donderdag 4 januari 2018

Waarom de slavernij is afgeschaft



Laatst aangepast 10/1/2018 om 0:37.


In de Volkskrant van 2/1/2018 stelt Sebastien Valkenberg het onderwerp slavernij aan de orde met de titel: Stel eens de échte vraag over slavernij. De vraag waar het volgens hem om moet gaan, is: waarom is de slavernij op een bepaald moment overwegend afgeschaft?

Hij merkt terecht op dat slavernij in de geschiedenis altijd de norm was. Het was niet de uitzondering, maar de norm. Het is dus niet iets, dat dateert uit de tijd van het kolonialisme.

Het is ook niet iets dat alleen gekleurde mensen trof. Wie de bijbel naslaat, vindt daar al hele verhandelingen over de omgang met slaven. 

De indruk die deze passages op mij altijd gemaakt hebben, was dat men (in die tijd, in die cultuur) slavernij accepteerde, maar er tegelijkertijd ook huiverig voor was. Het was aan strikte regels gebonden. Men zag toen al het problematische ervan. 


Hoe zit het precies met slavernij?

Slavernij dateert van na de uitvinding van de landbouw. Jagers/verzamelaars zijn doorgaans egalitair. Ze schieten met een slaaf ook weinig op. Die kan zo in het oerwoud een andere kant uitlopen.

Na de uitvinding van de landbouw verandert dat om een of andere reden. Waarom? Vrijwel zeker weten we inmiddels de reden: sociale dominantie. De baas willen zijn. Na de uitvinding van de landbouw wordt het moeite waard om baas te zijn over een groep mensen.

De strongman verovert met zijn leger niet alleen voorraden, maar ook mensen. Hij kan die mensen doden, maar heeft er dan niets meer aan. Hij kan ze ook proberen te gebruiken als slaaf.

Volgens het soortenmodel moet de strongman eerst een leger van volgelingen/gelovigen hebben, die voor hem de kastanjes uit het vuur halen. De slaven mogen dus het werk doen, waar de volgelingen/gelovigen geen zin in hebben.

Het zwaarste werk vroeger, was vermoedelijk iets als het land bewerken. Men zet dus slaven in om het land te bewerken en ander zwaar en vervelend werk te doen.

Maar in het soortenmodel vinden we onderin qua status de double-lows. Dat zijn akelig rationeel denkende mensen die met weinig tevreden zijn (ze zijn niet agressief) en die bovendien ook nog eens zeer op hun vrijheid gesteld zijn. Dat waren dus geen slaven, maar kennelijk boeren en eventueel ambachtslieden.

Waar blijven de slaven dan, die de strongman heeft veroverd? Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat die slaven onmiddellijk toetreden tot zijn elite. De slaven komen dus in hetzelfde hokje als de gewone volgelingen/gelovigen. Misschien komen ze helemaal onderin dat hokje terecht, maar als ze niet vluchten of weglopen, dan komen ze daar terecht.

Waarom laat men de slaven niet gewoon het land bewerken? Dat is vele malen geprobeerd bij mijn weten. Als ik het goed heb, kwamen ook de Romeinen op dat schitterende idee. Ze vervingen de freemen, de boeren, door slaven. Dat leek voordeliger. Kortgeleden heeft men in communistische landen iets soortgelijks geprobeerd. Wat is het probleem? De productie stort in.

Probeer eens een boerderij te runnen met ambtenaren. Dat wordt niks. Met slaven wordt het nog minder.

Slaven zijn qua productie dus slechts beperkt inzetbaar. Voor een optimale productie moet men enerzijds vrij zijn, anderzijds positief gemotiveerd zijn. Beide zaken zijn precies, wat slaven niet zijn.

Voor slaven zijn er dus uiteindelijk maar twee opties. Of ze vluchten met succes en worden vrij en zelfstandig. Of ze worden volgeling/gelovige.


Het effect van slavernij

Beide opties hebben grote gevolgen. Slaven die gegrepen worden na hun vlucht, zullen in veel gevallen ter dood worden gebracht, na eerst te zijn gemarteld, om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. Slaven die na hun vlucht niet gegrepen worden, verwijderen zich zo ver mogelijk.

Het gevolg is dat het percentage double-lows (de mensen die vrijheid omarmen) in de samenleving terugloopt. Maar zonder double-lows kan een samenleving niet goed bestaan. Zij moeten de productie op gang houden en de zich voordoende problemen oplossen.

De slaven die berusten in hun lot, bevinden zich in een hiërarchische relatie tot hun Heer. Hij kan met hen doen en laten, wat hij wil. Om te overleven moeten ze zich dus volledig concentreren op het niet ontstemmen van hun Heer en op het overnemen van zijn manier van denken, zijn denkbeelden en zijn gewoontes.

Het niet ontstemmen van hun Heer is in de praktijk niet altijd eenvoudig is, omdat slavenhouders vaak double-highs of alfa's zullen zijn. Dat betekent dat ze uitermate agressief en impulsief zijn, niet in staat zijn goed te kijken, niet in staat zijn zorgvuldig onderzoek te doen en niet in staat zijn tot rationeel denken om maar enkele van hun geestelijke beperkingen te noemen.

De reden waardoor slavenhouders vaak alfa's zullen zijn, is dat ze aan de ene kant te maken hebben met een groep en aan de andere kant de baas moeten blijven over die groep. Aan de ene kant moeten ze autoritarist zijn, aan de andere kant moeten ze sociaal dominant zijn. Deze twee kenmerken impliceren ook dat ze uitermate agressief zijn.

Welke optie een slaaf dus ook kiest, voor de samenleving die slavernij omarmt, is het resultaat altijd hetzelfde. De cultuur verschuift belangrijk naar de alfakant.


De dodelijke omhelzing

Een alfacultuur kan echter alleen goed bestaan op basis van een productieve onderlaag waarvan de productie wordt afgeroomd. Er zijn dus altijd zelfstandige bèta's nodig, wil een alfacultuur kunnen gedijen. Door de verschuiving naar de alfakant worden die bèta's schaarser en komen de nog wel aanwezige bèta's nog sterker onder druk te staan.

Er ontstaat een cultuur waarin het gaat om macht en status en waarin discriminatie en geweld wordt gezien als de methode om alle problemen op te lossen. Doordat vrijwel niemand meer in staat is tot rationeel denken, worden problemen niet meer aangepakt en opgelost. De productie wordt een steeds groter probleem en stort tenslotte in.

De slavenhouder is aan een onderneming begonnen, waarvan hij zelf de consequenties in de verste verte niet overziet. Tussen de slavenhouder en zijn 'volgelingen/gelovigen' heeft zich een kwaadaardige band ontwikkeld die beide partijen gevangen houdt. Op termijn levert dit een dodelijke omhelzing op.

De slavenhouder produceert mands, commando's, en gaat daardoor in mands denken. Zijn 'volgelingen/gelovigen' vinden alles prima, zijn het overal mee eens, mits ze maar te eten krijgen. Verder nemen ze de manier van denken, die hun Heer hanteert, over.

Beide partijen worden autoritaristisch en sociaal dominant. Daarmee worden ze ook bevooroordeeld, agressief en irrationeel. Hoe hoger men binnen de groep komt, hoe beter men het krijgt. De woorden die men produceert, zijn volledig gericht op een maximaal sociaal effect, maar komen steeds verder los te staan van de realiteit.

Bij beide partijen raakt het denken gecorrumpeerd. Beide partijen gaan in mands (commando's) denken in plaats van in tacts (beschrijvingen). Hierdoor wordt informatie uit de externe wereld die binnenkomt, niet langer bewust verwerkt.

In plaats daarvan ontstaat een virtuele wereld. Men gelooft, wat men elkaar vertelt, en wat men gelooft, is heilig en moet verdedigd worden. Men past zich niet langer aan, aan de de externe wereld, maar gaat leven in de eigen virtuele wereld van zijn geloof.

Tenslotte worden de problemen met de externe wereld zo groot, terwijl men niet in staat is via gerichte acties die problemen rationeel aan te pakken, dat de cultuur instort.


Verwoestende uitwerking

Wat voor verwoestende uitwerking een alfacultuur heeft op de menselijke geest en op de moraal, kan men zien in de lijst van 12 kenmerken die Altemeyer heeft gevonden via valideringsonderzoek voor autoritaristen (hier).

Mijn lijst met tien kenmerken van de alfafactor (hier), inmiddels uit te breiden met een elfde punt: het verschil in informatieverwerking (hier), is al even weinig opwekkend.

Het valt ook rechtstreeks te zien, zonder onderzoek te doen. Het resultaat van een alfacultuur valt te zien in bijvoorbeeld Haïti. Eén van de armste, meest corrupte en meest gewelddadige landen ter wereld. Niet omdat de natuur tegenwerkt, niet omdat het klimaat tegenwerkt, maar omdat er met de mensen die hier tenslotte zijn overgebleven, in doorsnee iets fundamenteel mis is.

Haïti is niet het enige land in de wereld waar het resultaat van een alfacultuur zichtbaar is. Wie  op de globe iets meer naar links gaat en iets omhoog, ziet de VS liggen. Een extreem gewelddadig land dat tegelijkertijd extreem religieus is. Een land waar een extreem groot deel van de bevolking zit opgesloten. Een land met een fascist aan het roer.

Wie in de VS echter nauwkeuriger kijkt, ziet dat de ellende zich concentreert in bepaalde gebieden, terwijl er kleine vlekjes op de kaart zijn waar het nationale inkomen wordt verdiend. De gebieden waar de problemen niet worden aangepakt, hebben voor Trump gestemd. Hij moet als een soort wijze vader de problemen maar krachtdadig oplossen, vindt men. Dat geloof suggereert dat er met de informatieverwerking van de betrokkenen iets grondig mis is.

De reden om slavernij af te schaffen en in plaats daarvan over te gaan op loonslaven, is dus uiteindelijk welbegrepen eigenbelang. Loonslaven werken altijd nog een stuk beter dan echte slaven. Althans dat is mijn idee, maar mogelijk zien alfa's dit meer in moralistische termen.

Nog slimmer zou zijn, het te verrichten werk volledig uit te besteden. Maar nu zit er een belangrijke adder in het gras. Een schilder die per uur betaald wordt, heeft de neiging veel langer over de klus te doen, dan een schilder die een afgesproken bedrag krijgt.

Beter is dus om de schilder te betalen op grond van zijn product en prestaties. Bij een boer is dat relatief simpel, bij een schilder kan dat best lastig zijn. 


Conclusie

Wie de kwestie van slavernij rationeel probeert te bekijken, ziet dat er steekhoudende argumenten zijn om alles dat riekt naar slavernij (en andere onnodige en overbodige hiërarchische relaties), zo volledig mogelijk uit te bannen.

Slavernij en alle andere zaken waardoor de alfafactor toeneemt, is voor een samenleving tenslotte de dood in de pot. Het gaat ten koste van de productie, de kwaliteit van het denken en ten koste van het normbesef. Tegelijkertijd nemen zaken als discriminatie en agressie sterk toe.

Het levert een stagnerend en arm land op, waar mensen niet in staat zijn scherp te denken, met veel corruptie en vergaande agressie.

Tot overmaat van ramp zijn die zaken -- voor zover tot nu toe bekend -- niet eenvoudig terug te draaien.

Achteraf valt natuurlijk nooit met zekerheid te zeggen, waarom men slavernij officieel heeft afgeschaft. Maar dat het rationeel gezien een uitermate verstandige beslissing was, lijkt me onmiskenbaar.






woensdag 3 januari 2018

Meer wis- en natuurkunde, minder discriminatie?


