideeën duidelijk, luidkeels en zo nodig met kracht en geweld zouden verwoorden. Dan zou er vanzelf een nieuwe, betere wereld ontstaan.
In eerste instantie leek het inderdaad allemaal precies zo te gaan als wij dachten dat het zou moeten gaan. Wie beter keek, kon op dat moment echter al de eerste tekenen van het naderende verval zien.
Alfa's of pundits versus bèta's of supervoorspellers
De tegenstelling imam-leraar klopt niet, denk ik. Ook de leraar blijkt in de praktijk vaak een soort imam te zijn. Wie zich verdiept in de persoonlijkheidseigenschappen van leraren, ziet dat ze vaak alfa's zijn. Dit klopt ook met hun functie. Ze werken voor de machthebbers, ze voelen zich verwant aan die machthebbers, ze spelen in de klas de rol van machthebber en worden tenslotte door de machthebbers betaald. Wat ze hun leerlingen leren is niet zelfstandig kritisch nadenken, maar klakkeloos het door hen verwoorde standpunt napraten.
Wat is dan precies het onderscheid zijn tussen democratie en dictatuur? Democratie hoort bij bèta's, dictatuur hoort bij alfa's. Bèta's zijn egalitair, alfa's zijn hiërarchisch. Alfa's zien dus bij voorkeur een vorst of koning met absolute macht aan het hoofd, waarbij ze zichzelf graag als vorst en heerser zien. Als dat niet mogelijk is, willen ze bij voorkeur tot de elite van de vorst behoren.
Bij bèta's moet je denken aan boeren, ambachtslieden en andere producenten. Een boer koopt niets voor een mooi verhaal. Als zijn oogst verloren gaat, heeft hij een groot probleem. Zaken moet kloppen en ze moeten niet alleen kloppen, een boer moet voortdurend in de toekomst proberen te kijken om te kunnen overleven. Een vaardigheid die mensen bij onderzoek (met wat lastiger vragen dan of morgen de zon opkomt) gemiddeld ongeveer even goed blijken te beheersen als pijltjes gooiende chimpansees. Dus niet.
Wie echter beter kijkt naar dit soort uitkomsten,* ziet dat er vier groepen te onderscheiden vallen. Er is een kleine groep supervoorspellers, er is een grotere groep matige voorspellers, er is een grote groep 'chimps' en tenslotte is er een kleine groep 'pundits'. De chimps scoren rond (of iets onder) toevalsniveau, maar de pundits hebben iets bijzonders. Ze slagen erin systematisch fout te voorspellen. Ze zitten er systematisch naast. Mits je hun voorspellingen maar consequent omdraait, blijkt er toch een kern van waarheid in te zitten. Ze leven kennelijk in de wereld die tegenover de wereld van de feiten ligt: de wereld van de opinies.
In mijn idee is de wereld wat hij is, maar tegelijkertijd heeft iedereen ook een idee over hoe de wereld zou moeten zijn. Pundits leven al in die ideale wereld. In hun optiek is hun ideale wereld de norm en is de echte wereld irrelevant en hoogstens lastig, omdat deze nog niet aangepast is aan hun wensen en ideeën. Die afwijkingen kunnen echter eenvoudig worden opgelost door de mensen te overtuigen dat hun visie de enig juiste is en onmiddellijk gerealiseerd moet worden. In hun onderbewuste zien ze kennelijk het probleem in de echte wereld, maar in hun praten zien ze het probleem als iets dat via indringend praten (commando's, propaganda en reclame), macht en agressie eenvoudig opgelost kan worden.
Hitler wilde van Duitsland weer een wereldmacht maken. Het zou een duizendjarig rijk worden. In werkelijkheid kwam hij in 1933 aan de macht, begon hij in 1939 de Tweede Wereldoorlog en pleegde hij in 1945 zelfmoord. Het duizendjarige rijk had 12 jaar geduurd. Van Duitsland was slechts een puinhoop over. In Italië speelde zich een vergelijkbaar verhaal af. In Japan gebeurde vrijwel hetzelfde. Het uitgangspunt was steeds grootse ideeën over macht en winnen. De werkelijkheid was dat men in alle drie samenlevingen voortdurend niet in staat was zaken realistisch in te schatten.
Pundits zijn ook mensen die op tv en in de pers graag en met grote stelligheid hun duidelijke zwart-wit mening verkondigen. Er is geen twijfel mogelijk. Ze weten het zeker. Zij zijn de absolute expert. Zij kunnen het weten. Aan hun oordeel kan niet getwijfeld worden.
Het zijn mensen die uitermate goed kunnen 'communiceren': politici, predikers, journalisten, leraren, verkopers. Het zijn mensen die expert zijn in het beïnvloeden van andere mensen door middel van reclame en propaganda. Het zijn de mensen van het 'mooie' verhaal en het grote idee die het niet al te nauw nemen met de feiten en niet in staat zijn tot fatsoenlijk, goed onderzoek. (Om die reden heb ik het over 'communiceren'. Ze beheersen een kant van de taal, maar niet de andere kant. Ze kunnen taal niet goed beschrijvend en voorspellend hanteren.) In termen van het soortenmodel gaat het om double-highs, om alfa's. Ze willen belangrijk zijn, de baas zijn, en hebben een publiek nodig dat niet kritisch luistert: hun voetvolk, hun gelovigen, hun mobiele brigade.
Het 'mooie' verhaal is niet bedoeld de toekomst te voorspellen, maar is puur sociaal bedoeld. Pundits vertellen het publiek wat het wil horen om op die manier zelf invloed en macht te krijgen. Voor Trump was het scheiden van kleine kinderen van hun ouders niet relevant, maar wel het effect dat hij met die actie had op zijn achterban. Voor Hitler was niet relevant of zijn uitspraken over Joden wel of niet klopten, maar het aantal aanmeldingen voor de NSDAP na een toespraak was dat wel.
Wie andere voorbeelden zoekt van deze omgekeerde manier van denken, kan denken aan de beruchte uitspraak van Colijn in 1936, nadat de nazi's het Rijnland hadden bezet. Men kon rustig gaan slapen. In werkelijkheid had men op dat moment nog slechts vier jaar om de Nederlandse defensie op orde te brengen. Voor een dergelijke veelomvattende taak niet echt lang. Hitler die deze taak energiek ter hand nam, had zes jaar (van 1933 tot 1939) nodig om de Wehrmacht enigszins op oorlogssterkte te brengen. Dat op orde brengen verzuimde men in Nederland gemakshalve. Het zou de goede nachtrust verstoord hebben. Of denk aan het 'Peace for our time' van Chamberlain nadat in 1938 de nazi's Tsjecho-Slowakije hadden bezet. Hij had fijn gesproken met mijnheer Hitler en daarmee was het probleem Tsjecho-Slowakije volledig opgelost. Een jaar later brak de Tweede Wereldoorlog uit. Of denk aan de talloze klimaatsceptici die de meest onzinnige verhalen over het klimaat als feit proberen te slijten.
De omgekeerde manier van denken ontstaat doordat de spreker denkt als propagandist. Hij is bezig andere mensen een goed gevoel te bezorgen en voor zich te winnen. Zodra zich een probleem voordoet dat mensen angstig en onrustig maakt, richt hij zich niet op het in kaart brengen van het probleem en het ondernemen van effectieve actie, maar op het geruststellen van zijn publiek via toekomstvisioenen. Dank zij hem zal alles goed komen. Men hoeft hem slechts vergaande volmachten te verlenen en het probleem wordt opgelost. Doordat de spreker echter geen enkel idee heeft over het feitelijke probleem en wat wel en niet werkt, is de daarna volgende ramp een kwestie van tijd.
Wat kunnen we zeggen over de tegenhangers van de pundits? Over de specialisten op het gebied van voorspellen: de supervoorspellers? Een merkwaardigheid is dat ze zonder uitzondering iets lijken te hebben met getallen en wiskunde. Niet op de manier zoals sommige wiskundigen dat soms hebben. Eerder op de manier zoals natuurkundigen dat hebben. De wiskunde is vooral een handig hulpmiddel om de realiteit beter te begrijpen en te voorspellen. Niet een middel om andere mensen te imponeren.
Een andere merkwaardigheid van supervoorspellers is dat ze 'actief open minded' zijn. Ze zijn actief op zoek naar informatie waaruit blijkt dat het allemaal misschien toch net even anders zit dan ze denken. Ze zijn volstrekt het tegenovergestelde van dogmatisch. Ze zijn voortdurend op zoek naar informatie waaruit hun ongelijk kan blijken. Een volgend kenmerk is dat ze vrijwel nooit helemaal zeker zijn. Ze zijn daarom niet populair als voorspeller op tv: hun verhaal is te complex en te genuanceerd. Ze realiseren zich dat het voorspellen van de werkelijkheid verdomd moeilijk kan zijn.
Vroeger ging het vermoedelijk vooral om boeren. Tegenwoordig zijn er niet zoveel boeren meer. De supervoorspellers blijken nu vaak programmeurs (geweest) te zijn. Een computerprogramma schrijven is eigenlijk voorspellen of het programma in werkelijkheid zal werken zoals het bedoeld was. Kennelijk is programmeren een goede manier om voorspellen te leren. Mijn eigen ervaring is dat het je in ieder geval grote bescheidenheid leert, want vaker dan je lief is, blijkt er toch net een kleinigheid misgegaan te zijn.
