woensdag 13 december 2017

De basis van vooroordelen: een ander soort denken, een ander soort taal en een ander soort waarheid


Laatst bijgewerkt 15/12/2017 om 17:18.



Bevooroordeeldheid is de factor die maakt dat mensen zich achter een strongman scharen. Het is ook de factor die het zuiverst het verschil weergeeft tussen de bèta- en de alfacultuur. En het is de factor die maakt dat we discrimineren.

Eigenlijk moet ik het nog sterker stellen. Bevooroordeeldheid (prejudice) wordt gezien als de maat voor discriminatie/agressie. Het is discriminatie en agressie in de beginvorm, in de vorm van woorden.

Deze drie bijzondere eigenschappen die allemaal bij elkaar komen in deze ene maat, maken bevooroordeeldheid tot de variabele waar alles om draait. Bevooroordeeldheid is, in Tolkiens termen: 'de sleutel tot de poort waarachter de mogelijkheid ligt om de One Ring to Rule Them All uit te schakelen.'

Wat is de oorzaak van bevooroordeeldheid? Wat is het mechanisme erachter? Wat is bevooroordeeldheid eigenlijk precies?

-------------------------------------------------------------------
Voordat ik die vraag probeer te beantwoorden, wil ik eerst een vreemd punt onder de aandacht brengen. In een grijs verleden realiseerde men zich dat discriminatie klein begon, maar kon eindigen met zaken als moord, oorlog en genocide. Het kleine begin van discriminatie dat men constateerde waren vooroordelen die geuit werden door mensen. Het begon allemaal met het uiten van vooroordelen. Maar waar kwamen die vooroordelen vandaan?
We zijn dus nu als het ware terug op het punt waar het moderne empirische discriminatie-onderzoek ooit begon. Is er dan in al die tijd niets bereikt? Toch wel. We begrijpen nu het discriminatie/agressie-mechanisme. We weten hoe de machine werkt. We weten hoe het systeem in elkaar zit.

Met die extra kennis in ons achterhoofd zijn we nu terug bij het beginpunt van het onderzoek. Maakt die extra kennis verschil? Afgaande op wat hier inmiddels al onderstaat: kennelijk heel veel.

Misschien concludeer ik nu wat te gemakkelijk dat kennis in dit geval de factor is die het verschil maakt. Ik beschik over meer onderzoek op dit punt en dat past ook bij de lijn van het verhaal hieronder: het kan ook de manier van denken zijn.

Misschien dacht men vroeger rond het probleem van de vooroordelen gewoon de verkeerde kant uit. Dit is op dit moment misschien een nog wat cryptische opmerking, maar in het vervolg van het verhaal hieronder wordt dit, naar ik aanneem, duidelijker.
-------------------------------------------------------------------


Beide culturen hebben hun eigen manier van denken

Wanneer bevooroordeeldheid de factor is die maakt dat we achter een strongman aanlopen, maar het is tegelijkertijd ook de factor die bepalend is voor het soort cultuur waar we mee te maken hebben, dan kunnen we bevooroordeeldheid bestuderen door beide culturen te vergelijken.

Er is een simpele manier om het verschil tussen beide culturen te visualiseren. Links moet je je een bekende double-low voorstellen, rechts een bekende double-high. Zelf denk ik in dit verband het liefst aan Albert Einstein links met rechts Adolf Hitler. Het zijn tijdgenoten, ze waren landgenoten, ze komen uit dezelfde cultuur en toch zijn ze belangrijk verschillend.

Van beide ken ik de schrijfstijl en daarmee de denkstijl. Van beide zijn met wat moeite de nodige teksten nog zo op te vragen en te vinden. Wat je dan ziet, is een fundamenteel verschil in de manier van denken. Die twee manieren van denken zijn niet uniek voor deze twee personen, maar zijn in beide culturen voortdurend terug te vinden, is wat ik tot nu gezien denk te hebben.

Einstein denkt vanuit de bekende en beschikbare waarnemingen en past vervolgens zijn ideeën over de werkelijkheid daarbij aan. In de empirische wetenschappen staat dit bekend als: de data zijn heilig.

De theorie is dus niet heilig, maar ondergeschikt aan de data. De data zijn als het ware God, vormen de hoogste autoriteit. De kunst is dan God te begrijpen en zijn volgende zet te voorspellen. Eenvoudiger geformuleerd: de kunst is de volgende waarneming te voorspellen. Men denkt inductief.