Laatst aangepast op 5/1/2018 om 13:36.


Het doel van deze blog is discriminatie te begrijpen en er zo mogelijk iets tegen te ontwikkelen.

Discriminatie blijkt in de praktijk gekoppeld te zijn aan negatief gedrag. Het gaat dus om discrimatie in combinatie met agressie. Wie discriminatie bestudeert, krijgt agressie automatisch meegeleverd.

Een tweede punt is dat de geneigdheid tot discrimiantie/agressie per persoon anders kan zijn en eenvoudig gemeten kan worden als de mate van bevooroordeeldheid (prejudice).

Een derde punt is dat bevooroordeeldheid twee 'verklarende' variabelen heeft. Die twee variabelen samen zijn in staat de mate van bevooroordeeldheid vrijwel volledig te voorspellen. Het gaat om sociale dominantie en autoritarisme.

Sociale dominantie is een overweldigend streven naar macht en letterlijk alles willen doen om die te verwerven. Autoritarisme is je toevlucht zoeken in de groep en voor die groep of de leider daarvan alles willen doen, inclusief liegen, stelen, geweld en moord.

De laatste variabele levert een hechte groep op. De eerste variabele levert de leider van die groep en de adjudanten van de leider: zijn elite.

Discriminatie/agressie kan dus niet los gezien worden van groepen. Het is vrijwel altijd het product van groepen. 


Wie volgen de leider?

Dat mensen graag leider willen zijn van een groep, valt wel te begrijpen. Dat levert veel voordelen op. Maar waarom mensen zich achter zo'n leider scharen, leek moeilijker te begrijpen.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd de grote vraag daarom: wat drijft mensen om iemand als Hitler te volgen? Waarom helpen bepaalde mensen zo'n man aan de macht? Voor iemand als Trump kan men hetzelfde vragen. Zo zijn er wereldwijd natuurlijk heel veel strongmen en het lijken er zelfs steeds meer te worden.

In werkelijkheid gaat het lang niet altijd om grote dictators. Soms zijn het kleine. Ik lees net een boek over The Family van Charles Manson. De auteur, Ed Sanders, schrijft: 'Jonge mensen moeten de technieken kennen die een guru of een zogenaamde leider kan gebruiken om ze te vangen in een web van onderwerping, zodat ze hier voortdurend alert op zijn' (p. 10).

Manson focuste op knappe, jonge vrouwen. In werkelijkheid raken mannen en vrouwen van alle leeftijden voortdurend in de greep van mannen en vrouwen met een tomeloze lust naar macht. Het gaat dus niet alleen om mensen als Hitler en Trump, het kan ook gaan om je buurman, je buurvrouw, je eigen man, je eigen vrouw, je eigen kind.

De kans dat ze behoren tot de sociaal-dominante helft van de bevolking is 50%. Een van de twee mensen in de samenleving is sociaal-dominant. Misschien niet allemaal in dezelfde extreme mate, maar wel meer dan gemiddeld. (Er zijn iets meer sociaal-dominante mannen, dan vrouwen. Maar ook dan nog blijven er veel sociaal-dominante vrouwen over.)

Dan hebben we het alleen nog maar over de leiders van het kwaad. Zonder volgelingen begint een leider niets. Waar vindt de leider volgelingen die zijn orders blindelings willen uitvoeren?

Op dezelfde manier bekeken, is de helft van de bevolking autoritaristisch. De helft van de bevolking is meer dan gemiddeld geneigd een leider te volgen en zich daaraan te onderwerpen. De apirant leider hoeft niet lang en niet ver te zoeken. De volgelingen liggen voor het oprapen.

Dat druk ik te zwak uit. Volgelingen hoeven niet opgeraapt. Volgelingen voelen zich tot de leider aangetrokken als staal door een magneet. Zodra ze te dicht in de buurt van de leider komen, klikken ze vast. 


Het doel van de mob

En dan? Wat is het nut van zo''n machtige groep? Wat is de brandstof die de machtige groep, kortweg de mob, aandrijft?

The Family van Charles Manson, zijn 'gezinnetje', vormde in de woorden van Ed Sanders: het Dune Buggy Attack Battalion. Het Duin Buggy Aanvals-Bataljon. De duin-buggy's waren gestolen buggy's met vierwiel-aandrijving. Bedoeld om mee door de duinen van Death Valley te crossen. Het aanvalsbataljon viel aan, stal, roofde en moordde.

Zo extreem gaat het niet altijd. Soms gaat het extremer. Vaak gaat het minder extreem. De basis voor de groep, is macht. Als groep vormt men een respectabele macht. Door die macht te gebruiken, krijgt men dingen, diensten en geld. Kan men mensen onderwerpen, mensen afpersen, mensen dwingen, mensen verleiden.

Discriminatie in combinatie met agressie is dus niet iets bijzonders. Het is niet zeldzaam. Het is ongeveer zo oud als dat er mensen zijn.

Niet helemaal. Discriminatie/agressie heeft geen zin in een samenleving waarin niets te halen valt. In een samenleving zonder voorraden, zoals jagers/verzamelaars die vroeger hadden (en soms nog hebben, hoewel er niet veel meer over zijn), komt het niet of amper voor. Discriminatie/agressie is dus iets, dat ontstaan is na de uitvinding van de landbouw zo'n twaalfduizend jaar geleden.

Dat betekent dat sociale dominantie, autoritarisme en bevooroordeeldheid/agressie vroeger niet bestonden. Die kenmerken hadden toen geen nut, want iedereen moest zelf zijn eten uit het oerwoud halen.

Dat verklaart het verschijnsel discriminatie/agressie. Doordat er rijke voorraden zijn in landbouw-samenlevingen, werd het interessant die in te pikken. Boeren waren zo dom om met hard werken veel eten te produceren, maar een handige jongen organiseert een knokploeg en pikt de hele zaak in.

Om een mob te organiseren, zijn slechts twee zaken nodig: een groep en een leider. De overal aanwezige autoritaristen klitten automatisch samen en vormen een groep. De overal aanwezige aspirant-leiders worden lid van de groep en proberen -- koste wat het kost -- de top te bereiken.

In een landbouw-samenleving krijgen we aan de ene kant mensen die de productie verzorgen en de problemen proberen op te lossen. Wat vroeger de boeren en ambachtslieden waren. Deze mensen scoren laag op sociale dominantie en autoritarisme (double-lows of bèta's) en daarmee ook op bevooroordeeldheid/agressie.

Aan de andere kant hebben we, wat je de mobsters zou kunnen noemen. De mensen die niet produceren, maar pakken. Die groepsvorming en strijd zien als middel voor een mooi bestaan. De mensen die machtige groepen vormen, de macht naar zich toe trekken, die discrimineren, geweld plegen en tenslotte oorlogen beginnen en genocides plegen. 


De structuur van de mob

Een machtige groep of mob is altijd hiërarchisch opgebouwd. De mob bestaat uit een leider met zijn elite. Deze mensen scoren hoog op zowel sociale dominantie als op autoritarisme (double-highs of alfa's). Aan de ene kant willen ze met alle geweld de baas zijn, aan de andere kant voelen ze zich alleen veilig in een groep.

Een mob heeft echter ook voetvolk nodig, de soldaten, de aanhang. Er werd altijd aangenomen dat dit puur autoritaristen zouden zijn. Het lijkt echter plausibel dat mensen ook zich kunnen aansluiten in de hoop hogerop te komen. Een mob lijkt dus ook aantrekkelijk voor sociaal-dominanten. Het nog wat schaarse onderzoek op dit punt lijkt daar ook op te wijzen.

De strongman trekt vermoedelijk dubbel: hij trekt beide categorieën aan. Het voetvolk, de gamma's, komt dan in twee smaken. We hebben de 'authoritarian followers' (de volgelingen/gelovigen). Ze hebben alle kenmerken van de alfa's maar missen hun sociale dominantie. Je zou dit de alfa-gamma's kunnen noemen, de onderworpen, maar agressieve gelovigen. De soldaten van de strongman.

Aan de andere kant hebben we de mensen die in beginsel alle eigenschappen van de bèta's hebben, maar ook nog sociaal dominant zijn. Mensen die scherp kunnen denken, maar ook een tomeloze lust hebben hogerop te komen. Dit zou je de bèta-gamma's kunnen noemen. De technici, wiskundigen en raketontwerpers die de top willen bereiken. De generaals die veldslagen winnen. Deze mensen maken de strongman met zijn club nog gevaarlijker.

Een mob bestaat dan uit de leider met zijn elite van alfa's. Vervolgens komen de gamma's. Aan de ene kant de alfa-gamma's, de onderdanige volgelingen/gelovigen. Aan de andere kant de bèta-gamma's, de mensen die uit koele berekening doen alsof ze een gewone volgeling/gelovige zijn. 


De geschiktheid voor de mob

Welke factor bepaalt nu of men wel of niet kiest voor de mob? Voor zover op dit moment bekend, is dat bevooroordeeldheid (prejudice), de maat die we gebruiken om agressie te meten. Wat iemand meetorst aan sociale dominantie en autoritarisme, komt bijelkaar in de mate van bevooroordeeldheid.

Bevooroordeeldheid kun je op drie verschillende manieren opvatten. Allereerst zijn het geuite vooroordelen. Negatieve oordelen over bevolkingsgroepen. Daarom wordt het gezien als maat voor agressie.

Die vooroordelen vormen echter ook een niet op feiten gebaseerd geloof. Bevooroordeeldheid valt daardoor ook op te vatten als maat voor geloof, voor irrationaliteit.

Tenslotte zit er in bevooroordeeldheid ook nog iets van gerichtheid op groepen mensen. Het gaat niet over de eigenschappen van schelpen aan het strand waar men vreemde opvattingen over heeft, maar over andere mensen en dan vooral groepen andere mensen.

Bevooroordeeldheid meet de geschiktheid voor de mob. Als lid van de mob moet je agressief zijn, zodra je leider het signaal geeft. Als lid van de mob moet je doen, wat je opgedragen wordt. Je moet geloven, wat je verteld wordt te geloven. Tenslotte moet je denken in groepen mensen die bestreden moeten worden. Jouw groep, jouw mob is heilig. Het is de basis van je bestaan. Andere groepen deugen niet, ze moeten bestreden en onderworpen worden. Of gewoon vermoord of wegggejaagd. 


Het beteugelen van mobs

Hoe valt discriminatie/agressie te beteugelen? Hoe vallen mobs in te perken? Je zou denken: door te zorgen dat discriminatie/agressie minder oplevert.

Iemand die tegenwoordig geen discriminatie/agressie pleegt, dreigt echter al snel gezien te worden als 'loser'. Hoe beter men is in het graaien, des te hoger de status. De typische manier waarop mobsters denken.

De praktijk is dus dat samenlevingen precies het omgekeerde doen. Het wordt steeds voordeliger om agressief te zijn en discriminatie/agressie te plegen. Discriminatie, geweld en oorlog worden -- misschien niet altijd expliciet, maar wel impliciet -- verheerlijkt. Kijk naar iemand als Trump. Zijn publiek vindt het allemaal prachtig.

Als we zo doorgaan, vechten we elkaar tenslotte de tent uit. In dit geval: de wereld uit. Je hebt kans dat na Wereldoorlog III de mensheid niet langer een bedreiging vormt voor de planeet Aarde.