Het gaat dus niet om de strijd tussen de heerser/prediker en de leraar, maar om de strijd tussen de heerser/prediker en de boeren. De 'strijd' tussen alfa's en bèta's. De heerser/prediker met zijn elite en leger van volgelingen/gelovigen versus de boeren, de ambachtslieden, de producenten, de wetenschappers, de probleemoplossers. De mensen die de de productieve onderlaag van de samenleving vormen. De mensen die vrijheid, veiligheid en stabiliteit nodig hebben om te doen, waar ze goed in zijn: produceren en uitvinden.
Steeds meer alfa's?
Balci stelt dat de imam altijd van de leraar wint. Maar het juiste onderscheid is tussen alfa's en bèta's. Ik heb het dan over 'alfaïsering'. Waar het op neer komt, is: er komen steeds meer alfa's. Het is alsof alfa's zich in landbouw-samenlevingen sneller voortplanten dan bèta's. Tot de boel tenslotte volledig uit de hand loopt en de desbetreffende samenleving vastloopt of zelfs ten onder gaat. Waarna mogelijk elders alles opnieuw begint.
Wie in de Bijbel zoekt, vindt daar het verhaal van Mozes die de berg afkomt met de Tien Geboden. Wie beter leest, ziet dat er in die tekst sprake is van godhaters. De tien geboden waren kennelijk bedoeld tegen de godhaters te zeggen: doe effe normaal, jongens! Doordat godhaters ook nu nog bestaan, valt te achterhalen dat het om agressieve, bevooroordeelde mensen gaat, die bij stress boos worden op degene die ze als verantwoordelijk voor hun ellende zien. Want het ligt met volstrekte zekerheid beslist niet aan hen. Ook in die tijd kostte het kennelijk al moeite alfa's zich normaal te laten gedragen.
Een aantal eeuwen later, in de tijd van Jezus, hebben de alfa's of godhaters de macht overgenomen. Dat ze dat gedaan hebben ligt in de lijn der verwachting, doordat ze volledig gericht zijn op het verwerven van macht. Aan de ene kant bezetten ze dan de positie van Hogepriester, aan de andere kant collaboreren ze met de Romeinen. De religie is een geldmachine geworden, die de godhaters op de troon heeft geholpen en hun veel macht, status en geld oplevert. Jezus als timmerman en Jood van het oude stempel, vindt dat maar niets, maar zal het verkondigen van zijn 'foute' opinies moeten bekopen met de kruisdood. Godhaters laten niet over zich lopen en zitten boordevol dodelijke agressie.
Wat in de tijd van Mozes een probleem was, dat men probeerde te bezweren met de Tien Geboden, is in de tijd van Jezus uitgegroeid tot een groep die de macht heeft overgenomen. De alfacultuur waar de Joodse samenleving op dat moment van doordrongen is, zal uiteindelijk leiden tot de noodlottig verlopen opstand tegen de Romeinen.
Met de Romeinen zou het echter uiteindelijk niet veel beter aflopen. Hoewel men in eerste instantie door veroveringen een goed leven realiseert, begint de interne rot steeds meer toe te slaan. De trieste erfenis van de Romeinen kan men nu nog bewonderen in de stagnerende Italiaanse economie.
Merkwaardig genoeg lijkt de noodlottig verlopen Joodse opstand echter een zuiverende werking gehad te hebben op de Joodse cultuur. Mensen als Spinoza en Einstein zijn voorbeelden van extreme rationaliteit. Toen ik me verdiepte in de documenten van de AJC (American Jewish Committee) werd ik getroffen door hetzelfde verschijnsel. De vele Joodse Nobelprijswinnaars in de empirische wetenschappen wijzen hier ook op.
Het succesvolle Duitsland van Bismarck vormde de basis voor twee overbodige wereldoorlogen. Beide wereldoorlogen werden echter door Duitsland verloren met kennelijk als resultaat dat Duitsland nu fungeert als een grote productiemachine voor de rest van de wereld, terwijl we geneigd zijn Merkel te zien als de laatste verdediger van het Vrije Westen. Voorspoed, welvaart en overwinningen leiden kennelijk normaal tot meer alfa's, terwijl zaken als armoede, nederlagen en plagen soms tot meer bèta's lijken te kunnen leiden.
Twee manieren van omgaan met informatie: babbelen en denken
Het lijkt alsof de drukpers in Europa de wetenschappelijke revolutie inluidde waarmee de grote vooruitgang begon, terwijl dat in een land als Turkije nooit gelukt is. Hoe kan dat?
In China bestond de drukkunst al veel langer, maar dat leidde niet tot de wetenschappelijke revolutie. Kennelijk is beschikbaarheid van informatie alleen niet voldoende om verder te komen.
Stel dat morgen iemand een methode ontdekt om kernfusie in een bekerglas water op te wekken. Dat zou een fantastische uitvinding zijn, die het energieprobleem van de wereld in een klap zou kunnen oplossen. Wat is er dan nodig om inderdaad daadwerkelijk verder te komen?
De reactie van de samenleving op dat soort nieuwe informatie is doorslaggevend. Wanneer de samenleving vol belangstelling is, alles wil weten over de nieuwe uitvinding, deze wil checken en deze wil verbeteren, kan de nieuwe informatie zich snel verspreiden en snel toegepast worden. Of eventueel snel ontzenuwd worden.
Wanneer de informatie klopt, is deze echter ook uitermate bedreigend voor de samenleving. Denk aan de energie-industrie en de velen die daarmee een inkomen verdienen. Het gaat in dit geval om zeer grote bedragen. De uitvinder moet dan niet vreemd opkijken wanneer hij wordt uitgeschakeld voordat hij zelfs maar kan publiceren. Of wanneer hij na publicatie verdacht en belachelijk wordt gemaakt. Uit de geschiedenis zijn ettelijke gevallen bekend waarin de verkondiger van nieuwe en dus foute informatie op de brandstapel of iets dergelijks eindigde.
Een samenleving kan nieuwe informatie dus omarmen of bestrijden. Bètaculturen omarmen nieuwe informatie, alfaculturen bestrijden die. Extreme bèta's zijn actief op zoek naar nieuwe informatie die hun ongelijk kan bewijzen. Darwin deed dat bijvoorbeeld, maar het is ook bekend van supervoorspellers. Alfa's willen foute informatie het liefst verbieden en verbranden. De geschiedenis levert hier talloze voorbeelden van en het blijkt ook uit onderzoek naar autoritarisme.
In het kader van mijn promotie-onderzoek kwam ik teksten op het gebied van computer-ondersteund-onderwijs tegen die tientallen jaren eerder digitaal gepubliceerd waren, maar nooit waren opgevraagd. Hoewel er ondertussen vele miljarden dollars besteed waren aan onderzoek op dit gebied, had niemand ooit enige interesse getoond voor de mogelijk belangrijke resultaten. Men zat kennelijk niet te wachten op nieuwe informatie, maar was vooral bezig met het naar binnen praten van de volgende onderzoekssubsidie. Nieuwe informatie was alleen maar lastig. De 'onderzoekers' waren kennelijk vooral alfa's. Men was goed in het verkopen van onderzoeksvoorstellen, maar onderzoek dat werkelijk tot iets leidde, lukte nooit.
Dit bleek ook uit het grote aantal projecten die enthousiast aangekondigd en beschreven werden, maar uiteindelijk nooit in concrete verbeteringen resulteerden. In sommige gevallen lukte het zelfs na een behoorlijk aantal jaren met een groot aantal mensen niet om zelfs maar een enigszins werkend programma af te leveren. Iets wat iemand als Bill Gates in een achternamiddag presteerde, bleek voor een dergelijke groep mensen ondanks de beschikbaarheid van meerdere jaren een brug te ver. Daar stond dan weer tegenover een groot aantal enthousiaste en ogenschijnlijk indrukwekkende publicaties over de fantastische software die gerealiseerd zou worden. De mensen die daadwerkelijk software ontwikkelden leken echter nooit tijd te hebben voor dergelijke publicaties.
Andere punten die me van dit soort 'onderzoekers' opvielen, was dat men zeker wist dat Basic als computertaal minderwaardig was, dat de monitoren op de bureau's vaak abnormaal groot waren, dat de computers nooit snel, groot en duur genoeg konden zijn, maar dat men zelf doorgaans niet kon programmeren. Men was kortom goed in presenteren en overtuigen, maar niet in produceren. Men was goed in het vertellen van mooie verhalen en het formuleren van fraaie bedoelingen.
De verklaring voor het verschijnsel is simpel. Dit soort projectvoorstellen worden beoordeeld door andere alfa's: mensen die normaal niet veel kijk hebben op het voorgestelde project, hoewel ze zelf overtuigd zijn van het tegendeel. Ze beoordelen het voorstel daarom via systeem 1. Het ziet er indrukwekkend uit. Het lijkt een prachtige vruchtboom. Dat de vruchtboom in de praktijk nooit vrucht zal dragen, onttrekt zich aan hun waarneming en aandachtsspanne.
Babbelaars denken niet
Bij onderzoek onder alfa-studenten vonden we indertijd een vreemd verschijnsel: door het maken van statistieksommen werden ze niet beter in statistiek. Op dat moment konden we die uitkomst niet goed begrijpen. Hoe was dat mogelijk? Normaal worden mensen beter door te oefenen. In dit geval bleek die regel echter niet op te gaan.