-------------------------------------------------------------------------------------
Niet inductief op de manier die veel sociale wetenschappers als 'inductief' bestempelen. Iemand als de psycholoog A.D. de Groot ging in 1961 in zijn boek Methodologie (hier) volledig uit van theorie. Hij dacht al te weten, hoe het zat. Vervolgens deed je dan wat onderzoek en dat onderzoek kon dan de theorie bevestigen of verwerpen.

Hij startte dus vanuit zijn theorie en keek vervolgens ook nog naar de werkelijkheid. Dat leidde vervolgens tot een 'wetenschappelijke' publicatie waarmee de 'wetenschapper' zichzelf profileerde als 'empirisch' wetenschapper. Daarna kon iedereen gerust gaan slapen, want het doel, sociale erkenning en statusverhoging, was bereikt.

De Groot baseerde zich voor zijn handboek over onderzoeksmethodologie niet op erkend grote wetenschappers uit bijvoorbeeld de natuurkunde, maar baseerde zijn idee over wat wetenschap was op -- zijn eigen woorden -- een 'armchair analysis'. Hij dacht wel te weten, hoe het moest, alleen moest hij zijn gedachten nog even helder verwoorden.

Wie als empirisch wetenschapper zijn boek leest, ziet nog iets. De hoogdravende stijl. Alles wordt zo ingewikkeld mogelijk geformuleerd als maar mogelijk is. Niets is simpel. En als het wel simpel is, dan kan het zeker alsnog ingewikkeld gemaakt worden.

Wie het boek van De Groot oppervlakkig leest, wat autoritaristische wetenschappers voortdurend doen, krijgt de indruk dat het een gedegen werk is dat de empirische methode omarmt. Wie echter kritischer leest, ziet dat er dingen niet kloppen.

De Groot omschreef bijvoorbeeld het doen van wetenschappelijk onderzoek (p. IX) als volgt. De nadruk wordt erop gelegd, dat de onderzoeker een nogal grote vrijheid heeft in het stellen van zijn doelen en het kiezen van zijn methoden. Telkens wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met zijn intenties: bij het ontwerpen van een theorie, bij het stellen van een hypothese, het definiëren van een begrip, het opzetten van een onderzoeksplan.

Hij ziet onderzoek als een activiteit van de onderzoeker die zelf mag weten, wat hij precies doet. Hij begint met de intenties van de onderzoeker, laat vervolgens een theorie ontwerpen, gaat daarna een hypothese opstellen om te onderzoeken, dan moet de begrippen nog gedefinieerd worden en vervolgens het onderzoeksplan. Hij ziet onderzoek doen kortom als een soort intellectuele exercitie. Het geheel leidt wel tot indrukwekkende verhalen, maar niet tot concrete resultaten zoals Galileï, Newton en Einstein die wisten te realiseren.
Wat is precies het probleem met de benadering van De Groot? Hij veronderstelt dat onderzoekers al een waardevolle theorie hebben. Vervolgens leiden ze daar een toetsbare hypothese uit af, die vervolgens nog geoperationaliseerd moet worden. Tenslotte volgt een stukje empirisch onderzoek.
In de werkwijze van Galileï en Einstein ging men uit van een empirisch probleem. Dat probleem probeerde men vervolgens gewoon op te lossen. Om dat probleem op te lossen, moest men iets slims bedenken en het moest werken. Het begon dus met waarnemingen en eindigde met waarnemingen. -------------------------------------------------------------------------------------

Mensen als Einstein en Galileï denken precies andersom dan Hitler. Ze denken volledig vanuit de bekende waarnemingen en zoeken daar vervolgens de best passende verklaring (theorie) bij. Dit betekent ook dat men nooit volledig zeker is, omdat de waarnemingen altijd anders kunnen uitwijzen. Stenen vallen naar beneden, denken we, maar als op een dag een steen opeens de andere kant uitgaat, zullen we ons denken daarop moeten aanpassen.

Hitler denkt echter -- net als veel andere mensen en wetenschappers -- vrijwel consequent precies andersom dan Einstein. Hitler weet op wonderbaarlijke wijze zaken volstrekt zeker. Hij beschikt als het ware over de bijzondere gave die hem door een hogere macht gegeven is, om de absolute waarheid te weten, te voelen en te zien. Aan wat hij verkondigt kan dus -- in zijn optiek -- niet getwijfeld worden.

In zijn optiek is de theorie (zijn woorden en gedachten) heilig. In zijn optiek bestaan er eigenlijk geen data en waarnemingen. Om dat zijn gedachten de absolute waarheid vormen, moet de werkelijkheid zich daar aan onderwerpen. Hij ziet zichzelf als God, als Heer en Meester en leeft in een sociale werkelijkheid.