Einstein beweerde dat Wereldoorlog IV uitgevochten zou worden met stokken en stenen, maar als er echt een Wereldoorlog IV komt, zou die hoop nog wel eens akelig kunnen tegenvallen. Zo lang er mensen zijn, begint alles weer van voren af aan.

Het beteugelen van mobs is geen simpel probleem. Zelfs een Wereldoorlog III, hoe afschuwelijk ook qua de te verwachten aantallen doden, zal dat probleem niet oplossen.

Democratie, democratische controle werd lang verondersteld de oplossing van het probleem te zijn. Zonder overheid gaat het niet, want dan begint iedere strongman zijn eigen mob. Of een buitenlandse strongman komt de zaak hier overnemen.

In theorie is de beste manier om mobs in te perken, een sterke overheid. Streng, maar rechtvaardig. Dank zij zo'n sterke overheid komen de mobsters, waar ze thuishoren: in de cel. De mobsters hebben dan opeens een stuk minder zin in mobbing. Want het moet natuurlijk wel wat opleveren. 


Problemen van democratische controle

De praktijk is echter dat overheden vaak niet zo sterk zijn. En dat de democratische controle door kiezers ook beperkingen heeft. Op die manier kon Hitler aan de macht komen, werd Trump in Amerika verkozen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

De redenen waarom democratie niet zo geweldig werkt, hebben te maken met de twee variabelen die discriminatie/agressie als het ware 'veroorzaken.'

Aan de ene kant vormt de overheid natuurlijk zelf ook een mob. Maar de basis van een mob is juist systematische ongelijkheid en irrationaliteit. Mobs zijn wel ingericht op macht en agressie, gezelligheid en genieten, maar niet op gelijkheid en productie. Overheden zijn daardoor vaak zwak en gevoelig voor allerhande vormen van corruptie.

Aan de andere kant levert het democratische controlesysteem ook veel macht op en trekt daardoor ook mobsters aan. Ook het controlesysteem wordt daardoor zwak en gevoelig voor corruptie.

Tenslotte is een groot deel van de kiezers autoritaristisch en daardoor te manipuleren. Autoritaristen verwerken informatie zwak of passief. Beide manieren van verwerking komen erop neer dat ze informatie uiteindelijk niet echt verwerken, maar het laatste systeem biedt wel de mogelijkheid om ze zonder hun toestemming of medewerking emotioneel te conditioneren.

Dan zijn er nog twee bijkomende problemen. Het eerste grote probleem is dat de productie steeds efficiënter wordt. Steeds minder mensen zijn echt nodig voor de productie. Veel banen bestaan uit vooral niet-productieve taken. Werknemers krijgen het steeds drukker, maar niet met daadwerkelijke productie.

De interactie met de harde natuur vormt echter de voedingsbodem voor het rationele denken. Naarmate steeds meer mensen steeds meer sociaal communiceren, neemt de irrationaliteit toe en daarmee ook de hoeveelheid discriminatie/agressie. Bevooroordeeldheid is immers aan de ene kant een maat voor agressie, maar aan de andere kant voor irrationaliteit. Het is de factor die het verschil maakt tussen de alfa's en de bèta's. Tussen wel en niet discrimineren.

Het tweede probleem is dat landbouw-culturen niet stabiel zijn. Het leven in de club die de macht heeft, is goed. Deze regerende mob trekt daardoor steeds meer mensen aan, die steeds harder moeten vechten om hogerop te komen. Het resultaat is dat de producerende bèta's onder druk komen te staan, terwijl men vanuit de top steeds meer agressie begint te verspreiden. Aan de ene kant uit zich dat in binnenlandse onderdrukking, aan de andere kant in oorlogen en dergelijke. Tenslotte -- leert de geschiedenis -- stort de cultuur in. 


Helpt meer wiskunde?

Zijn er geen andere methodes om iets te doen tegen discriminatie/agressie? Tegen mensen zeggen dat agressie minder belonend moet worden, is wel waar, maar lastig te realiseren.

We meten discriminatie/agressie met bevooroordeeldheid (prejudice). Dat is echter tegelijkertijd de factor die aangeeft of iemand alfa of bèta is. (De alfa's scoren hoog op deze factor.)

Maar een bèta-instelling kun je ook ontwikkelen en moet je ook ontwikkelen. Het komt nooit aanwaaien.

Een simpele methode om discriminatie/agressie te reduceren, is dus minder vrijblijvend onderwijs. Meer harde vakken. Meer wiskunde. Meer natuurkunde. Meer rekenen. Meer oefenen met goed/fout-opgaven. Minder gezellig kletsen. Minder sociale activiteiten. Harder werken. Meer ploeteren.

Maar het hoeft niet allemaal wiskunde te zijn. Uitvoerend artiesten zijn vrijwel zonder uitzondering anti-Trump. Dat is vermoedelijk geen toeval. Uitvoerend kunstenaars zitten in een harde wereld. Wanneer ze een foutje maken, ziet of hoort iedereen het.

In een harde wereld gaat het er niet om, dat je denkt dat je heel geweldig bent, je moet het zijn. Lady Gaga komt er niet, met heel erg overtuigd te zijn van zichzelf. Ze moet het iedere keer weer waarmaken.

Mensen die opgroeien in die harde wereld door te presteren, kijken niet naar wat ze denken te zien, maar naar wat ze werkelijk zien. Wie dat doet, discrimineert niet en is niet geneigd tot het plegen van agressie.

Kan het zo simpel zijn? Waarom niet? Vermoedelijk wel. Een vrijblijvende cultuur waarin alles kan en alles moet kunnen, leidt er toe dat de grootste graaiers er met de grootste buit vandoor gaan. Naarmate een cultuur strakkere regels voor iedereen hanteert -- niet voor sommigen, maar voor iedereen --, wordt de cultuur gelijker en neemt de hoeveelheid discriminatie/agressie af.


Helpt meer taal-onderwijs?

Omdat bevooroordeeldheid aan de ene kant de geneigdheid tot discriminatie/agressie meet, maar aan de andere kant ook de dimensie vormt waarop alfa's zuiver en maximaal verschillen van bèta's, lijkt het goed om meer te oefenen met vakken die helpen bij zindelijk te denken.

Iets soortgelijks kan mogelijk ook bereikt worden met iets als ballet, zingen, dansen, piano spelen. Maar hoe zit het met taal? Alfa's staan er toch om bekend dat ze iets hebben met taal? Schrijvers zou je kunnen zien als uitvoerend artiesten.

Jagers/verzamelaars hanteren taal op twee totaal verschillende manieren. Aan de ene kant is er de jacht. Communicatie moet dan kort en helder zijn en kloppen. Tijdens de jacht is men dus, net als balletdansers en natuurkundigen, heel rationeel.

Bij het consumeren van de buit, wil men zich ontspannen. Het moet gezellig zijn, het doel is de onderlinge band te versterken. De communicatie is niet langer feitelijk, maar sociaal. Wij zouden het borrelpraat noemen.

Tijdens de jacht gebruikt men tacts. Bij het kampvuur gebruikt men mands. De opmerkingen hoeven niet te kloppen met de werkelijkheid, maar moeten het juiste sociale effect opleveren. Men is op zulke moment heel irrationeel.

Mensen hebben dus een rationele en een irrationele kant. In het ene geval moet de taal kloppen met de externe werkelijkheid, in het andere geval focust men op het sociale effect van zijn woorden.

Het probleem zit hem dus niet in de taal, maar in de manier waarop iemand taal gebruikt. Het probleem met het moderne taalonderwijs is dat men zich vaak volledig concentreert op zachte informatieverwerking. Men gebruikt taal uitsluitend irrationeel. Iets dat discriminatie en agressie alleen maar bevordert.


Rationeel en irrationeel taalgebruik

Het onderscheid tussen wiskunde en taal zit niet in de vorm, maar in de betekenis. Een computertaal kan qua vorm dicht bij menselijke taal komen. Het verschil is echter dat in het ene geval een missende komma, leidt tot een niet-werkend programma, terwijl in het andere geval de menselijke lezer de missende komma vaak niets eens opmerkt.

Ook gericht zakelijk taalonderwijs met goed/fout-opgaven, het maken van concrete vertalingen waar ieder woord juist moet zijn, kan dus hetzelfde effect sorteren als oefenen met wiskunde-opgaven.

Sterker nog, wat geldt voor taal-onderwijs, geldt ook voor wiskunde-onderwijs. Wanneer mensen leren wiskundige taal irrationeel te gebruiken, iets dat bijvoorbeeld op een letterenfaculteit niet zeer bijzonder is -- en een verschijnsel dat soms ook waargenomen kan worden bij wiskundigen --, zal ook wiskunde-onderwijs averechts werken.

In feite gaat het dus om het onderscheid tact (beschrijving) of mand (commando). Taal puur beschrijvend gebruiken, is lastig te leren.

Het valt te illustreren aan het voorbeeld van '2 + 2 = 4'. De vraag is: waarom is dat zo? Op die vraag zijn in beginsel twee totaal verschillende antwoorden mogelijk. Het ene antwoord is: 'Omdat de juf dat zegt.' Het andere antwoord is: 'Omdat twee knikkers met nog twee knikkers erbij, bij opnieuw tellen vier knikkers opleveren.'

Het eerste kind heeft een mand geleerd, het tweede kind een tact. Het eerste kind is mogelijk voorgoed verloren voor wiskunde, het tweede kind kan steeds verder komen. Het eerste kind is kandidaat om ooit hoog te scoren op bevooroordeeldheid, het tweede kind kandidaat om ooit laag te scoren.

Met een voorbeeld als '2 + 2 =4' valt wel te illustreren, dat kinderen in beginsel twee totaal verschillende zaken kunnen leren bij dezelfde som, maar het maakt nog niet duidelijk, hoe moeilijk de kwestie voor kinderen in werkelijkheid ligt.

Moderne meesters en juffen zijn namelijk niet zo goed meer in rekenen. Wat er dus gebeurt bij wat ingewikkelder problemen, die zelfstandig nadenken vereisen, is dat de meester of juf het niet meer precies weet en het foute antwoord geeft.

En wat moet je dan als slim kind? Moet je dan het conflict aangaan met de meester of juf en zeggen dat hij/zij zich toch echt vergist? Veel slimme kinderen zien dat niet zo zitten. Ze leggen zich maar neer bij het foute antwoord van de juf of meester.

Wat deze slimme kinderen dankzij het falende Nederlandse Onderwijssysteem geleerd hebben, is dat de natuur er niet toe doet, het gaat erom wat de autoriteiten vinden.

Het Nederlandse Onderwijssysteem is op dit punt niet echt uitzonderlijk. Rond 1900 leerde een Oostenrijks jongetje dezelfde les. Het valt niet meer precies te achterhalen, waar hij deze belangrijke levensles leerde, maar volgens zijn eigen verhaal was het van zijn leraar geschiedenis. Het jongetje heette Adolf.

Onderwijs kan de ene kant uitwerken, waarom zou het niet ook de andere kant kunnen uitwerken?





De twaalf kenmerken van autoritaristen


Het gebeurt regelmatig dat ik het lijstje met de 12 kenmerken van autoritaristen van Bob Altemeyer zoek. Wie The Authoritarians zorgvuldig doorneemt en ook de eigenschappen van de gelovigen erbij trekt, vindt er dacht ik nog een heel stel meer. Maar dan wordt de lijst zo lang, dat het bijna niet meer valt te bevatten.

Mensen die hoog scoren op autoritarisme (RWA-schaal) hebben volgens de definitie die gehanteerd werd voor de constructie van de items van de RWA-schaal drie kenmerken:
1 -  a high degree of submission to the established, legitimate authorities in their society;
2 -  high levels of aggression in the name of their authorities;
3 -  a high level of conventionalism.