De verklaring die onlangs duidelijk werd, blijkt te zijn dat feedback na een fout antwoord door studenten op twee totaal verschillende manieren verwerkt wordt. Via systeem 1 (klassieke conditionering) of via systeem 2 (operante conditionering).**
Bij de emotionele verwerking via systeem 1 wordt de in de feedback aanwezige informatie niet benut. De student klikt de emotioneel negatief geladen boodschap snel weg. Hij snapt dat zijn antwoord fout is, maar niet waarom. Even later maakt hij daardoor dezelfde fout opnieuw. Veel studenten blijken dit niet een enkele keer te doen, maar steeds opnieuw. De feedback wordt niet gelezen, maar onmiddellijk weggeklikt. Sommige studenten beantwoorden hetzelfde item meer dan twintig keer fout, terwijl ze voor het juiste antwoord alleen de feedback hoeven te lezen.
Om de informatie in de feedback te benutten, moet men systeem 2 (langzaam denken) inschakelen. Systeem 1 (snel denken of babbelen) werkt echter snel, automatisch en kost geen inspanning. Wie dus gewend is systeem 1 te hanteren, hanteert systeem 2 niet. De emotionele response, de babbelreactie, blokkeert de denkreactie. Korter geformuleerd: babbelaars denken niet.
Interessant is ook de manier van denken die deze studenten hanteren. In hun optiek maken zij niet twintig keer of vaker dezelfde fout, maar vergist het programma zich steeds weer. In hun optiek is het uitgesloten dat hun antwoord fout zou kunnen zijn, de fout moet liggen bij het 'domme' programma. Zij zijn dat beslist niet, geloven ze. Het blijkt in de praktijk vaak om ongeduldige, snel geagiteerde studenten te gaan die zich mondeling nadrukkelijk kunnen uiten.
Andere studenten benutten de 'negatieve' informatie van het programma echter wel. Ze onderdrukken de reactie van hun systeem 1 en analyseren vervolgens rustig via het trage systeem 2 wat er precies fout was aan hun antwoord. Deze studenten kunnen een item fout beantwoorden, maar doen dat normaal slechts één keer. Daarna weten ze het antwoord. De nieuwe informatie wordt niet weggeklikt, maar bestudeerd en benut. Dit zijn studenten die van hun fouten leren doordat ze in staat zijn rustig de feedback te bestuderen en zich die informatie eigen te maken.
Onze gegevens op dit punt laten nog iets zien. Het programma is bedoeld de schrijfvaardigheid te verbeteren. Aan de ene kant is het daardoor mogelijk te meten hoe goed studenten zijn in taal, aan de andere kant valt te meten hoe goed ze zijn in het verwerken van feedback na een fout antwoord. Het blijkt dat deze twee vaardigheden negatief gecorreleerd zijn. Zelfs na vele sessies met het trainingsprogramma blijft er een negatief verband bestaan. Dit betekent dus dat schrijfvaardigheid en 'leesvaardigheid' niets met elkaar te maken hebben. Sterker nog: wie goed is in het ene, is doorgaans slechter op het andere.
De verklaring is dat schrijfvaardigheid gebaseerd is op systeem 1. We voelen wat de juiste formulering is. Het vermogen om de informatie in de feedback te benutten is echter gebaseerd op systeem 2: zorgvuldig kijken. Wat we dus vinden is dat mensen die goed zijn in systeem 1 in doorsnee slechter zijn in systeem 2 en omgekeerd.
Deze negatieve correlatie betekent dat mensen een voorkeur bezitten voor één van beide systemen van informatieverwerking. Een grote groep hanteert vooral systeem 1 (babbelen), een kleinere groep hanteert vooral systeem 2 (kritisch denken). Dit onderscheid lijkt de basis te vormen voor de alfabèta-factor (bevooroordeeldheid, prejudice).
De systeem 1 'denkers', de babbelaars, hanteren taal daarbij vooral als commando (mand), men produceert vrijwel alleen propaganda en reclame. Taal is een middel om je zin te krijgen en jezelf sociaal te verbeteren. Men praat in meningen en abstracte ideeën. De systeem 2 mensen, de kritische denkers, hanteren taal bij voorkeur descriptief (tact), dus beschrijvend en voorspellend. Men wil dat uitspraken kloppen met de waarnemingen (feiten).
Informatie op zich leidt dus niet automatisch tot vooruitgang of Verlichting. Wat essentieel is, is het inschakelen van het trage systeem 2: de kritisch rationele houding waarbij men actief de juistheid van uitspraken probeert te toetsen. Klopt de bewering met de bekende waarnemingen? Deze analytische manier van denken is typerend voor bèta's, maar blijkt lastig of zelfs onmogelijk voor alfa's.
Bij alfa's en hun aanhang moet men aan dienaren, soldaten, slaven, ambtenaren, predikers en gelovigen denken. Een ondergeschikte van een machtig heer die een foute opmerking maakt, kan gemakkelijk zijn hoofd verliezen. Het gaat er dus niet om dingen te zeggen die feitelijk juist zijn, maar om dingen te zeggen die de Heer positief waardeert. Er zijn dus goede en foute uitspraken en de feedback op de uitspraak komt snel en simpel: de toehoorder vindt de opmerking oké of niet-oké. De feedback die men krijgt is puur sociaal. Er bestaat niet zoiets als feitelijk juist of onjuist in de alfawereld. Men denkt en praat in ideeën en opinies. Het gaat om sociaal denken. Uitspraken moeten politiek correct zijn. Men leeft in een sociale wereld waarin de feiten er niet echt toe doen, maar sociale reacties doorslaggevend zijn.
Wil een samenleving de nieuwe informatie benutten, dan moeten de bèta's in die samenleving voldoende te vertellen hebben. In jonge samenlevingen waarin men nog dicht bij de natuur en het productieproces staat, lukt dat veel beter dan in oudere samenlevingen waarin alfa's de macht naar zich toe hebben getrokken. Hoe verder de machtige bovenlaag af komt te staan van de productieve onderlaag, hoe behoudender, conservatiever, frauduleuzer en agressiever de samenleving wordt. Tegelijkertijd loopt de productie terug doordat de productieve onderklasse het steeds moeilijker krijgt.
Steeds meer babbelaars?
De toenemende emotionele verwerking van informatie via systeem 1, babbelen, verklaart de steeds verdergaande ruk naar rechts. Mensen komen steeds verder af te staan van de natuur en de productie. We zijn qua eten en andere zaken onvoorstelbaar rijk, terwijl de productie steeds minder menskracht vergt. Het automatische gevolg is dat de strijd om de beschikbare koek steeds belangrijker wordt. Babbelen is veel belangrijker geworden dan kritisch nadenken. De beste babbelaars lopen met de buit binnen.
We kunnen die alfabèta-verschuiving onder andere meten via de toenemende sociale ongelijkheid.*** In verhouding tot andere landen doen we het in Nederland dan nog heel behoorlijk. Het kan dus nog stukken erger. Aan de andere kant: het zou ook een heel stuk beter kunnen.
Hoe gaat dit aflopen? Naarmate mensen steeds harder gaan vechten om de beschikbare middelen krijgen enkelen het misschien tijdelijk heel royaal. In totaliteit blijkt echter uiteindelijk de hele cultuur zo hard achteruit te fietsen, dat zelfs de rijken uiteindelijk minder goed af zijn dan de naar verhouding minder rijken in meer egalitaire culturen.
Maar ook dan stopt de ruk naar rechts nog niet. We hebben Wereldoorlog I en II gehad. Dat gaf daarna tijdelijk een focus op productie doordat er veel gedood en vernield was. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat een Wereldoorlog III niet nodig is. De meest sombere voorspellingen zijn dat rond 2070 het zeeniveau mogelijk twee meter of meer gestegen zal zijn. Een dergelijke stijging van de zeespiegel leidt tot veel vernietiging, waardoor productie (tijdelijk) weer belangrijker wordt.
Uiteindelijk is de keuze dus: willen we produceren en onze problemen oplossen of willen we liever babbelen en vechten om wat er al is. De gang van zaken rond de klimaatopwarming laat zien dat de babbel-optie de afgelopen dertig jaar consequent gekozen is. Dat is misschien niet verstandig (mijn mening), maar het is wel de realiteit (een feit). Kennelijk moet de wal uiteindelijk het schip keren. Daarna kunnen de mensen die de zaak overleefd hebben, de dan broodnodige productie weer op gang brengen.
Een aardig, maar ook nog al verontrustend voorbeeld van de neiging tot babbelen staat beschreven in de Volkskrant van 28/06/2018. David Smeulders, hoogleraar Energietechnologie, Technische Universiteit Eindhoven, merkt in een ingezonden brief op dat de beslissing om huizen af te koppelen van het gas qua CO2 grote gevolgen heeft. Een gemiddeld gezin verstookt 1500 kuub gas dat resulteert in 2700 kg CO2. Bij overgang op kolenstroom om hun huis te verwarmen hebben ze 5000 kilowattuur nodig. Dat levert 40000 kg CO2 op. Natuurlijk wil men graag zonnestroom, maar die is in de winter slechts beperkt beschikbaar. In totaal produceert afkoppeling van het gas dan tot anderhalf maal zoveel CO2. Voor de opwarming van de aarde een kwalijke zaak.
Door via systeem 1 te 'denken' doet men precies het omgekeerde van wat men zou moeten doen om het probleem werkelijk aan te pakken.