De fysische werkelijkheid kan daardoor niet, zoals bij boeren en ambachtslieden voortdurend laten zien, dat de natuur zich van al zijn verheven gedachten niets aantrekt.

Die botsing tussen gedachten en realiteit die vroeg of laat moet komen, is bij Hitler te zien in de bekende scene uit Der Untergang (hier). De Russische tanks staan voor Berlijn. Hitler vraagt zich niet af, waar hij een kleinigheidje in zijn redenering over het hoofd heeft gezien, maar krijgt bij deze ongewenste informatie een woede-aanval. Het is allemaal de schuld van het Duitse volk dat zijn geniale orders niet goed heeft uitgevoerd.

Wie nauwkeurig zoekt in Mein Kampf, ziet echter dat Hitler op een bepaalde manier volstrekt empirisch denkt. Hij bepaalt het succes van zijn toespraken op basis van het aantal nieuwe aanmeldingen voor de NSDAP. Hij kiest zijn woorden dus zo, dat ze een maximaal sociaal effect sorteren in de door hem gewenste richting. Hij gebruikt woorden puur voor hun sociale effect.

Dit betekent dat hij veronderstellingen niet hoeft te toetsen aan de externe werkelijkheid. Het enige wat voor hem telt, is of zijn verhaal aanslaat bij zijn publiek en of hij zijn doel bij dat publiek bereikt.

Volstrekt ongefundeerde veronderstellingen vormen in dit kader geen enkel probleem. Voor Einstein vormt echter iedere verborgen assumptie in de redenering, een reden waardoor de uiteindelijke voorspelling fout kan zijn. De ene probeert de sociale werkelijkheid met woorden naar zijn hand te zetten. De ander probeert door goed nadenken de fysische werkelijkheid te voorspellen.

Bevooroordeeld denken is dus denken om een sociaal effect te bereiken bij het publiek. Het valt te vergelijken met iemand die om geld vraagt. De juistheid of de onjuistheid van de beweringen doet er niet toe, mits het doel maar bereikt wordt. In dat kader weet men alles volstrekt zeker. De theorie, wat men denkt, gelooft en zegt, is heilig. De spreker claimt de positie van hoogste autoriteit.

Onbevooroordeeld denken is denken vanuit de externe werkelijkheid. Het doel is om gebeurtenissen te voorspellen. De timmerman die een kozijn moet vervangen, doet er verstandig aan niet al te gemakkelijk maar iets op te schrijven. Want als de maten niet kloppen, dan past het echt niet. En dan helpt boos worden niet. De waarnemingen, de data, zijn heilig. Wat men zegt, moet aan de waarnemingen aangepast worden. De waarnemingen vormen de hoogste autoriteit, niet de spreker zelf.


Beide culturen hebben hun eigen soort taalgebruik

Valt te begrijpen dat bevooroordeeldheid de factor is, die het onderscheid levert tussen beide culturen? Een bevooroordeeld iemand heeft in een sociale conflictsituatie een voordeel. Stel dat we twee personen een week niet laten eten. Daarna mogen ze samen een cake verdelen. De persoon die volstrekt zeker weet dat hij recht heeft op die cake, heeft een voordeel op de persoon die denkt dat er eerlijk gedeeld moet worden. Vermoedelijk staat hij op het beslissende moment met de mond vol tanden als hij zulke onvoorstelbare onzin hoort.

Bij een conflict met de fysische natuur levert een dergelijke vooringenomenheid echter niets op. Men kan wel vinden dat de parapluie dicht moet, maar als die dat hardnekkig weigert, leveren verwensingen, commando's en gevlei helemaal niets op. Ook boosheid en agressie levert in die situatie weinig op. Men moet juist rustig en onbevangen kijken wat precies de oorzaak van het probleem is.

In interactie met de harde natuur is een onbevooroordeelde instelling dus een voordeel, maar in interactie met andere mensen is weten wat men wil en geloven dat men speciale rechten heeft en andere mensen minder of geen (een bevooroordeelde instelling) een voordeel. De eerste situatie in het specialisme van de double-lows, de tweede situatie is het specialisme van de double-highs. Het is dus plausibel dat een bevooroordeelde instelling in het laatste geval profijtelijker is.

Factor X kunnen we dus -- als we bevooroordeeldheid algemener formuleren -- omschrijven als zaken zeker weten op basis van gevoelens en associaties. Mensen die hoog op deze factor scoren, geloven zeker te weten, maar zonder deugdelijke basis. Men vertaalt zijn motivaties en gevoelens in beweringen die men vervolgens zelf aanziet voor feiten en presenteert als feiten, dat wil zeggen: absolute waarheden.