Ik ontleen dit aan het boek The Authoritarians van Bob Altemeyer (p. 9).
Vrij vertaald:
1. men onderwerpt zich aan de leiders van zijn groep;
2. men is bereid tot agressie in naam van die leiders;
3. men houdt van vaste gewoonten, tradities en gebruiken.

Waarom wordt dit Right Wing Authoritarianism (RWA) genoemd? Het idee was dat het ging om de leiders die de macht al in hun bezit hadden. Er zouden dan ook aan de linkerkant van het politieke spectrum 'autoritaristen' te vinden, moeten zijn. Denk aan mensen als Fidel Castro toen hij nog rebel was. Dat linkse autoritarisme is echter nooit gevonden of aangetoond.

Dat lijkt bij nadenken ook logisch. Het gaat om onderwerping aan de groep en aan de leider van de groep. Of die groep zogenaamd links of zogenaamd rechts is, maakt niet uit. Autoritarisme is veiligheid en een bestaan zoeken in een groep. Zogenaamd 'linkse' groepen, blijken na korte tijd ultra rechts te kunnen worden. Groepen blijven groepen.

Autoritaristen zijn niet speciaal mensen die een sterke band hebben met de zittende leiders, maar het zijn mensen die veiligheid en een bestaan zoeken in de groep. Welke groep dat precies is, maakt ze uiteindelijk niet uit. In de definitie van autoritarisme zit immers niets dat specifiek is voor een bepaalde groep.

De mensen die aan de andere kant van de autoritarisme-dimensie zitten (de mensen die laag scoren, de mensen die zogenaamd links zitten), zijn individualisten. Volgens het soortenmodel waren het ooit relatief zelfstandige boeren en ambachtslieden.

Doordat ze individueel proberen te denken, zijn ze het onderling nooit helemaal eens. Tegen de mensen aan de rechterkant van het politieke spectrum, die een automatische neiging tot klieken hebben, kunnen ze daardoor qua macht uiteindelijk nooit op.


De twaalf punten van Altemeyer over autoritaristen

De volgende punten zijn gebaseerd op het onderzoek van Altemeyer naar de validiteit van de RWA-schaal.
  1. They are highly ethnocentric, highly inclined to see the world as their in-group versus everyone else. Because they are so committed to their in-group, they are very zealous in its cause.
  2. They are highly fearful of a dangerous world. Their parents taught them, more than parents usually do, that the world is dangerous. They may also be genetically predisposed to experiencing stronger fear than most people do.
  3. They are highly self-righteous. They believe they are the “good people” and this unlocks a lot of hostile impulses against those they consider bad.
  4. They are aggressive. Given the chance to attack someone with the approval of an authority, they will lower the boom.
  5. They are highly prejudiced against racial and ethnic majorities, non-heterosexuals, and women in general.
  6. Their beliefs are a mass of contradictions. They have highly compartmentalized minds, in which opposite beliefs exist side-by-side in adjacent boxes. As a result, their thinking is full of double-standards.
  7. They reason poorly. If they like the conclusion of an argument, they don’t pay much attention to whether the evidence is valid or the argument is consistent.
  8. They are highly dogmatic. Because they have gotten their beliefs mainly from the authorities in their lives, rather than think things out for themselves, they have no real defense when facts or events indicate they are wrong. So they just dig in their heels and refuse to change.
  9. They are very dependent on social reinforcement of their beliefs. They think they are right because almost everyone they know, almost every news broadcast they see, almost every radio commentator they listen to, tells them they are. That is, they screen out the sources that will suggest that they are wrong.
  10. Because they severely limit their exposure to different people and ideas, they vastly overestimate the extent to which other people agree with them. And thinking they are “the moral majority” supports their attacks on the “evil minorities” they see in the country.
  11. They are easily duped by manipulators who pretend to espouse their causes when all the con-artists really want is personal gain.
  12. They are largely blind to themselves. They have little self-understanding and insight into why they think and do what they do.

Vrij vertaald staat er dit over autoritaristen (zowel de volgelingen als de leiders).

1. Men denkt sterk in termen van wij-zij: wij zijn goed, maar zij zijn slecht. Doordat men de eigen groep zo zeer is toegedaan, is men uiterst fanatiek bij groepsacties.

2. Men is erg bang voor de gevaarlijke wereld.

3. Men voelt zich hoog verheven boven andere mensen. Men gelooft tot de 'goede mensen' te behoren, dit maakt veel agressie los ten opzichte van mensen die men als 'slecht' ziet.

4. Men is agressief. Men is graag bereid tot verbaal en lichamelijk geweld, zodra men maar de kans krijgt.

5. Men is zeer bevooroordeeld ten opzichte van minderheidsgroepen zoals zwarten, gekleurde mensen, homo's, LGBT'ers, buitenlanders en vrouwen.

6. Wat men gelooft, wemelt van de tegenstrijdigheden. Men babbelt er vrolijk op los. Het ene moment beweert men dit, het andere moment dat, zonder dat men zelf het paradoxale ziet. Men hanteert voortdurend dubbele standaarden. 'Bij hen is dat heel slecht, maar bij ons mag dat natuurlijk.'

7. Men kan niet zindelijk denken. Men gaat al bij voorbaat uit van de conclusie, indien men die aantrekkelijk vindt. Men besteedt geen aandacht aan de evidentie en de consistentie van de argumenten.

8. Men is vergaand dogmatisch. Doordat men zijn geloofsopvattingen ontleent aan zijn leiders, en zaken nooit zelf heeft doorgedacht, heeft men geen verdediging, zodra de feiten uitwijzen dat men fout zit. Dus zet men de hakken in het zand en weigert zijn opvattingen aan te passen.

9. Men baseert zijn opvattingen zeer sterk op sociale bekrachtiging. Men gelooft het goed te zien, omdat vrijwel iedereen die men kent, bijna iedere nieuwsuitzending die men ziet, bijna iedere commentator waarnaar men luistert, hen dat vertelt. Dat wil zeggen: men filtert alle bronnen weg waaruit zou kunnen blijken dat men fout zit.

10. Doordat men zijn blootstelling aan andere mensen en ideeën sterk beperkt, overschat men ernstig de mate waarin andere mensen het met hen eens zijn. Hierdoor gelooft men te behoren tot 'de zwijgende meerderheid', wat aanvallen op de 'gevaarlijke minderheden' in het land rechtvaardigt.

11. Men wordt gemakkelijk het slachtoffer van oplichters die zeggen achter hen te staan en hun zaak te willen steunen, terwijl deze valse profeten in werkelijkheid alleen uit zijn op persoonlijk voordeel.

12. Men is vrijwel volledig blind voor zichzelf. Men is niet in staat enigszins objectief naar zichzelf te kijken. Men heeft een volledig verwrongen zelfbeeld. Men kijkt steeds in een spiegel, die een virtueel beeld laat zien. Men heeft weinig begrip van zichzelf en weinig inzicht in waarom men denkt en doet wat men doet. 


Zijn dit ook de 'deplorables' die op Trump gestemd hebben?

Altemeyer dacht dat de mensen die op Trump gestemd hebben, het meest autoritaristische deel van de bevolking is. Dat klopt wel, maar niet helemaal.

Een strongman als Trump blijkt -- afgaande op de uitkomsten van twee verschillende onderzoeken die ik gezien heb -- op twee manieren mensen aan te trekken. Beide manieren hebben vrijwel niets met elkaar gemeenschappelijk (zijn vrijwel ongecorreleerd). Die twee manieren zijn: autoritarisme en sociale dominantie. Sociale dominantie is lust voor macht.

Beide variabelen samen voorspellen vrijwel volledig bevooroordeeldheid (prejudice). De maat die gebruikt wordt om de geneigdheid tot agressie te meten. Bevooroordeeldheid vormt tegelijkertijd ook de variabele die het onderscheid tussen alfa's en bèta's het duidelijkst en het zuiverst weergeeft. Bèta's scoren laag, alfa's scoren hoog.

De mensen die op Trump gestemd hebben, waren dus -- wanneer we beide variabelen samenvatten -- vooral bevooroordeeld en agressief. Vermoedelijk zijn ze dus vaak zowel autoritaristisch als sociaal dominant.

Het gaat dan vooral om zogenaamde double-highs of alfa's. Ze bezitten niet een 'kwalijke' eigenschap, maar twee, zou je kunnen zeggen. Deze mensen worden wel beschouwd als de gevaarlijkste mensen ter wereld door hun extreme geneigdheid tot agressie.

Behalve dat ze autoritaristisch zijn, zijn ze ook nog sociaal dominant. Dat betekent dat ze alles willen doen om de top te bereiken. Ze zijn dus zeer sterk statusgericht. Het doel van het leven is simpel: sociaal hoger te komen. Voor dat doel zijn ze tot alles bereid. Sociaal-dominanten hebben een dog-eat-dog attitude. Ik eet jou, of jij eet mij. Maar dat laatste zal dus niet snel gebeuren.

Een paar blogposts eerder heb ik een lijst gegeven met tien punten die voor alfa's lijken op te gaan. Een elfde punt dat in de laatste blogpost naar voren kwam, was dat in de alfa-cultuur informatie totaal anders verwerkt worden dan in de bèta'-cultuur. Alfa's gebruiken zachte en passieve informatieverwerking, bèta's harde.

Die elf punten kunnen dus in beginsel nog aangevuld worden met de twaalf hierboven van Altemeyer doordat alfa's niet alleen sociaal dominant zijn, maar ook autoritaristisch.











vrijdag 22 december 2017

Drie manieren van informatieverwerking


Laatst aangepast op 31/12/2017 om 23:33.



De grote vraag die nu nog over is: hoe komt het dat de alfa's het verhaal van de strongman automatisch wel geneigd zijn te geloven, terwijl de bèta's daar automatisch niets van moeten hebben? Hoe luisteren en lezen alfa's in vergelijking met bèta's?


Hoe verwerken mensen informatie?

Om die vraag te beantwoorden, kijk ik eerst naar het begrijpen van taal in het algemeen. Wat gebeurt er precies bij het luisteren naar een toespraak of het lezen van een artikel of boek? Algemener geformuleerd: hoe verwerken mensen informatie?

Wat gebeurt er als mensen luisteren of lezen? Natuurlijk zijn luisteren en lezen op punten belangrijk verschillend, maar de basisprincipes zijn hetzelfde.

Taaluitingen worden -- uitgaande van de empirisch gefundeerde principes van de gedragsanalyse -- op twee verschillende niveau's verwerkt.

Het eerste niveau is automatisch, het gebeurt of men wil of niet, en is volledig gebaseerd op emoties. De basis voor dit niveau is het mechanisme van klassieke conditionering. Dit mechanisme is ontdekt en beschreven door Ivan Pavlov in de beginjaren van de vorige eeuw.

Het tweede niveau vereist bewust gedrag: het is actieve informatieverwerking. De basis voor dit niveau is het mechanisme van operante conditionering. Dit mechanisme is in kaart gebracht en beschreven door Burrhus Frederic Skinner in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw.

Bij de verwerking op het tweede niveau -- het bewuste gedrag -- zijn er vervolgens twee verschillende mogelijkheden om de informatie te verwerken.

Die twee verschillende mogelijkheden ontstaan doordat de feedback over het succes van het gedrag dat men ontwikkelt, op twee verschillende manieren kunnen ontstaan. De eerste manier is dat de 'harde' natuur de feedback levert. De tweede manier is dat 'zachte' mensen de feedback leveren.