-----
* Superforcasting. The Art and Science of Prediction. Philip Tetlock, Dan Gardner, 2016 (hier).
** De uitkomsten van het online-trainingsprogramma leren in dit verband vijf zaken.
- Allereerst laat het het op een simpele manier zien dat informatie op twee totaal verschillende manieren verwerkt kan worden: via systeem 1 of via systeem 2. In het eerste geval komt alleen de globale boodschap over, maar de rest niet. Bij opnieuw aanbieden wordt het item weer fout gemaakt. In het tweede geval komt ook de overige informatie over.
- Ten tweede laat het zien dat de neiging om systeem 1 te hanteren onvoorstelbaar sterk kan zijn en vrijwel niet te doorbreken valt. Er ontstaat in dit soort gevallen een soort leerblokkade. Dit verklaart de problemen van alfa's met bètastof.
- Ten derde is het vermogen informatie te verwerken via het programma meetbaar en blijkt het om een persoonsgebonden variabele te gaan. Sommige mensen scoren voortdurend hoger dan gemiddeld, anderen lager.
- Ten vierde blijkt uit de negatieve correlatie met de taalfactor dat mensen gespecialiseerd zijn in een van beide verwerkingsmethodes. Men is of alfa, of bèta, maar niet iets daar tussenin. Deze specialisatie lijkt ook via training niet te doorbreken.
- Ten vijfde blijkt uit de resultaten dat de studenten na een aantal sessies met het programma aanmerkelijk beter zijn geworden in informatieverwerking via systeem 2. Systeem 2 denken is dus trainbaar en kan en moet kennelijk ingeoefend worden.
*** The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. Richard Wilkinson, Kate Pickett, 2011 (hier).
zaterdag 17 maart 2018
Alfa's en bèta's verschillen extreem in vaardigheid
Laatst bijgewerkt op 21/3/2018 om 12:31.
De vorige blogpost begon met de vraag of de alfa/bèta-factor verschillen in intelligentie tussen groepen kan verklaren. Het antwoord op die vraag schuif ik nog even op de lange baan. Ik hoop daar in een volgende blogpost op terug te komen. De poging een antwoord op deze vraag te vinden, heeft ondertussen echter al drie resultaten opgeleverd.
Allereerst moeten we onderscheid maken tussen alfa- en bèta-intelligentie. We verwachten dat alfa's in verhouding beter zijn in taal dan in wiskunde en we verwachten van bèta's dat die beter zullen zijn in wiskunde en rekenen dan in taal. Doordat men een enkele maat voor intelligentie hanteert, worden voor dat doel beide vaardigheden gemiddeld.
Wanneer we echter geen informatie willen verliezen, moeten we ook het verschil tussen de score op taal en de score op rekenen/wiskunde gebruiken. Dat levert de verschilfactor op. We verwachten dat we die verschilfactor kunnen gebruiken als indicatie voor het alfa of bèta zijn van mensen. Als dat klopt (en daar lijkt het ondertussen wel op) hebben we daarmee een vijfde manier gevonden om te bepalen of iemand alfa of bèta is.
Een tweede punt dat we gevonden hebben, is dat de alfa/bèta-factor die we op deze manier krijgen, inderdaad studierichtingen ordent op een manier zoals je zou verwachten. Typische alfastudies scoren hoog op deze factor, typische bètastudies scoren laag.
Een derde punt was dat deze alfa/bèta-factor ook een verschijnsel als de 'science wars' lijkt te verklaren. De zachte benadering van wetenschap van de alfa's ten opzichte van de harde, natuurwetenschappelijke benadering van de bèta's lijkt samen te hangen met de score op deze factor.
Er zwieren echter ook nog wat losse eindjes rond. Ik probeer daarom in deze blogpost een aantal punten te checken en na te lopen.
De basis van de scores
Als score voor een studie/vakgebied hanteren we de gemiddelde score die studenten voor of van deze studies gehaald hebben op de GRE (Graduate Record Examinations) voor de subtests: Verbaal en Kwantitatief. Of het gaat om studenten die in een bepaalde richting verder willen (master of doctor), of het gaat om studenten die hun bachelor in een bepaalde richting hebben gedaan. Is het terecht om studierichtingen op deze manier te karakteriseren?
Studierichtingen moeten uiteindelijk werken met de studenten die zich aanmelden. Amerikaanse top-universiteiten kunnen misschien streng selecteren, maar vervolgens zullen lager (in de rankings) scorende universiteiten soortgelijke studies aanbieden. Verder wordt in de praktijk uiteindelijk ook de staf geselecteerd uit het aanbod van studenten dat zich aanbiedt. Het lijkt daardoor voor vakgebieden moeilijk collectief hun profiel te wijzigen, gesteld dat ze dat zouden willen.
Het vergelijken van appels en peren
Het vergelijken van de score op een rekentoets met die op een taaltoets, lijkt een beetje op het vergelijken van appels en peren. Hoe is het mogelijk dat we die twee scores toch met elkaar kunnen vergelijken, wat we in feite doen als we ze van elkaar aftrekken?
Om de scores op twee verschillende tests vergelijkbaar te maken, moeten ze worden gestandaardiseerd op hetzelfde gemiddelde en dezelfde standaarddeviatie. Meestal gebruiken we als gemiddelde 0 en als standaarddeviatie (SD) 1.
Eigenlijk maken we de scores vergelijkbaar door de groep als maatstaf te gebruiken. Ben je ten opzichte van de andere leerlingen heel goed of heel slecht? Als je heel goed bent, scoor je bijvoorbeeld twee SD boven het groepsgemiddelde, als je heel slecht bent zit je er twee SD onder. Scoor je gemiddeld dan zit je rond de nul.
Hele en halve alfa's en bèta's
Een probleem met de alfa/bètafactor is dat alfa's positief geacht worden te scoren en bèta's negatief. We gebruiken doorgaans nul als het scheidingspunt. Op die manier verdelen we de samenleving in twee groepen. In het soortenmodel is echter sprake van vier verschillende groepen. Worden die via de alfa/bètafactor teruggevonden en zo ja, hoe dan?
Alfa's hebben we eerder gedefinieerd als double-highs. Het zijn mensen die hoger dan gemiddeld scoren op zowel autoritarisme (RWA) als sociale dominantie (SDO). De bèta's hebben we gedefinieerd als double-lows: ze scoren op beide maten lager dan gemiddeld.
In dit geval weten we echter alleen de scores op de alfa/bèta-factor en weten we strikt genomen niets over de score op autoritarisme en sociale dominantie. Wanneer we alleen zouden werken met de score op bevooroordeeldheid doet zich precies hetzelfde probleem voor: het grijze middengebied.
Het zwaartepunt van de alfacultuur wordt gevormd door double-highs, maar daarnaast bevat de alfacultuur ook 'gewone gelovigen' (wel autoritaristisch, maar niet sociaal-dominant) en vrijwel zeker ook 'bèta-bazen' (niet-autoritaristisch, wel sociaal-dominant). Tenslotte -- helemaal aan de andere kant van de schaal -- komen de 'volledige' bèta's (of double-lows).
Het punt is dus dat een enkele maat als de alfa/bèta-factor wel vrij goed zal werken voor de uiteinden van de schaal, maar dat in het middengebied op deze manier een menggroep ontstaat, bestaande uit 'gewone gelovigen' en 'bèta-bazen.' Mensen die een beetje alfa zijn en een beetje bèta.
Er dreigen daardoor twee verschillende definities van 'alfa' door elkaar gehutseld te worden. Alfa's in enge zin (double-highs) en alfa's in brede zin: iedereen die aangetrokken wordt door de alfacultuur. Voor bèta's geldt natuurlijk hetzelfde.
In het laatste scatterdiagram van de vorige blogpost is dit probleem ook zichtbaar. De echte alfa-studies zitten in het bovenste kwart van de figuur. Dit zijn onder andere: Creative Writing, Classical Language, Philosophy, History of Science, Linguistics, Theology, Antropology, Drama, History, Art History, International Relations en Political Science. Social Work en Sociology.
Daarna komt een kwart met wat je alfa-gamma studies zou kunnen noemen. De studenten zijn meer talig, dan wiskundig, maar het verschil is niet zo groot dat je ze als hele alfa's zou willen betitelen. Dit gaat om studies als: Social Psychology, Criminology, Nursing, verschillende soorten Education, Nutrition, Neuroscience, Ecology, Cognitive Psychology.
Vervolgens komt er een kwart met wat je bèta-gamma studies zou kunnen noemen. De studenten zijn in doorsnee beter in wiskunde, dan in taal, maar het verschil is klein. Het gaat bijvoorbeeld om Anatomy, Business Administration, Physiology, Planetary Science, Geochemistry, Molecular Biology, Cell Biology, Genetics, Astronomy, Astrophysics.
In het onderste kwart krijgen we dan, wat je de echte bèta-studies zou kunnen noemen: Physics, Engineering, Computer Programming. Dat soort vakken. Hier zijn de verschillen in vaardigheid in wiskunde en taal zo groot, dat de studenten in doorsnee hele bèta's lijken.
De alfa/bèta-factor onderscheidt studies maximaal
De plaatjes in mijn vorige blogpost waren gebaseerd op GRE-gegevens van voor 2011 die ik niet meer kon achterhalen. Het leek goed mogelijk dat men bepaalde restcategorieën gemakshalve had weggelaten. Verder leek het alsof bètastudenten belangrijk intelligenter waren. Leek dat zo of was het echt zo? Het leek me daarom goed de juistheid en volledigheid van deze data te checken.