De basis van het Skinneriaanse behaviorisme is de Skinnner-box. De harde natuur werd nagebootst in een Skinner-box en een dier ontwikkelt dan, als het traject niet te moeilijk is, in vrijwel geen tijd dat gedrag dat eten oplevert, hoe bizar dat gedrag ook is. Op die manier leerden duiven pingpong, maar ook het besturen van raketten. Iets waar ze uiteindelijk door de snel oprukkende electronica niet voor werden ingezet.

Skinner had zich echter al snel gerealiseerd dat ook taalgedrag bewust gedrag is en dat het derhalve hetzelfde mechanisme moest gebruiken. Een idee dat op dat moment zo bizar en revolutionair was, dat het vrijwel niet viel uit te leggen. Hij werkte vanaf 1934 aan dit idee dat in 1957 resulteerde in het boek Verbal Behavior.

Tegelijkertijd leek taalgedrag ook belangrijk anders dan het gedrag in een Skinner-box. Waar zat het verschil? Een Skinnerbox kan op twee manieren gebruikt worden. De mechanische optie is dat een mechaniek het gedrag van het dier omzet in de beloning. De andere optie is handbediening. De onderzoeker bepaalt zelf of er op een bepaald moment wel of niet beloond wordt.

Nu blijkt een belangrijk verschil. Een mechanisme werkt star. Wat de duif ook doet, het mechanisme reageert onveranderlijk. Het gedrag moet precies aan de ingestelde regel voldoen. Bij bediening door mensen blijkt dat niet te lukken. Mensen zijn geen machines, althans geen simpele. Aan de ene kant gaf handbediening extra mogelijkheden, aan de andere kant minder.

Skinner realiseerde zich dat taalgedrag en ander sociaal gedrag ontstaat in interactie met mensen en niet met machines. De feedback over het succes van 'verbaal' gedrag (in gedragsanalytische termen: de consequenties) is daardoor totaal anders dan indien die van de harde natuur komt. In het geval van de natuur gaat het om objectieve, harde feedback; in het geval van mensen om subjectieve, zachte feedback.

Dit levert in totaal drie manieren van informatieverwerking op: passief, hard actief en zacht actief. Kortheidshalve noem ik de laatste twee respectievelijk: harde en zachte informatieverwerking.


Passieve informatieverwerking

De eerste manier van informatieverwerking is passief. Men zou dit ook 'consumptief' kunnen noemen. De toehoorder hoort de toespraak, maar probeert daar verder niet actief iets mee te doen. Het valt te vergelijken met het kijken naar een film of het lezen van een spannend boek.

Het resultaat van het luisteren, lezen of kijken is dat de persoon subtiel veranderd is. Bepaalde zaken hebben een andere gevoelswaarde gekregen. Er zijn nieuwe associaties aangebracht.

Dit mechanisme berust op klassieke conditionering en werd al door Pavlov rond 1920 beschreven. Hij legde ook de koppeling met woorden  en taal (naar beweerd wordt: 1927, Lecture 23).

Woorden roepen emoties op. Hierdoor kunnen neutrale woorden gekoppeld worden aan emotioneel geladen woorden, waarna de voorheen neutrale woorden een emotionele lading hebben gekregen. Luisteren naar een toespraak legt op deze manier nieuwe emotionele associaties.

Door herhaald en nadrukkelijk te beweren dat de X niet deugen en uitschot zijn, dat vernietigd moet worden, blijft er bij de toehoorder iets hangen. De associatie die gelegd wordt, is dat de X gekoppeld zijn aan gevaar en ellende. De term X roept daarna een negatieve emotie op.

Reclame is bedoeld op dezelfde manier te werken, in dat geval probeert men doorgaans een positief gevoel te koppelen aan de merknaam. Het basisidee is dat er aan de ene kant emoties worden opgeroepen, die vervolgens gekoppeld worden -- of de toehoorder wil of niet -- aan andere zaken.

Voorbeelden. De massabijeenkomsten waar Hitler een toespraak gaf. De propagandafilm Triumph des Willens uit 1935 van Leni Riefenstahl. Trump die arriveert in een gigantisch vliegtuig, terwijl zijn publiek staat te wachten. De Pepsi-commercial: We Will Rock You. Parfumreclames (voorbeeld: hier). 

Uit de bijbel stamt de spreuk: aan de vruchten kent men de (vrucht)boom. Bij het beoordelen van een vruchtboom moet men niet afgaan op het fraaie uiterlijk, maar op de opbrengst: de hoeveelheid en de kwaliteit van de geproduceerde vruchten.

Een soortgelijke latijnse spreuk luidt: non teneas aurum totem quod splendet ut aurum. Neem niet als goud, alles dat blinkt als goud. Met andere woorden: de eerste indruk kan misleidend zijn.

Passieve informatieverwerking negeert deze waarschuwingen. De emotionele koppelingen die de informatie levert, worden automatisch geaccepteerd, zonder daar verder bewust over na te denken.

De bijbelse (rationele) remedie tegen passieve informatieverwerking, was: beoordelen op de vruchten. Bedenken waar het precies om gaat, wat precies het doel is en vervolgens daarop beoordelen. Dit levert de hard-actieve informatieverwerking op, die ik hierna bespreek. 


Harde informatieverwerking

De tweede manier is hard actieve informatieverwerking. Kortweg: harde informatieverwerking.

Bij actieve informatieverwerking produceert de toehoorder zelf iets nieuws via bewust gedrag dat men zelf kan sturen. Bij hard actieve informatieverwerking moet of wil de toehoorder iets produceren dat aan harde, objectieve eisen voldoet.

Een voorbeeld is een recept om cake te bakken. Het recept kan er nog zo mooi uitzien, als de resulterende cake uiteindelijk niet te eten valt, kan men er weinig mee.

Men ziet de informatie in de tekst als gereedschap: de informatie stelt in staat iets te doen. De vorm van de informatie is niet relevant, zo lang de informatie maar juist en bruikbaar is.

Een ander voorbeeld is een wiskunde-boek met een som. De tekst van de som moet vertaald worden in een reeks handelingen die tenslotte resulteren in het juiste antwoord. Het antwoord is objectief juist of onjuist. Het kan bijvoorbeeld machinaal (via de computer) beoordeeld worden.

Een ander voorbeeld is het in elkaar zetten van een IKEA-meubelstuk met behulp van de handleiding. Hoewel de handleiding gebaseerd is op tekeningen, doet dit aan het principe niets af. Bij het juist volgen van de handleiding ontstaat het meubelstuk zoals door de ontwerper bedoeld.

De feedback of consequenties worden uiteindelijk gekregen door de informatie toe te passen en te kijken of het werkt: de harde natuur levert de uiteindelijke feedback.

In minder gestructureerde gevallen zoals het in deze blog gerapporteerde onderzoek, zoekt de auteur informatie om een bepaald probleem op te lossen en noteert die informatie vervolgens zo begrijpelijk en helder mogelijk. Het uiteindelijke doel blijft echter een oplossing te vinden die werkt en toepasbaar is voor het probleem in kwestie.

Een ander voorbeeld van deze werkwijze is de ontwikkeling van het eerste vliegtuig door de gebroeders Wright. Men stelde zichzelf een concreet probleem, zocht vervolgens de benodigde informatie bij elkaar, evalueerde die, corrigeerde die, vulde die aan en testte vervolgens voortdurend zijn conclusies aan de harde natuur (in de eerste, zelfgebouwde windtunnel en op het strand).

Harde informatieverwerking begint dus met een duidelijke probleemstelling. Zodra de persoon de informatie gevonden denkt te hebben, probeert hij die te selecteren, te bewaren, veilig te stellen en te scheiden van de irrelevante informatie.

Vervolgens zal hij de betrouwbaarheid van de informatie en de bruikbaarheid van de informatie proberen te beoordelen. Tenslotte probeert hij de informatie toe te passen en beoordeelt het uiteindelijke resultaat op bruikbaarheid.

Harde informatieverwerking vergt dus veel activiteit, veel tijd, veel energie, een bepaalde instelling en een bepaalde aanleg.

Dit is de werkwijze van rationele landbouwers en empirische wetenschappers. Het is de double-low manier van informatieverwerking. Informatie wordt gezien als een stuk gereedschap, het stelt in staat iets te doen, dat men anders niet zou kunnen doen.

Men zoekt gericht informatie voor een bepaald doel, sloopt die uit de tekst, checkt die op juistheid en bruikbaarheid en neemt men tenslotte de proef op de som door de informatie toe te passen of in een testsituatie of in een praktijksituatie.

Als publicatie-medium is online, zonder betaalmuur of andere verplichtingen, favoriet. Deze manier is snel, goedkoop, gemakkelijk en men bereikt in beginsel een groot publiek.

In beginsel is publicatie echter niet noodzakelijk. Empirische wetenschappers maken in de praktijk aantekeningen, noteren wat ze gevonden en gedaan hebben en het opschrijven helpt de gedachten te ordenen.

Een empirisch wetenschapper, maar ook een technicus of een boer, kan een belangrijke ontdekking doen en die vervolgens meenemen in het graf. De waarde van de ontdekking wordt niet bepaald door de waarde die het publiek er aan toekent, maar door de juistheid en de toepasbaarheid. De natuur levert het harde oordeel, niet het 'zachte' publiek.

Deze manier van informatieverwerking werd in de bijbel samengevat als: aan de vruchten kent men de (vrucht)boom. De boom moet niet gevoelsmatig beoordeeld worden op basis van het uiterlijk, maar men moet kijken naar de werkelijke opbrengst. 


Zachte informatieverwerking

Trump die een nacht tv kijkt en vervolgens een serie woedende Twitter-berichten de wereld instuurt, waarin hij dubieuze informatie uit die programma's gebruikt om zijn tegenstanders uit te maken voor rotte vis, is een voorbeeld van zacht actieve informatieverwerking. Kortweg: zachte informatieverwerking.

Het is niet zo, dat hij zorgvuldig voor een bepaald doel de relevante informatie uit de bekeken programma's heeft gesloopt, die zorgvuldig op juistheid heeft gecheckt en ook nog de bruikbaarheid getest heeft om een empirisch probleem op te lossen. Het is dus geen harde informatieverwerking.

Wat Trump wel heeft gedaan, is selectief items uit de bekeken tv-programma's pakken, die eventueel nog wat aandikken en bewerken en vervolgens tweets produceren om zijn tegenstanders te besmeuren en zichzelf te promoten.

Het doel is niet de werkelijkheid zo goed mogelijk te beschrijven, maar zo'n groot mogelijk effect te sorteren bij zijn publiek. Hij produceert niet een tact (een feitelijke beschrijving), maar een mand (propaganda/reclame).

In het geval van harde informatieverwerking gaat het om de feitelijke juistheid en bruikbaarheid van de verkregen informatie (tacts). Het doel is kennis te produceren, die klopt met de bekende waarnemingen en die bruikbaar is voor het probleem dat men wil oplossen. De harde natuur levert uiteindelijk het antwoord.

In het geval van zachte informatieverwerking gaat het om het produceren van propaganda/reclame (mands). Het doel is een bepaald effect te bereiken bij de doelgroep. Of dat inderdaad lukt en hoe goed dat lukt, wordt uiteindelijk bepaald door de doelgroep. Een groep mensen levert via hun reacties het antwoord.

Hitler placht in koffiehuizen kranten door te nemen, op zoek naar berichten en beweringen die hij in zijn toespraken kon verwerken. Om het succes van zijn toespraken te bepalen, keek hij naar het aantal nieuwe aanmeldingen voor zijn partij, de NSDAP.

Totaal verschillende boodschappen
Een ander voorbeeld van zachte informatieverwerking is de bekende foto St Paul's Survives (hier) die in de nacht van 29 op 30 december 1940 tijdens een Duits bombardement gemaakt werd van St. Paul's Cathedral door Herbert Mason (hier). De foto verscheen in de Daily Mail van 31 december 1940.

Volgens de Engelstalige Wikipedia (op 29/12/2017) werd de foto:  . . . a symbol of British resilience and courage [ . . .]  It became "instantly famous", and turned the Cathedral into "a symbol of togetherness, survival and suffering."  De kathedraal die midden in de vlammenzee overeind bleef staan, werd een symbool van Britse weerstand en moed.

De Duitse nazi-propaganda maakte van dezelfde foto echter iets totaal anders. De foto verscheen op het cover van het januari-nummer 1941 van de Berliner Illustrierte Zeitung met de tekst: 'Die City von London brennt!'  De foto vormde het bewijs dat de Duitse bombardementen op Londen resultaat hadden.

Bij zachte informatieverwerking kan dezelfde basisinformatie (de foto van de kathedraal) resulteren in totaal verschillende boodschappen. In het eerste geval is de foto een bewijs van de Britse moed, in het tweede geval is de foto het bewijs van Duitse effectiviteit. Van hetzelfde basisgegeven worden totaal verschillende boodschappen gemaakt door de verschillende partijen.

Onbedoelde uitkomsten
In extreme gevallen van zachte informatieverwerking neemt men simpelweg een bestaande tekst over en presenteert die als eigen werk. Het doel is immers het beïnvloeden van de doelgroep. De herkomst van de tekst is voor de 'auteur' bij gebruik als mand niet relevant.

Andere mensen kunnen daar -- wanneer het plagiaat uitkomt -- anders over denken en dit zien als diefstal. Bij zachte informatieverwerking kan het dus gebeuren dat het effect in eerste instantie was zoals de bron voor ogen had, maar dat het effect in tweede instantie averechts is. In plaats dat de 'auteur' erkenning krijgt, koppelt hij uiteindelijk negatieve associaties aan zichzelf.

Een beroemd voorbeeld van zachte informatieverwerking die uiteindelijk verkeerd uitpakte, was de nazi-propaganda over de Luftwaffe. De Duitsers wisten deze propaganda uitermate goed te organiseren. Men stelde de Luftwaffe als onoverwinnelijk voor. De Messerschmidt Me 209 brak voor dit doel het wereldsnelheidsrecord, terwijl men het vliegtuig aanduidde als Me 109R. Men wekte daarmee de indruk dat het om een variant van de normale standaardjager van de Luftwaffe, de Me 109 ging.

De uitermate succesvolle propaganda had echter twee onbedoelde neveneffecten. Allereerst raakte men in Engeland zo zeer onder de indruk, dat de ontwikkeling en de productie van de Spitfire absolute prioriteit kreeg. Ten tweede raakte Herman Göring, de opperbevelhebber van de Luftwaffe, door de propaganda overtuigd van de eigen onoverwinnelijkheid. Hij liet daardoor voor en tijdens de Slag om Engeland na elementaire maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld extra brandstoftanks voor de jagers. Beide kwesties speelden een grote rol in de voor de nazi's negatieve afloop van de Slag om Engeland, iets dat van grote invloed was op het verdere verloop van de oorlog.

Een ander voorbeeld van de onbedoelde neveneffecten van propaganda is het rampzalige verloop van de strijd van de nazi's aan het Oostfront. In de nazipropaganda waren de Sovjets voorgesteld als smerige, minderwaardige, domme wezens. Men onderschatte daardoor allereerst zelf de omvang van het project. Vervolgens maakte men daardoor de fout een 'vuile' oorlog te willen voeren. In plaats van massaal over te lopen en zich over te geven, bleef de Sovjets daardoor geen andere optie over dan zich dood te vechten.

Doordat zachte informatieverwerking propaganda produceert die van invloed is op de eigen groep, maar ook op de tegenpartij en doordat een misleidend beeld wordt verspreid, kan het dus grote onbedoelde neveneffecten opleveren. Men wordt slachtoffer van de eigen irrationaliteit.

Indrukwekkend en fraai uiterlijk
Mensen die zachte informatieverwerking hanteren, hebben een voorkeur voor indrukwekkende, fraai gedrukte publicaties. De folders van Dior zijn een lust voor het oog. Studenten in alfa-studierichtingen laten soms hun scripties, hoewel ze niets gevonden of ontdekt hebben, inbinden, zodat op het oog een indrukwekkend boekwerk ontstaat.

In beide gevallen van actieve informatieverwerking speelt feedback (in gedragsanalytisch termen: de consequenties) een doorslaggevende rol. In het eerste geval wordt die echter door de harde natuur geleverd, het resultaat moet kloppen en bruikbaar zijn. In het tweede geval wordt de feedback geleverd door mensen die zich vooral laten leiden door het gevoel dat de informatie bij hen oproept.

De doelgroep bij zachte informatieverwerking hanteert niet het rationele en empirisch wetenschappelijke principe van: aan de vruchten kent men de boom. In plaats daarvan laat de doelgroep zich leiden door het uiterlijk, de vorm, door de autoriteit van de spreker en andere bijkomstige zaken die niet gerelateerd zijn aan de feitelijke juistheid en toepasbaarheid van de informatie.

Zachte informatieverwerking is alleen zinvol wanneer de doelgroep de informatie overwegend passief verwerkt. Daar double-lows of bèta's informatie bij voorkeur hard verwerken (indien mogelijk qua tijd), gaat het kennelijk om mensen die vooral behoren tot de alfacultuur. 


Conclusie 

Bij passieve informatieverwerking beoordelen we de vruchtboom op het prachtige uiterlijk. Bij harde informatieverwerking kijken we naar de opbrengst. Bij zachte informatieverwerking produceert men een 'mooi' verhaal waarmee men de doelgroep ervan overtuigt dat het een geweldige boom is, die best wat mag kosten.

Zachte en passieve informatieverwerking horen bij elkaar en behoren tot het domein van de alfacultuur. Harde informatieverwerking is het favoriete domein van de bèta's. De twee culturen hanteren totaal verschillende manieren van informatieverwerking.

De vraag waar deze blogpost mee begon, kan nu ook beantwoord worden. Het verhaal van de strongman is het resultaat van zachte informatieverwerking. Het verhaal is bestemd voor mensen in de alfacultuur (de elite van de strongman en zijn aanhang) die informatie passief, of eventueel zacht, verwerken, maar nooit hard.




donderdag 21 december 2017

Tien verschillen tussen alfa's en bèta's


Laatst aangepast op 28/12/2017 om 23:02.


De vraag waar het in deze blog steeds om draait, is: hoe werkt discriminatie? Wie zich dat afvraagt, merkt dat discriminatie onlosmakelijk verbonden is met agressie. Wie die vraag dus beantwoordt, krijgt als bonus ook meteen de verklaring voor agressie (andere mensen onnodig beschadigen, geweld, doodslag, moord, oorlog en genocide) meegeleverd.

Vervolgens komt het inmiddels beschikbare empirisch wetenschappelijke onderzoek op dit gebied ons te hulp. Om te beginnen kan de geneigdheid tot discriminatie en agressie al behoorlijk lang gemeten worden via bevooroordeeldheid (prejudice). Dat is mooi, want zonder meetinstrument kom je niet ver.

Ten derde zijn er twee variabelen ontdekt, autoritarisme (RWA-schaal) en sociale dominantie (SDO-schaal), die samen discriminatie en agressie vrijwel volledig voorspellen. Men beschouwt deze variabelen daarom als de oorzaken van discriminatie en agressie.


Het soortenmodel

Deze twee variabelen samen leveren een bepaalde structuur op voor iedere moderne samenleving: het (vereenvoudigde) soortenmodel. Wanneer we een aantal mensen willekeurig selecteren en bij elkaar zetten, ontstaat naar verloop van tijd een machtige groep met aan het hoofd een Grote Leider. Om hem heen zijn adjudanten: de elite. Daar weer omheen zijn 'gewone' aanhangers.

Zijn aanhang (de mensen die op hem stemmen en hem aan de macht helpen, dus de elite en de gewone aanhangers) heeft twee verschillende motieven. Het eerste motief (autoritarisme) is dat ze lid willen zijn van een machtige groep. Dat biedt bescherming, levert gezelligheid, een sociaal vangnet en vaak ook inkomsten. Het tweede motief (sociale dominantie) is dat ze macht willen. Macht levert naast status ook andere dingen zoals rijkdom en seks.

Zo ver mogelijk van de Grote Leider af, krijgen we de mensen die niet sociaal dominant en niet autoritaristisch zijn, de zogenaamde double-lows of bèta's, die de productie verzorgen en de praktische problemen oplossen.

Precies aan de andere kant van het spectrum, dus de elite van de Grote Leider, vinden we de double-highs of alfa's. Dit zijn de mensen die op beide motieven hoog scoren. Ze zijn zowel sociaal dominant als autoritaristisch. Dit zijn de mensen die het sterkst worden aangetrokken door de Grote Leider.

Dankzij ons meetinstrument, kunnen we zeggen, hoe het met de geneigdheid tot discriminatie/agressie zit. De Grote Leider met zijn elite is uitermate agressief. Wat dan komt, de volgelingen/gelovigen zijn minder agressief en minder geneigd te discrimineren. De mensen die de productie verzorgen, de double-lows, zijn niet of amper agressief.

De Grote Leider moet zijn elite en zijn volgelingen/gelovigen op een of andere manier in leven houden en wil zelf ook royaal leven. Hij laat dus productie weghalen bij de double-lows. Discriminatie en agressie hebben dus een functie voor de Grote Leider en zijn aanhang en leveren hun veel op.


Volgende vraag s.v.p.

Zonder aanhangers is de strongman iemand die zijn keel op een kist staat schor te schreeuwen. Hoe komt de Grote Leider aan zijn aanhang? Hij vertelt een 'mooi' verhaal dat inhoudt dat zijn aanhangers een prachtig leven zullen krijgen en dat specifieke minderheidsgroepen niet deugen en een kopje kleiner moeten worden gemaakt.

Wie gelooft dat verhaal? Wie zijn precies de mensen die zich achter de strongman stellen en hem aan de macht helpen. Dat was de grote vraag in het empirische discriminatie-onderzoek na de Tweede Wereldoorlog.

Inmiddels lijkt het antwoord duidelijk op basis van de variabelen die het enthousiasme voor Trump voorspellen: sociale dominantie en autoritarisme. Maar die twee samen voorspellen vrijwel perfect bevooroordeeldheid (prejudice). Verder past dit resultaat ook perfect en logisch in het soortenmodel en werkt daar een oneffenheid weg.

Het probleem in het soortenmodel waar ik op doel, is het volgende. De Grote Leider, zelf meestal een double-high, werd geacht vooral autoritaristen (volgelingen/gelovigen) aan te trekken. Verder lijkt duidelijk dat double-highs en double-lows niet goed samengaan. Er ontstaat daardoor een machtige groep en een collectie individuele double-lows. Het probleem dat overbleef was de vierde soort mensen: niet autoritaristisch, wel sociaal-dominant. Waar bleven die?