Ik heb daarom recentere GRE-data gezocht (hier en hier). Deze data hebben betrekking op de periode juli 2013 - juni 2016. Het gaat in dit geval opnieuw om 'intended graduate major,' dus de studierichting waarin de student master wil worden of een doctorstitel wil halen.
Kwantitatief en Verbaal zijn op het niveau van individuen normaal sterk gecorreleerd (bijvoorbeeld 0.77 en soms zelfs hoger), maar zijn dat op het niveau van studierichtingen niet meer. De correlatie bedroeg nu 0.09 (voor 51 studierichtingen) en is daarmee vrijwel nul.
De factor die er dus voor zorgt dat Kwantitatief en Verbaal op individueel niveau sterk gecorreleerd zijn (algemene intelligentie), werkt op het niveau van studierichtingen kennelijk niet meer. Studenten kiezen een studierichting op basis van enerzijds de vereiste algemene intelligentie en anderzijds de score op de alfa/bètafactor, lijkt het.
Het scatterdiagram dat deze data opleverden, staat hieronder (klik erop om te vergroten). In grote lijnen is het beeld hetzelfde als eerst.
De typische alfa-studies liggen keurig in een cluster bovenin. Ze scoren allemaal boven de 0.70 SD op de alfa/bèta-factor. Het gaat om de volgende studierichtingen: English, History, Art History, Anthropology, Library Sciences, Philosophy, Theology and Religion Sciences, Humanities Other, Foreign Language and Literature, Political Science en Social Work (met een score van 0.72 op de alfa/bèta-factor).
De typische bètastudies liggen onderin. Ze scoren allemaal onder de -0.30 SD op de alfa/bèta-factor. Het gaat om: Physics and Astronomy, Economics, Other Engineering, Chemical Engineering, Materials Engineering, Mathematical Sciences, Banking and Finance, Industrial Engineering, Civil Engineering, Mechanical Engineering, Computer and Information Sciences en Electrical Engineering.
Wat opvalt, is dat vrijwel alle studierichtingen die matig intelligente studenten trekken (onder de 0 SD), meer talig dan wiskundig zijn. Bètastudies voor studenten met een minder dan gemiddelde intelligentie lijken niet of amper te bestaan.
In de figuur valt te zien dat de alfa/bèta-factor de studierichtingen in de gewenste richting uit elkaar trekt. De typische alfa-studies liggen bovenin, de typische bèta-studies liggen onderin.
De alfa/bèta-factor trekt de studierichtingen verder beter uit elkaar dan dat intelligentie dat doet. In het eerste geval is het maximale verschil ongeveer 2.5 SD, in het tweede geval 1.5 SD.
Geen van de andere andere maten blijkt zelfs de studierichtingen zo sterk uit elkaar te trekken (van elkaar te onderscheiden) als de alfa/bèta-factor. De standaarddeviaties van Verbaal, Kwantitatief, Intelligentie en de Alfa/bèta-factor bedragen respectievelijk: 0.38, 0.55, 0.35 en 0.64 (in SD's voor 51 studierichtingen). De alfa/bèta-factor slaagt er dus inderdaad in de studierichtingen maximaal van elkaar te onderscheiden en doet dat beter dan alle andere maten.
Bèta's zijn in doorsnee iets slimmer
Klopt het dat bèta-studenten in doorsnee slimmer zijn? Uitgaande van deze groepsgemiddelden vind ik een correlatie van -0.39 voor 795 734 studenten. Naarmate men meer bèta is, scoort men hoger op intelligentie.
Het gemiddelde verschil in intelligentie, gemeten als het gemiddelde van Verbaal en Kwantitatief, van de studenten die onder de 0 scoren op de alfa/bètafactor met die daarboven scoren, bedraagt 0.35 SD in het voordeel van de bèta's. Het is niet een gigantisch verschil, maar maakt toch behoorlijk uit.
Ik vergelijk dan de grote groep bèta's met alle niet-bèta's. Gaat dit verschil ook op wanneer ik de grote groep bèta's vergelijk met de echte alfa's? Ik vind een verschil van 0.29 SD in het voordeel van de bèta's. Iets minder dan eerst, maar nog steeds een behoorlijk verschil.
Het gaat in dit geval echter om een geselecteerde groep: niet iedereen heeft gestudeerd en wil door voor een master- of doctorstitel. Een onderzoek waarbij dat niet of in veel mindere mate het geval was, lijkt een correlatie op te leveren tussen de -0.20 en de -0.30 (hier). Meer in het algemeen lijkt er dus inderdaad een zwak negatief verband te bestaan, tussen de score op de alfa/bèta-factor en algemene intelligentie.
Alfa's en bèta's verschillen extreem in vaardigheid
Een probleem met het voorgaande plaatje was voor mijn idee nog steeds dat er kennelijk een restcategorie was weggelaten. In de data van de ETS (Educational Testing Service) viel voor de GRE echter een overzichtstabel te vinden van alle 584 677 studenten die de tests hadden gedaan in de periode van 1 juli 2015 tot 1 juli 2016 (op p. 25-26 hier).
De studenten zijn in dit geval ingedeeld op basis van hun 'undergraduate major field:' de richting die men als bachelor doet of gedaan heeft. Dit levert het volgende plaatje op (klik erop om te vergroten).
De groep Undecided blijkt qua aantal verwaarloosbaar te zijn ten opzichte van het totaal, de groep 'No Major Provided' blijkt echter ruim een derde van het totale aantal respondenten uit te maken. Er zijn nu nog maar twee duidelijke bètagebieden over: Engineering en Physical Sciences. Verder zijn alle alfa-studies nu bij elkaar genomen als Humanities. De gamma-studies omvatten de gebieden van de Social Sciences, de Life Sciences (geneeskunde), Business, Other Fields en Education. Bij Education (in de VS vermoedelijk vaak de lerarenopleiding) valt het lage gemiddelde intelligentieniveau op (-0.42 SD).
Bij Education, Other Fields en Social Sciences valt verder op dat ze vrij hoog op de alfa/bèta-factor scoren (respectievelijk: 0.60 SD, 0.53 SD en 0.64 SD). Het zijn dus vrij 'softe' studies. Alle 'harde' wetenschappen zitten rechts onderin. Physical Sciences scoort -0.44 SD, Engineering scoort -0.75 SD op de alfa/bètafactor.
Wie het plaatje ziet, wordt getroffen door het grote verschil tussen de Humanities enerzijds en Engineering en Physics anderzijds. De Humanities scoren 1.11 SD op bèta/alfa-factor, Physical Sciences scoort -0.44 SD. Het totale verschil is daarmee 1.55 SD.
In de sociale wetenschappen wordt 0.8 SD gezien als een groot verschil (volgens de Engelstalige Wikipedia heeft Cohen dit in 1988 gesteld (hier). In dit geval lijkt het om een bijna dubbel zo groot effect te gaan. Het gaat dus, uitgaande van de gebruikelijke maatstaven, om een zeer groot verschil.
De score van 1.11 SD van de Humanities betekent dat typische alfa's 1.11 SD beter zijn in taal dan in wiskunde. De score van -0.44 SD betekent dat typische bèta's 0.44 SD beter zijn in wiskunde dan in taal. De verschillen op de alfa/bèta-factor ontstaan dus doordat we het verschil op taal en het verschil op wiskunde samenvoegen.
Typische alfa's verschillen dus zeer sterk van typische bèta's. Het verschil zit daarbij niet in de intelligentie, maar in de alfa/bèta-factor. De alfa's zijn erg goed in taal, maar slecht in wiskunde. De bèta's zijn goed in wiskunde, maar niet slecht in taal.
Hoe groot zijn die verschillen in werkelijkheid? Uitgaande van de laatste dataset en alfa's die 0.70 of hoger, en bèta's die -0.30 of lager scoren op de alfa/bètafactor, vind ik bij op Verbaal een verschil van 0.84 SD in het voordeel van de alfa's. Voor Kwantitatief vind ik een verschil van 0.90 SD in het voordeel van de bèta's. Het verschil op de alfa/bèta-factor bedraagt in dit geval dus maar liefst 1.74 SD.
Samenvatting
Ik laat in deze blogpost drie dingen zien.
1. De alfa/bèta-factor onderscheidt studierichtingen maximaal.
2. Bèta's zijn in doorsnee iets slimmer dan niet-bèta's en dan typische alfa's.
3. Typische alfa- en bèta's verschillen extreem in vaardigheid.
woensdag 7 maart 2018
De alfa/bèta-factor en intelligentie
Laatst aangepast op 10/3/2018 om 1:28.
In de vorige blogpost stelde ik de 'politiek niet correcte' vraag aan de orde of zwarte mensen minder slim zijn. Ik liet toen het antwoord over aan de lezer. Maar het is misschien toch goed om te proberen, die vraag expliciet te beantwoorden.
Het gaat om de verschillen in intelligentie tussen bevolkingsgroepen. Wat mogen we daaruit afleiden en wat niet? En: waar komen die verschillen vandaan? Hoe vallen die verschillen te verklaren?
Speciaal die laatste twee vragen zijn lastig. Op dit moment weet niemand zeker het antwoord. In deze blogpost probeer ik te onderzoeken of de alfafactor, het onderscheid tussen alfa's en bèta's, die verschillen in intelligentie kan verklaren. (Deze blogpost vormt het eerste deel van dat onderzoek.)