Bij een dubbele aantrekkingskracht van een strongman worden ze door hun brandende drive om de top te bereiken ook door hem aangetrokken. Niet omdat ze in hem geloven, maar omdat hij degene is met macht, die de banen en het geld verdeelt en een bepaalde veiligheid oplevert.

Het vereenvoudigde soortenmodel levert dus keurig een samenleving op met drie hoofdlagen. Bovenaan de elite, bestaande uit alfa's, dan een tussenlaag en tenslotte een onderlaag van bèta's voor het werk en het oplossen van problemen.

Het antwoord luidt dus kennelijk: bevooroordeeldheid.

Dit is echter de maat die we ook gebruiken om discriminatie en agressie te meten. Dat is natuurlijk wat onbevredigend. We proberen agressie te verklaren en vinden dan dat agressie de variabele is die agressie het beste verklaart.

Wat nu? Kennelijk is bevooroordeeldheid de variabele waar alles om draait. Het probleem is dan een verklaring te vinden voor de vraag, waarom sommige mensen bevooroordeeld zijn en anderen niet. 


Tien kenmerken van bevooroordeeldheid

Laten we beginnen met te kijken naar bevooroordeeldheid. Wat denken we te weten over bevooroordeeldheid? Die vraag kan ook geformuleerd worden als: wat zijn precies de verschillen tussen alfa's (bevooroordeeld) en bèta's (onbevooroordeeld)?

1. Bevooroordeeldheid wordt gebruikt als maat voor discriminatie/agressie. Discriminatie en agressie beginnen met het uiten van vooroordelen.

2. Bevooroordeeldheid voorspelt vrijwel volledig het enthousiasme voor de strongman. Bevooroordeeldheid is de kracht waarmee de strongman mensen aantrekt.

3. Bevooroordeeldheid is de variabele die de alfa-cultuur (double-highs) zuiver onderscheidt van de bèta-cultuur (double-lows). Men zou het kortweg ook de alfafactor kunnen noemen (alfa's scoren hoog). 

4. Bevooroordeeldheid kan ook opgevat worden als maat voor geloof/irrationaliteit.

5. Bevooroordeelde mensen denken vooral dogmatisch (vanuit hun ik, van binnen naar buiten) in plaats van inductief (vanuit de empirie, van buiten naar binnen).

6. Bevooroordeelde mensen denken, spreken en schrijven vooral in mands (commando's) in plaats van tacts (beschrijvingen).

7. Bevooroordeelde mensen hanteren vooral subjectieve waarheid in plaats van feitelijke waarheid.

8. Bevooroordeelde mensen zijn vooral gericht op mensen en niet op de harde natuur.

9. Bevooroordeelde mensen willen bij de groep horen (autoritarisme).

10. Bevooroordeelde mensen willen status en macht, willen de baas zijn (sociale dominantie).


De grote vraag die nu nog over is. Hoe komt het dat alfa's het verhaal van de strongman automatisch wel geneigd zijn te geloven, terwijl bèta's daar automatisch niets van moeten hebben? Hoe luisteren bevooroordeelde personen in verhouding tot onbevooroordeelde personen?


Een vaccin tegen discriminatie en agressie



Het doel van deze blog is discriminatie tegen te gaan. Hoe doe je dat? Het tegengaan van discriminatie kan op twee fundamenteel verschillende manieren.


Discriminatie en de bovenmeester-methode

De eerste methode is het opgeheven vingertje en zeggen dat discriminatie 'fout' en 'verkeerd' is. Je zou dit de bovenmeester-methode kunnen noemen. De bovenmeester zegt dat het niet mag en mocht iemand het toch doen, dat we dat bij hem moeten melden.

Jantje slaagt erin het schoolplein te terroriseren met zijn helpertjes. Maar ga als eenzaam kind gerust naar de bovenmeester om het te melden. De bovenmeester zit met zijn collega's in de koffiekamer koffie te drinken. Eigenlijk komt deze melding op een wat ongelukkig tijdstip. Hij heeft maar een kwartiertje pauze en moet ook nog zijn gebakje opeten. Aan het einde van de middag is er meer tijd om alles te bespreken.

Goed, ik denk dus dat die methode in de praktijk niet echt werkt.

Het idee is dat de Grote Leider alles wel zal oplossen en regelen. Dat is een mooi idee, dat veel mensen geloven, maar we weten inmiddels ook dat het zo niet werkt.

De werkelijkheid is helaas precies omgekeerd: hoe meer de Grote Leider denkt te kunnen regelen, hoe sneller de samenleving naar de afgrond dendert. Dat is althans wat het soortenmodel oplevert.


Discriminatie en de boeren-methode

De tweede benadering is ingewikkelder. Je zou dit de boerenmethode kunnen noemen.

Een boer die wil dat zijn koeien meer melk geven, schiet weinig op met de benadering van de bovenmeester. Tegen zijn koeien zeggen: 'Vandaag geef je extra melk, anders krijg je geen eten,' helpt niet echt en werkt, als de boer het echt doet, averechts. Hij krijgt niet meer melk, maar minder melk.

De boerenbenadering bestaat eruit, dat we kijken hoeveel melk iedere koe geeft en waar dat van afhangt. Zodra we weten dat bijvoorbeeld de manier van melken uitmaakt, kunnen we de beste manier van melken zoeken. Zodra we weten dat het voer uitmaakt, kunnen we het beste voer zoeken.

Een duurder woord voor de boerenbenadering is de 'empirisch wetenschappelijke methode.' Het klinkt duurder, maar komt op hetzelfde neer. Het mooie van die 'empirisch wetenschappelijke methode' is dat die werkt. Nederlandse boeren behoren tot de meest efficiënte ter wereld.

Verder is het een uitermate krachtige methode: het heeft de atoom- en waterstofbom opgeleverd. Dat is natuurlijk ook wat een bezwaar: de methode levert soms meer op dan mensen eigenlijk qua verantwoordelijkheid aankunnen.

Wie op internet gaat kijken, door bijvoorbeeld de eerste 50 links na te lopen die Google geeft op het trefwoord 'discriminatie,' ziet dat tegenwoordig de favoriete benadering de methode van de bovenmeester is. Het mag niet, als het toch gebeurt, dan moet het gemeld worden en zal de bovenmeester ingrijpen.

Het idee dat je iets krachtigs als de 'empirisch wetenschappelijke methode' die ons de atoom- en waterstofbom heeft geleverd en overvloedig eten met nog wat andere zaken als computers en dergelijke, los zou laten op een probleem als discriminatie -- iets dat leidde tot de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust -- , is voor de moderne mens inmiddels kennelijk een brug te ver.

Die boerenmethode is echter wel het uitgangspunt van deze blog. Laten we proberen erachter te komen hoe discriminatie werkt, waarom het optreedt en wat de mogelijkheden zijn om het effectief tegen te gaan. Als bonus krijgen we meteen de verklaring voor agressie en oorlog meegeleverd.

De 'empirisch wetenschappelijke methode' houdt dan in dat we ons gezonde boerenverstand proberen te gebruiken en goed en zorgvuldig proberen te kijken en waar te nemen.

Dankzij de vader van de methode, Galilei, weten we dat de eerste stap moet zijn het kwantificeren van het fenomeen dat we willen onderzoeken. Door het fenomeen meetbaar te maken, kunnen we er krachtige wiskundige analysemethodes op loslaten. De boer moet beginnen met bij te houden hoeveel kilo melk iedere koe produceert. In ons geval: discriminatie moet meetbaar gemaakt worden. Een probleem dat al zo'n zeventig jaar geleden opgelost is.

Dankzij de vervolmaker van de methode, Einstein, weten we verder dat we als de dood moeten zijn voor verborgen assumpties. Voor je het weet, maak je stiekem ergens een veronderstelling die jezelf heel normaal vindt, omdat iedereen altijd die veronderstelling maakte, maar die niet in de empirie wortelt.


Het vreemde van de bovenmeester-methode

Met de eerste manier om discriminatie tegen te gaan, is iets vreemds aan de hand. De bovenmeester-methode is gebaseerd op onderscheid maken en straffen.

De bovenmeester moet eerst uitzoeken wie begonnen is. Hij moet dus discrimineren. Vervolgens moet hij degene die hij aanziet voor de dader, bestraffen. Hij moet dus iets negatiefs doen jegens die persoon, hij moet agressie plegen.

De basis van de bovenmeester-methode is dus discriminatie en agressie. We proberen geweld met geweld te bestrijden. De ervaring, de geschiedenis en het beschikbare onderzoek leert, dat dat niet werkt.


Het vreemde van de boeren-methode

Met de tweede manier om discriminatie tegen te gaan, is ook iets vreemds aan de hand. Wie de methode volgt, zou onderzoek moeten doen en de resultaten zo goed mogelijk op een rijtje moeten zetten, om tenslotte misschien ooit te ontdekken, wat we er precies aan kunnen doen.

Nu moet ik wel zeggen, dat de mensheid op dit punt al even aan het zoeken is, en dat inmiddels wel duidelijk lijkt, dat we ondertussen al heel veel ontdekt hebben en dat we inmiddels al heel veel weten en kunnen.

Een van de dingen die we inmiddels weten, en dat maakt deze methode zo vreemd en bijzonder, is dat de 'empirisch wetenschappelijke methode' een perfect vaccin vormt tegen discriminatie en agressie.

Mensen die denken op de manier van 'empirische wetenschappers' hebben niet of amper die vervelende neiging tot discriminatie en agressie. Hun manier van denken is niet compatibel met discriminatie en agressie, is wat onderzoek lijkt op te leveren.

We hoeven dus in beginsel niet verder te zoeken. Het onvoorstelbare lijkt gelukt: er is in beginsel een vaccin mogelijk tegen discriminatie/agressie!

Hierbij moet wel een kanttekening gemaakt worden. Het beschikbare onderzoek levert op dat mensen die denken op de manier van empirische wetenschappers niet geneigd zijn tot discriminatie/agressie. Op dit moment is echter nog niet duidelijk of die manier van denken valt aan te leren.

Mensen kunnen heel veel leren, dus waarom zouden ze dit niet kunnen leren? Waar het echter voorlopig aan ontbreekt, is hard bewijs dat deze manier van denken echt via een goed gestandaardiseerd oefenprogramma overgedragen kan worden en vervolgens ook aanwezig en actief blijft.




maandag 18 december 2017

De vierde pet van bevooroordeeldheid


Bevooroordeeldheid is het kenmerk dat de volgelingen van de strongman onderscheidt van de mensen die niets van hem moeten hebben. Bevooroordeeldheid is ook het kenmerk dat de alfacultuur maximaal onderscheidt van de bètacultuur. Tenslotte is bevooroordeeldheid ook nog de gebruikelijke maat voor discriminatie en agressie, sterker nog, het is discriminatie en agressie in haar beginvorm.

Wanneer we discriminatie/agressie willen begrijpen, is bevooroordeeldheid kennelijk het centrale kenmerk, waar alles om draait. Het lijkt daarom verstandig zorgvuldig naar dit begrip te kijken.

De eerste alinea van deze blogpost vermeldt dat bevooroordeeldheid in totaal maar liefst drie verschillende 'dingen' tegelijkertijd is. Wie bereid is mijn zoektocht via het beeldscherm te volgen, zal zien dat deze zoektocht een vierde 'ding' oplevert. Aan de drie petten die bevooroordeeldheid al had, blijkt nog een vierde te kunnen worden toegevoegd. 


Wat is bevooroordeeldheid precies?

Wat bedoelen we precies met 'bevooroordeeldheid'?

Uitgaande van de items in dit soort vragenlijsten, denk ik drie zaken te zien.
1. Het gaat vooral om negatieve oordelen.
2. De oordelen zijn gebaseerd op een idee of een gevoel, maar niet op feitelijke evidentie. Men heeft het stellige idee, maar het idee is gebaseerd op iets dat men gelooft, zeker denkt te weten, dat men voelt. Het idee of gevoel is nooit gebaseerd op waarnemingen of deugdelijk onderzoek.
3. Het gaat vooral om oordelen over mensen, groepen, volken en rassen.

De Merriam Webster geeft: 'an irrational attitude of hostility directed against an individual, a group, a race, or their supposed characteristics.' Vertaald: 'Een irrationele houding van vijandigheid gericht tegen een individu, een groep, een ras of hun veronderstelde eigenschappen' (hier).

Deze woordenboek-omschrijving bevestigt daarmee de drie punten die ik in de vragenlijst-items denk te zien. Het is vijandig, het is gericht tegen andere mensen en het is gebaseerd op gevoel en vage verhalen in plaats van op waarnemingen en feiten. 


Kloppen deze eigenschappen van bevooroordeeldheid met het soortenmodel?

Wat zegt het soortenmodel over bevooroordeelheid? Op grond van het soortenmodel verwacht je dat na de uitvinding van de landbouw op een bepaald moment bij boeren rijke voorraden aanwezig zijn. Tegelijkertijd zijn er mensen die de overstap op landbouw vrij onzinnig vinden. De natuur had altijd voldoende opgeleverd. Waarom je druk maken over eten, als je het iedere dag zo uit de natuur kon halen? Er waren leukere dingen te doen dan je de hele dag in de brandende zon uitsloven op een akkertje.

Door de groeiende bevolking en de afnemende natuur ontstaat gebrek aan eten. Nu is het een kwestie van tijd voordat een double-high de hongerige mensen organiseert en ophitst tegen de rijke kakkers, die volop te eten hebben. Met een goed gebracht verhaal weet hij voldoende mensen achter zich te krijgen en wat hij beloofd heeft, een prima leven zonder je echt in te spannen, komt voor hem en zijn elite helemaal uit.

Voor zijn volgelingen/gelovigen komt dat in veel mindere mate uit, maar ze geloven het nog altijd stukken beter te hebben dan die minderwaardige boeren die ze van tijd tot tijd plunderen.

Of dat echt zo was, is overigens nog de vraag. Ik herinner me (op basis van een Gronings proefschrift) dat de de kleine boeren in Drenthe vroeger arm bleken te zijn (ze hadden weinig geld), maar dat hun kinderen belangrijk beter doorvoed waren en gezonder waren, dan de kinderen in de stad. Dit bleek uit hun lengte die bij de keuring voor militaire dienst werd gemeten. Ze waren dus wel arm, maar hadden volop te eten en hun kinderen waren gezond en groeiden voorspoedig.

Op grond van het soortenmodel gaat het dus om het geloven van een mooi verhaal. Op het zonder enige evidentie in het diepe springen, terwijl je niet kunt zwemmen en hopen dat je door een wonder niet zult verdrinken. De strongman belooft een prachtige toekomst aan iedereen die hem zal volgen en gehoorzamen.

De acceptatie van dat verhaal is een soort wanhoopsdaad. Op het moment dat je geen eten hebt, heb je geen alternatief meer. Alles is beter dan de hongerdood. De strongman fungeert dan als redder in grote nood. Als alles lukt: een wonderbaarlijk iemand, die jou het leven heeft gered. In dat geval geldt letterlijk: je geloof in de strongman heeft je leven gered.

Vanuit het soortenmodel verwacht je verder dat het verhaal van de strongman gericht is tegen de rijke boeren. Die moeten immers geplunderd, die moeten via hun rijke voorraden de redding brengen. Verder verwacht je ook dat er opgeroepen wordt tot agressie. Aan de ene kant zijn mensen het doelwit, aan de andere kant moeten die mensen overwonnen worden en geplunderd.

Alle drie aspecten van bevooroordeeldheid komen daarmee in het soortenmodel terug:
1. geloof of irrationaliteit;
2. agressie;
3. gericht tegen andere mensen, niet tegen de natuur. 


Bevooroordeeldheid heeft meerdere petten

Wat is er nodig om de rijke voorraden te veroveren? Ik volg weer het soortenmodel.
1. Een agressieve groep die blindelings gehoorzaamt aan de leider en diens woorden kritiekloos gelooft.
2. Een Grote Leider met zijn elite, die de groep weet te motiveren en te bezielen.

Deze twee zaken leveren de twee variabelen die de basis van het soortenmodel vormen respectievelijk autoritarisme (RWA) en sociale dominantie (SDO).

Deze twee variabelen voorspellen samen de mate van bevooroordeeldheid vrijwel volledig. Je kunt echter ook zeggen dat ze samen de mate van geneigdheid tot discriminatie en agressie vrijwel volledig voorspellen. 

Ik vind dit wat verwarrend en onbevredigend. Er wordt één variabele gemeten (prejudice) waar we vervolgens twee verschillende naambordjes aanhangen. Het is dan net of er een soort woordspelletje gespeeld wordt. Welke van de twee is het nu?

Ik denk dat de juiste aanduiding 'bevooroordeeldheid' is, de hoeveelheid vooroordelen die men heeft. De vertaling van 'prejudice' is 'vooroordeel'.

Maar we gebruiken die maat ook als een indicatie voor iets anders dan de antwoorden op die vragenlijst. Vergelijk het met de lengte van dienstplichtigen bij de keuring vroeger. De lichaamslengte werd gemeten, maar die lengte vertelt ook iets over de voeding die de dienstplichtingen in die tijd en streek kregen.

In het geval van bevooroordeeldheid kun je drie verschillende kanten uit doordat er drie verschillende aspecten in zitten:
- agressie;
- geloof of irrationaliteit;
- andere mensen, niet de natuur.

Wanneer we dus twee groepen nemen, een groep bevooroordeelde mensen en een groep onbevooroordeelde mensen, dan verwacht je dat ze niet alleen verschillen op bevooroordeeldheid (de hoeveelheid vooroordelen gemeten via een lijst met uitspraken die men moet beoordelen), maar ook op agressie, geloof/irrationaliteit en tenslotte ook de gerichtheid op andere mensen, niet op de natuur. 


De voordelen van bevooroordeeldheid

Bevooroordeeldheid levert veel op volgens het soortenmodel. Het lijkt volstrekt irrationeel gedrag, maar het is ondertussen gedrag dat veel oplevert.

Bevooroordeeldheid levert op twee verschillende manieren een bestaan op en soms een uitermate rijk bestaan.

De eerste manier is als lid van een machtige groep. Als lid (volgeling/gelovige) van de machtige groep geniet men een bepaalde veiligheid en vaak ook een bron van inkomsten. De groep levert een sociaal vangnet.

De tweede manier is als lid van de elite en als Grote Leider. Als lid van de elite zit men vlakbij het centrum van de macht. Daar waar het leven goed is. Men is niet alleen lid van de machtige groep, maar men is binnen die groep ook nog hoog, waardoor men meer rechten, meer macht en meer inkomsten heeft.

Ongelijkheid en vooroordelen zijn dus gekoppeld. De vooroordelen houden de ongelijkheid in stand en de ongelijkheid houdt de vooroordelen in stand.

Men kan zich afvragen, wat was er eerder: de vooroordelen of de ongelijkheid. Waar is het mee begonnen? Discriminatie/agressie begint met het uiten van vooroordelen.

Misschien begint het nog wel eerder, maar valt dat vaak niet goed te zien. Vermoedelijk begint het met een gevoel. Met een emotie.

Wanneer de ene geen brood heeft en de ander wel een brood, dan voelt dat voor de persoon zonder brood als oneerlijk. Dat gevoel wordt gekoppeld aan de andere persoon. Even later is die persoon een oneerlijk iemand, die niet deugt.

Op dat moment is er dus een reden om de oneerlijkheid ongedaan te maken en volledig om te draaien. Daarna heeft een persoon het brood en is de persoon zonder brood een oneerlijk iemand, die niet deugt.

Het gevoel was de basis van het vooroordeel en dankzij het vooroordeel heeft men daarna een brood, terwijl de ander bestempeld is tot 'oneerlijk' en ' niet deugend.'

In de eigen optiek heeft het krachtdadige optreden de wereld een stuk leefbaarder gemaakt. Een groot onrecht is hersteld: men heeft nu ook een brood. Dat is echter nog niet alles. Men heeft ook getoond, dat men bereid is te vechten voor een rechtvaardiger wereld. Iedereen die het anders ziet, loopt kans een kopje kleiner gemaakt te worden.

Daar blijft het echter niet bij. Iemand die deze truc eenmaal heeft uitgehaald, heeft een belangrijke les geleerd. Het is dus een kwestie van tijd voordat de truc een tweede maal wordt uitgehaald.

In het voorbeeld hierboven laat ik de strongman zelf  het vuile werk opknappen: het afpakken van het brood. In een situatie waarin dat brood het verschil kan maken tussen leven of sterven, een gevaarlijke klus.

Een beetje strongman pakt het daarom anders aan. Hij zoekt zijn willige volgelingen/gelovigen om het vuile werk op te knappen. Door handig op ze in te praten, zijn ze bereid tot agressie, zodra hij daartoe oproept.

Dit levert de drie bestanddelen van bevooroordeeldheid of de geneigdheid tot discriminatie/agressie:
- geloof in de woorden van de strongman;
- agressie;
- die gericht is tegen andere mensen.

Maar ook nu geldt: daar is het verhaal nog niet mee afgelopen. Want wie zo slim is geweest eenmaal een klus voor de strongman uit te voeren, zal ook de tweede keer klaar moeten staan. 


De vier petten van bevooroordeeldheid

Wat door de uitvinding van de landbouw, zo'n twaalf duizend jaar geleden begon, is vervolgens door de natuur, evolutie en cultuur vertaald in twee persoonlijkheids-kenmerken die iedereen in meer of mindere mate bezit.

Sociale dominantie is onze aanleg voor de rol van strongman of adjudant van de strongman. Autoritarisme is onze aanleg voor de rol van volgeling/gelovige. Die twee variabelen hebben (vrijwel) niets gemeenschappelijk (ze correleren niet of amper). Samen bepalen die twee variabelen echter vrijwel volledig de mate van bevooroordeeldheid.

Aan de ene kant kan men bevooroordeeldheid opvatten als een maat voor discriminatie/agressie (1), aan de andere kant kan men het ook opvatten als een maat voor bereidheid tot geloof, het bereid zijn tot het accepteren van ongefundeerde beweringen (2).

Die dubbele betekenis van bevooroordeeldheid is kennelijk de reden waarom dit de variabele is die het enthousiasme voor de strongman (3) het beste voorspelt.

Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, werpt de natuur ons ook nog eens een bonus in de schoot. Bevooroordeeldheid is ook nog eens de maat waarop de hoge, op macht gerichte cultuur van de double-highs (de alfa's) zuiver verschilt van de lage, op productie gerichte cultuur van de double-lows (de bèta's) (4).

Het accepteren van ongefundeerde beweringen, het bereid zijn tot het geloven van iemand die een 'mooi' verhaal vertelt, dat uiteindelijk niet op enige evidentie gebaseerd is, het bereid zijn iemand met een vlotte babbel kritiekloos te geloven, is de vierde pet die we bevooroordeeldheid kunnen opzetten.