Het resultaat van mijn zoeken was totaal anders dan wat ik stiekem gehoopt had (ik laat dat in een volgende blogpost zien), maar als troostprijs kreeg ik een methode waarmee de alfa/bètafactor bepaald kan worden via de subtest-scores van veel intelligentietests (dat laat ik in deze blogpost zien).
Een belangrijk doel van intelligentietests (en vergelijkbare tests als de CITO eindtoets-basisonderwijs) is te voorspellen, hoe goed iemand het op school zal doen. Voor dat doel zijn twee zaken heel relevant: de beheersing van taal en de beheersing van rekenen/wiskunde. Men gebruikt voor het voorspellen van het schoolsucces in de toekomst, hoe goed men op dat moment vragen en problemen weet te beantwoorden. De test bevat daardoor een verbaal (talig) deel en een meer kwantitatief (wiskundig, abstract) deel. Het totaal van die twee delen levert doorgaans (na een weging) de eindscore.
In deze blogpost laat ik zien, dat het mogelijk is via het verschil op deze twee subtests vast te stellen of iemand alfa dan wel bèta is. Dit levert daardoor een vijfde manier om de alfa/bèta-factor te bepalen (bèta's scoren laag, alfa's hoog).
In eerdere blogposts had ik het niet over de 'alfa/bèta-factor,' maar over de 'alfafactor'. Ik bedoel met beide termen hetzelfde, maar heb gemerkt dat de term 'alfafactor' binnen de psychologie soms in een andere betekenis wordt gebruikt. Om verwarring te voorkomen, lijkt 'alfa/bèta-factor' duidelijker. Terug naar de vraag over intelligentie en groepen.
-----
Wat waren de eerste vier manieren om de alfa/bèta-factor te meten?
De eerste manier is de mate van sociale dominantie en de mate van autoritarisme vast te stellen. Bèta's scoren op beide maten laag, alfa's hoog.
De tweede manier is de mate van bevooroordeeldheid vast te stellen. Alfa's scoren hoog op bevooroordeeldheid, bèta's laag.
De derde manier is een tekst te analyseren. Alfa-teksten wijken op een vijftal punt af van bèta-teksten: vooringenomenheid, dogmatisch denken, subjectieve waarheid, taal als promotiemiddel en zachte informatieverwerking in plaats van harde.
De vierde methode is de enige betrouwbare factor die de data van de World Values Survey bevat, te gebruiken.
-----
Wat is het antwoord op de vraag?
Ik denk dat we de vraag beter zo kunnen formuleren: zijn Joden echt slimmer dan niet-Joden? Wanneer we als maat voor slimheid/domheid een IQ-test gebruiken, wat in dit verband niet zo'n gekke meetmethode lijkt, moet het antwoord dus luiden: ja, in doorsnee wel.
Dat laatste moet er wel bij. We hebben het hier over gemiddelden. We kunnen dat dus niet vertalen naar individuele Joden en niet-Joden.
Het punt is dus, wanneer je het op witte en zwarte mensen betrekt, dat de desbetreffende zwarte persoon akelig slim kan zijn en de desbetreffende witte persoon akelig dom. Denk bijvoorbeeld aan Obama en Trump.
Ik bevind me nu op glad ijs, want strikt genomen weet ik van beiden het gemeten IQ niet. Op grond van wat Obama zegt in zijn toespraken, durf ik echter wel een inschatting maken. Het lijkt me onmiskenbaar dat hij een vrij rationeel mens is.
Op dezelfde manier kan ik van Trump ook een inschatting te maken. Mijn inschatting van Trump op dit punt komt heel veel lager uit dan mijn inschatting van Obama. Vergelijk het met de manier waarop een onderwijzer op de basisschool kan inschatten of een kind wel of niet geschikt is voor het VWO. Soms gaat dat mis, maar in het algemeen lukt dat vrij goed, blijkt uit onderzoek. Het gaat vooral mis, wanneer de onderwijzer niet analytisch kijkt en zich laat leiden door niet-relevante informatie. Dus: door vooroordelen.
Op het moment dat we echt het IQ van Trump en Obama zouden gaan meten, kan natuurlijk blijken dat ik er toch naast zit. Het blijft slechts mijn inschatting.
Dit voorbeeld illustreert, althans wat mij betreft, dat sommige zwarte mensen belangrijk slimmer kunnen zijn dan sommige witte mensen. Dit voorbeeld laat echter ook nog iets anders zien, denk ik.
Twee soorten intelligentie
Wanneer we de intelligentie van Trump proberen in te schatten en we denken aan succes op school en succes op vergelijkende IQ-testen, zie ik niet iemand voor me die de Wiskunde Olympiade wint.
Ik schat dus vooral zijn bèta-intelligentie laag in. Trump lijkt me niet voorbestemd een Nobelprijs natuurkunde te winnen. Het lijkt me niet iemand die veertig jaar gedreven zoekt naar de oplossing van dat ene lullige probleempje dat de Natuur ooit gesteld heeft en dat nog niemand heeft opgelost.
Ik kan dit nog verder concretiseren. Wie de foto's bekijkt van de winnaars van de Wiskunde Olympiade ziet bepaalde overeenkomsten. Om de sekseverschillen kwijt te raken, geef ik hier de link naar een paar jonge dames die kennelijk erg goed waren (hier).
Het ging over schoolse intelligentie en nu heb ik het opeens over uiterlijk. Dat lijkt nogal een wilde sprong. Wie echter kijkt naar het plaatje van de jonge dames ziet een bepaalde overeenkomst. Ze stralen iets uit. Wat ze uitstralen, mist Trump. Of omgekeerd: wat Trump uitstraalt, missen zij. (De lezer kan gerust zijn: de alfafactor waar ik het over heb, blijkt doorgaans inderdaad zichtbaar te zijn in het uiterlijk.)
Ik kan nog specifieker worden. Het volgende is slechts een gedachtenexperiment. We zoeken mensen die als kwaadaardige bloedhonden ontsnapte slaven willen opsporen. Mensen die net zo lang doorgaan tot ze de ontsnapte te pakken hebben. Mijn vraag is nu simpel: zijn deze dames voor dat doel geschikt?
Je kunt je moeilijk mensen voorstellen die het gevraagde minder in zich hebben. Deze dames mogen dan goed zijn in wiskunde en aanverwante zaken, maar voor de bloedhondentest zijn ze -- wat mij betreft -- bij voorbaat gezakt. Vermoedelijk zouden ze tenslotte thuiskomen met een of ander vogeltje dat ze onderweg tegenkwamen, dat dringend verzorging nodig had.
Gelukkig hebben we nog meer sollicitanten, waaronder ene Trump. Eigenlijk zoeken we niet alleen een bloedhond, maar ook iemand die een 'posse' kan organiseren, om de ontsnapte op te drijven en in de kraag te grijpen, zodat die zijn verdiende straf kan ondergaan. (Een 'posse' is in Amerika een groep gewapende burgers die jacht maakt op voortvluchtigen.)
Kan Trump de man zijn die we voor deze job zoeken? Mijn inschatting is dat we de ideale kandidaat gevonden hebben. Trump mag van mij de posse bij elkaar roepen en deze leiden, maar pas zodra ik me op veilige afstand bevind.
Het is dus misschien mogelijk dat Trump het qua schoolse intelligentie niet zo geweldig doet, maar het lijkt onmiskenbaar dat hij andere kwaliteiten heeft. Hij is goed in het bespelen van een bepaalde bevolkingsgroep. Wat hij mogelijk mist aan schoolse vaardigheid, maakt hij goed met sociale handigheid.
Trump lijkt de geboren leider van een ultra-rechtse club die volledig gefixeerd is op macht en voor dat doel tot alles bereid is. Mijn inschatting voor Trump zou dus zijn dat hij vrijwel maximaal scoort op op iets dat we kunnen omschrijven als 'alfa-intelligentie'.
Afgaande op mijn eigen ervaringen is sociale handigheid of sociale intelligentie tegenwoordig vaak belangrijker dan goed zijn in schoolse vakken. Mensen hebben lak aan feiten, maar ze worden graag ingepakt met een 'mooi' verhaal. Met andere woorden: alfa-intelligentie is vermoedelijk vaak belangrijker dan bèta-intelligentie.
Alfa- en bèta-intelligentie
Ik veronderstel in het voorgaande dus
dat er twee verschillende soorten intelligentie te onderscheiden
vallen: alfa-intelligentie en bèta-intelligentie. Alfa's hebben
vooral alfa-intelligentie nodig om de top van de hiërarchie te
bereiken, bèta's hebben bèta-intelligentie nodig om hun productie
te maximaliseren en problemen met de harde natuur op te lossen.
Die veronderstelling dat er alfa- en
bèta-intelligentie bestaat, volgt uit het -- volledig op empirisch
onderzoek gebaseerde -- soortenmodel. Het soortenmodel verdeelt
moderne samenlevingen in twee verschillende culturen: een alfacultuur
en een bètacultuur. Bèta's proberen te overleven door individueel
te produceren en problemen op te lossen. Alfa's proberen een mooi en
veilig leven te leiden door lid te worden van een machtige groep en
binnen die groep zo'n hoog mogelijke status te bemachtigen.
Omdat alfa's geschikter zijn voor een
alfacultuur en bèta's voor een bètacultuur, moeten ze verschillen
op de variabelen die voor het functioneren in hun cultuur van belang
zijn. Je verwacht dus dat bèta's beter zijn in het oplossen van
problemen die de harde natuur stelt, terwijl alfa's handiger zouden
moeten zijn in het oplossen van de 'sociale' problemen waar de
machtige groep hen voor stelt. Bèta's zouden dan beter moeten
zijn in harde problemen en alfa's beter in 'zachte' problemen. (Ik
schrijf 'zacht' tussen aanhalingstekens, omdat menselijke groepen
waarin men strijdt om de macht, wel vergeleken worden met een kuil
vol hongerige leeuwen. Of zoals de Romeinen zeiden: de mens is gelijk
een wolf.)
Als het soortenmodel dus klopt, zou je
verwachten dat alfa's beter zijn in het manipulatief gebruik van
taal, terwijl bèta's beter zouden moeten zijn in het gebruik van
taal om zaken te beschrijven en te analyseren. Bij beschrijven en
analyseren spelen getallen een grote rol. Een boer kan bijvoorbeeld
zijn melkproductie niet maximaliseren, zo lang hij niet weet hoeveel
melk iedere koe precies geeft. Dit betekent dus dat je ook verwacht
dat bèta's beter moeten zijn in het werken met getallen en manieren
om die getallen te analyseren.
Van 'science war' naar kwantitatieve vaardigheid
Eind 2010 wilde Razib Khan als student Moleculaire Biologie het bijvak Antropologie volgen. Hierdoor raakte hij betrokken
bij de 'science war' zoals die op dat moment woedde binnen de antropologie. Hij
schreef daarover de blogpost: 'De' ondragelijke 'witheid' van
'wetenschap' (hier).
Een voorstander van deze alfabenadering formuleerde het volgens Khan ondermeer zo: 'Historically
not included under the rubric of “science”, however, are the
thousands of distinct indigenous knowledge systems that exist around
the world. Indigenous knowledge is only recently being understood and
accepted by those in the West (and in anthropology) as the equally
complex (and equally valid) indigenous counterpart to Western
science.' Inheemse verklaringen
waren volgens deze voorstander van 'alternatieve waarheid' even
complex en valide als Westerse wetenschappelijke verklaringen.
Khan is die alfabenadering niet
toegedaan en vindt die kwalijk. Hij reageert op onder meer deze
passage met: 'I assume you’re back now that you’ve cleaned
up after vomiting? This is fundamentally Another Way of “Knowing.”'
Hij moet van dit soort gepraat, bij wijze van spreken, overgeven. Het
gaat hier om een fundamenteel andere manier van 'Weten', stelt hij.
Ik denk dat hij op dit laatste punt
gelijk heeft. De twee culturen hanteren fundamenteel verschillende
criteria voor waarheid. In de alfacultuur is iets waar, omdat een
autoriteit het stelt en men het op grond daarvan vervolgens gelooft.
In de bètacultuur is iets waar, wanneer en zo lang de bewering
overeenstemt met de beschikbare waarnemingen.
Even verderop vervolgt Khan met: 'Too
often when I argue with the sort of cultural anthropologist who is
strongly influenced by what we would broadly (and sometimes
inaccurately) term ‘post-modernist,’ and buys strongly into the
thesis that we look through the glass so darkly that objectivity is
well nigh impossible, one is invariably pummeled by a gale-force
blast of obscurantism. But there is a curious tendency at work:
obscurity, complexity, and subtly, are on stark display when they
wish to deny a positive assertion you make, but such nuance recedes
when they make clear statements as to what is just, right, and true.
In the end I feel that I’m wasting my time with a
bizarro-world lawyer.' (De vette letter is van Khan.)
Khan zocht naar aanleiding
van zijn blogpost vervolgens naar gegevens om de weerzin van antropologen tegen
harde wetenschap cijfermatig te onderbouwen. Had het omarmen van kwalitatieve onderzoeksmethodes en de weerzin tegen kwantitatieve methodes misschien te
maken met de kwantitatieve vaardigheid van antropologen, vroeg Khan zich af. Deze vraag resulteerde in een volgende blogpost van Kahn (hier),
die ik hierna bespreek.
De taalfactor en de kwantitatieve
factor
In Amerika vragen veel universiteiten
voor toelating tot hun masterprogramma van de studenten die zich
aanmelden de scores op van de GRE (Graduate Record Examinations). De
GRE is een verzameling van drie tests die door de ETS (Educational
Testing Service) worden aangeboden en die men tegen een (forse)
vergoeding kan afleggen. De GRE bestaat uit drie onderdelen: Verbal
Reasoning, Quantitative Reasoning en Analytical Writing. Vertaald:
Verbaal Redeneren, Kwantitatief Redeneren en Analytisch Schrijven.
In de praktijk correleert dit laatste
onderdeel, waarbij de student tweemaal iets moet schrijven en die
twee teksten vervolgens door twee beoordelaars worden beoordeeld,
sterk met verbaal redeneren. De laatste test is echter zeer
betrouwbaar, terwijl het schrijfonderdeel dat niet is. Om dus een
idee te krijgen van hoe vaardig studenten van verschillende
studierichtingen zijn, volstaan de scores op de eerste twee tests:
Verbaal en Kwantitatief.
In eerste instantie heeft Khan een
aantal studierichtingen via de gemiddelde scores van hun studenten
weergeven in onderstaande scatter-diagram (klik op het plaatje om het te vergroten). De score voor Verbaal is
weergegeven op de horizontale as, de score voor Kwantitatief is
weergegeven op de verticale as.
Duidelijk valt te zien dat een
studierichting als Filosofie de studierichting is die in de
masterfase de meest verbale studenten trekt, terwijl Wis- en
Natuurkunde (Math en Physics) de studierichtingen zijn, die de meest
wiskundig onderlegde studenten trekken. Alle bèta-studies scoren met
hun gemiddelde op Kwantitatief hoger dan 650.
De typische alfa-studies liggen
kennelijk altijd onder die grens. Dat betekent overigens niet dat
alle studies die onder die grens liggen, altijd typische alfa-studies
zijn. Accounting, Agriculture, Architecture, Biology, Earth Science
zijn dat bijvoorbeeld niet.
Voor het alfa-zijn van een studie
moeten we echter niet alleen kijken naar de score op Kwantitatief,
maar vooral ook naar de score op Verbaal. We zouden dan de grens
bijvoorbeeld kunnen leggen rond een score van 540. Dit levert als
typische alfastudies op: Filosofie, Engels, Geschiedenis,
Kunstgeschiedenis en Religie.
Bevestiging van het soortenmodel
Wat we dus via deze gegevens vinden,
is dat alfastudenten hoog scoren op taal en laag op kwantitatief,
terwijl bètastudenten hoog scoren op kwantitatief en naar verhouding
lager op taal.
Dat is natuurlijk ook precies wat
iedereen zou verwachten. We zijn echter zo vertrouwd geraakt met dit
resultaat, dat we de relevantie niet meer zien. We zien hier een verband tussen belangstelling voor een bepaald vakgebied en de
vaardigheid die men in doorsnee heeft. Er zit dus een koppeling
tussen interesse en vaardigheid!
Het doet denken aan de gelijkheid van
zware massa en trage massa in de natuurkunde, die zo vanzelfsprekend
werd gevonden door alle natuurkundigen, dat niemand er nog over
nadacht. Het was nu eenmaal zo. Iedereen wist het. Het was niet
anders. Tot Einstein op het idee kwam, dat die gelijkheid wel wat erg
toevallig was.
Als twee totaal verschillende zaken
precies gelijk blijken te zijn, is het moeilijk om te geloven dat het
om puur toeval gaat. Er moest dus een onderliggende verklaring zijn.
Je zou dus verwachten dat er een verklaring moet zijn, waarom mensen
die zich aangetrokken voelen tot een vak als natuurkunde zo goed zijn
in wiskunde. Of waarom mensen die zich aangetrokken voelen tot een
vak als filosofie zo goed zijn in taal.
Het soortenmodel levert die verklaring. Moderne
landbouw-samenlevingen zijn opgebouwd uit twee verschillende
culturen. Om optimaal te functioneren in de ene cultuur, zijn totaal
andere vaardigheden vereist dan in de andere cultuur. In de
alfacultuur komt men via handig taalgebruik (de productie van mands)
het verst, in de bètacultuur komt men via scherp en gericht nadenken
(de productie van tacts) het verst. Het resultaat dat we gevonden
hebben, bevestigt daarmee het bestaan van mensen die geoptimaliseerd
zijn voor het functioneren in één van die twee culturen.
Een verklaring voor de 'science wars'
Het was Khan echter begonnen om het
verklaren van de 'science war' bij antropologie. Antropologie blijkt
vlakbij Engels, Geschiedenis en Kunstgeschiedenis te scoren.
Het zit met de score op Kwantitatief rond de 550, terwijl
harde vakken als Natuurkunde bijna 750 scoren. Een enorm verschil
dus. Dit gebrek aan kwantitatieve vaardigheid (de GRE probeert
slechts kwantitatieve vaardigheid op highschool-niveau te meten),
lijkt dus inderdaad de weerzin van antropologen tegen harde
wetenschap te verklaren.
Khan leverde op deze manier, door wat
met data en de computer te stoeien, een kwantitatieve verklaring voor
de 'science war' bij antropologie. Als dit echter de verklaring is
voor de science war bij antropologie, zou je verwachten dat dit ook
de verklaring voor de science wars in het algemeen moet zijn.
Khan realiseerde zich echter vermoedelijk niet goed de relevantie van zijn resultaat.
Allereerst realiseerde hij zich als moleculair bioloog vermoedelijk
niet dat er voor iets als de science wars een onderliggende
variabele moet bestaan, die het verschil in benadering kan verklaren.
Ten tweede beschikte hij niet over het
soortenmodel, dat op dat moment nog niet bestond. Dankzij het
soortenmodel is duidelijk, dat het om twee verschillende culturen gaat. In de ene
cultuur gaat het om harde feiten die moeten kloppen met de
beschikbare waarnemingen. In de andere cultuur gaat het om politieke
correctheid. Taal wordt gezien als slechts een middel om de eigen
status in de groep te verbeteren. Het probleem dat dan resteert, is het verschil tussen beide culturen op een of andere manier te kwantificeren.
Algemene intelligentie en de alfa/bèta-factor
Meer dan een jaar later, in
januari 2012, komt Kahn naar aanleiding van een andere blogpost op de
kwestie terug (hier).
In zijn eerste nieuwe scatterdiagram
heeft hij slechts een aantal geselecteerde studierichtingen gebruikt.
In zijn nieuwe scatterdiagram (zie hieronder, klik op het plaatje om het te vergroten of klik hier) gebruikt hij alle studierichtingen van
de GRE-data met meer dan honderd studenten.
Een tweede verbetering die hij in dit scatterdiagram heeft doorgevoerd, is dat hij de scores van Verbaal en Kwantitatief
gestandaardiseerd heeft (op hetzelfde gemiddelde en dezelfde
standaarddeviatie) zodat ze onderling vergelijkbaar zijn.
De derde verbetering die hij
doorvoert, is echter de belangrijkste. Een probleem bij deze figuur is
dat de scores op Verbaal en Kwantitatief sterk samenhangen. Mensen
die goed zijn in getallen en wiskunde, zijn in doorsnee ook goed in
taal. De taalfactor en de wiskundefactor zijn bij mensen normaal sterk
gecorreleerd. (Die correlatie kan soms wel rond de 0.80 bedragen.)
Beide tests bevatten in hoge mate een gemeenschappelijk factor:
algemene intelligentie. In de figuur hierboven is dat zichtbaar
doordat zowel de duidelijke alfastudies als de duidelijke bètastudies
in het zelfde kwadrant zitten (rechtsboven).
In de volgende figuur (klik om het plaatje te vergroten of
klik hier)
heeft Khan dit probleem opgelost door de scores voor taal en wiskunde
(na ze eerst vergelijkbaar gemaakt te hebben door te standaardiseren)
te middelen. Het gemiddelde van de twee (gestandaardiseerde) scores
gebruikt hij in deze figuur als index voor algemene intelligentie.
Vervolgens heeft hij echter ook het
verschil tussen beide gestandaardiseerde scores berekend. Op deze
manier ging geen informatie verloren. (Wie van twee getallen het gemiddelde weet en het verschil tussen die twee getallen, kan de oorspronkelijke getallen terugvinden.) De beide scores werden dus vertaald
in een gemeenschappelijke factor, algemene intelligentie en een
verschilfactor. Ik duid die verschilfactor aan als: de
alfa/bèta-factor.
In feite gaat het om dezelfde figuur
als eerst, maar is het assenstelsel nu 45 graden gedraaid en is de
figuur gespiegeld, wat eerst boven de horizontale as zat, zit nu
beneden die as. Er is dus geen informatie verloren gegaan, alleen het
assenstelsel is geroteerd en de bèta's zitten nu onderin plaats van
bovenin.
De typische alfastudies zitten nu
uiterst rechtsboven. De typische bètastudies zitten nu uiterst
linksonder. De studies verschillen niet zozeer in intelligentie --
geschat als het ongewogen gemiddelde van Verbaal en Kwantitatief --
maar vooral op het verschil tussen verbaal en kwantitatief. De
studies verschillen dus vooral op de alfa/bèta-factor.
Wie langer naar de figuur kijkt, ziet
dat er een driedeling mogelijk is. In het bovenste deel van de figuur
zitten de 'echte' alfastudies. Dit stuk begint bij Creative Writing
en gaat door tot en met Social Work en Sociology. Vervolgens komen,
wat men zou kunnen noemen, de gammastudies. Dit begint bij Community
Psychology en Social Psychology en loopt door tot met Genetics en
Cell & Mol. Bio(logy). Tenslotte komen de 'echte' bètastudies.
Dit begint bij Immunology, Astronomy en Astrophysics. Het eindigt met
Computer Programming.
Terugblik
Wat hebben we nu precies gevonden?
Mijn veronderstelling was dat er twee verschillende soorten
intelligentie moeten bestaan. Uitgaande van het volledig op empirisch
onderzoek gebaseerde soortenmodel, vallen er in een moderne
landbouw-samenleving twee verschillende culturen te onderscheiden.
Alfa's zijn vooral geschikt voor het functioneren in een alfacultuur,
bèta voor het functioneren in een bètacultuur. Hiervan uitgaande
zou er een verschil in vaardigheden constateerbaar moeten zijn.
Wat we vervolgens gevonden hebben is
een algemene intelligentiefactor en een alfa/bèta-factor, die het
verschil weergeeft tussen verbale en kwantitatieve vaardigheid. Die alfa/bèta-factor blijkt
studierichtingen goed te ordenen via de gemiddelde scores van
hun studenten. De typische alfastudies vinden we bovenin, de typische
bètastudies vinden we onderin.
Verder vinden we als toegift dat de alfa/bèta-factor kennelijk ook het verschil in benadering verklaart dat zichtbaar wordt bij de 'science wars'. De schrijver van de blogpost, Razib Khan, vond de post-modernistische benadering van de antropologen, waarin het bestaan van objectieve kennis ontkend werd, volledig niets. Wie het laatste scatterdiagram raadpleegt, ziet dat de Moleculaire Biologie die Khan studeerde, vrijwel in het typische bètagebied ligt, terwijl Antropologie volledig in het typische alfagebied ligt.
Verder vinden we als toegift dat de alfa/bèta-factor kennelijk ook het verschil in benadering verklaart dat zichtbaar wordt bij de 'science wars'. De schrijver van de blogpost, Razib Khan, vond de post-modernistische benadering van de antropologen, waarin het bestaan van objectieve kennis ontkend werd, volledig niets. Wie het laatste scatterdiagram raadpleegt, ziet dat de Moleculaire Biologie die Khan studeerde, vrijwel in het typische bètagebied ligt, terwijl Antropologie volledig in het typische alfagebied ligt.
Gaat hetzelfde ook op voor de
Sokal-affaire? Alan Sokal, een hoogleraar natuurkunde, stuurde een
'indrukwekkend' artikel naar het tijdschrift Social Text
(culturele studies), dat in zijn ogen volstrekte bullshit was. Het
artikel werd probleemloos geplaatst. De redactie zag geen probleem
met zijn bijdrage.
Culturele studies zitten niet onder
die naam in het scatterdiagram van Kahn, maar zullen vermoedelijk
dicht bij Antropologie en Sociologie gezocht moeten worden.
Natuurkunde, het vakgebied van Sokal, zit volledig in het bètagebied.
Ook de Sokal-affaire kan dus via de alfa/bèta-factor verklaard
worden.
Al met al levert deze blogpost daarmee
drie belangrijke uitkomsten. Allereerst hebben we een nieuwe (vijfde)
methode gevonden om de alfafactor te meten, namelijk als het verschil
op de taalfactor en de kwantitatieve factor. Ten tweede blijkt het
mogelijk studierichtingen op deze alfa/bèta-factor te ordenen. De
typische alfastudies scoren hoog, de typische bètastudies scoren
laag. Ten derde lijkt deze alfa/bèta-factor ook het verschil tussen
pseudowetenschap en empirische wetenschap te verklaren. Denk
bijvoorbeeld aan de Sokal-affaire.
Terug naar de vraag waar deze blog mee begon: kan de alfa/bèta-factor het verschil in intelligentie tussen groepen verklaren? Wanneer we ervan uitgaan dat intelligentie bestaat uit (de som van) een taalfactor en een kwantitatieve factor, dan levert het verschil tussen die twee de alfa/bèta-factor. Deze verschil-factor lijkt dan dus nooit een verschil in totale intelligentie te kunnen verklaren, maar geeft wel aan waar men naar verhouding beter in is: het gebruik van taal of het hanteren van wiskunde. Dit komt vermoedelijk overeen met: beter zijn in zachte dan wel harde informatieverwerking.
Terug naar de vraag waar deze blog mee begon: kan de alfa/bèta-factor het verschil in intelligentie tussen groepen verklaren? Wanneer we ervan uitgaan dat intelligentie bestaat uit (de som van) een taalfactor en een kwantitatieve factor, dan levert het verschil tussen die twee de alfa/bèta-factor. Deze verschil-factor lijkt dan dus nooit een verschil in totale intelligentie te kunnen verklaren, maar geeft wel aan waar men naar verhouding beter in is: het gebruik van taal of het hanteren van wiskunde. Dit komt vermoedelijk overeen met: beter zijn in zachte dan wel harde informatieverwerking.
Abonneren op:
Posts (Atom)