Hierdoor ontstaat de situatie dat de beweringen volledig los komen te staan van de waarneembare werkelijkheid, terwijl men die beweringen zelf ziet als onbetwistbare feiten. Men is hierdoor verregaand irrationeel. Het denken wordt gedreven door diepe emoties en wilde associaties.

Mensen die deze denktrant bezitten, trekken vervolgens andere mensen aan die op dezelfde manier denken. Op die wijze versterkt men elkaar in zijn irrationele gedachten. De sociale feedback die men op deze manier krijgt, bewijst in de ogen van de spreker dat hij zich niet vergist heeft, als iedereen het zegt, moet het wel waar zijn.

Wanneer het voorgaande klopt, lijkt het dus zo te zijn dat het essentiële verschil tussen de double-lows en de double-highs, tussen de niet en de wel discriminerende cultuur, zit in de manier van denken en taalgebruik.

De niet discriminerende cultuur gebruikt taal descriptief. De gehanteerde taal is neutraal, levert niet rechtstreeks iets op. Men beschrijft de (vaak fysische) externe werkelijkheid. Het doel is door het beschrijven van de externe werkelijkheid daar grip op te krijgen en die beter te begrijpen en te beheersen.

De taal dient dus als een soort routekaart die vertelt wat men het beste kan doen in een bepaalde situatie. Denk aan een recept om een cake te bakken. Pas door het juist toepassen van het recept ontstaat desgewenst een lekkere cake, mits het recept klopt.

De discriminerende cultuur gebruikt taal echter om mensen te beïnvloeden en duidelijk te maken wat men wil. (De term 'prescriptief' wordt doorgaans anders gebruikt en is daarom in dit verband ongelukkig.) De taaluitingen die men produceert zijn propaganda. Men gebruikt taal om zichzelf in de sociale werkelijkheid te verbeteren door zijn publiek emotioneel te beïnvloeden. De taal die men produceert, is bedoeld anderen iets te laten geloven of te laten doen. Men kiest zijn taal zo dat een maximaal effect wordt bereikt bij het publiek.

Descriptief taalgebruik ontleent haar waarde aan de empirische juistheid en de bruikbaarheid van de informatie voor de lezers. Double-lows hebben een voorkeur voor gedrukte teksten, boven mondelinge communicatie, omdat ze de juistheid en bruikbaarheid van de informatie willen kunnen bepalen.

Wanneer het cakerecept een oneetbare cake oplevert, heeft men er niets aan. Wanneer men geen cakes wil bakken, heeft men er ook niets aan. Verder maakt de vorm van de informatie niet echt uit. Eventueel kan men het recept op een memopapiertje krabbelen met potlood. Mits leesbaar, blijft de informatie bruikbaar.

Bij propaganda en reclame (beïnvloedend taalgebruik) gaat het niet om de informatie, die ontbreekt doorgaans, maar om de emotionele werking. Reclame werkt door het merk te koppelen aan emotioneel geladen stimuli. De folder van de autofabrikant bevat veel mooie plaatjes, maar geen feitelijke informatie. Op deze manier worden, zonder dat de luisteraar actief hoeft te luisteren, via klassieke conditionering emoties gekoppeld aan de spreker, het merk of bevolkingsgroepen.

Daniel Kahneman realiseerde zich in Thinking, Fast and Slow (2011) dat er twee manieren van denken lijken te bestaan. Een snelle, door emoties gedreven reactie en een langzame, rationele. Hij koppelde die manieren van denken echter niet aan de persoonlijkheid van mensen.

B.F. Skinner realiseerde zich in Verbal Behavior (1957) dat bij taalgedrag de antecedenten (de situatie, de omgeving) de controle kunnen hebben, maar dat die controle ook kan komen van de consequenties die het gedrag oplevert. Het eerste geval omschreef hij als 'tact' (van contact met de omgeving). Het tweede geval omschreef hij als 'mand' (van command en demand). Deze termen komen dus respectievelijk overeen met descriptief en beïnvloedend taalgebruik.

In de lage cultuur van de double-lows worden bij voorkeur tacts gehanteerd, in de hoge cultuur van de double-highs worden vooral mands gebruikt en beheerst men het omgaan met tacts vaak niet goed. Het past niet bij de manier waarop men normaal denkt.

Op basis van de taaluiting zelf is het niet altijd mogelijk na te gaan of het om een tact (beschrijving) of een mand (propaganda/reclame) gaat. De kreet 'Brand!' kan bedoeld zijn als tact, als mand of beide tegelijk. Wanneer men alleen is en de pannenlap vat vlam, kan men uitroepen: 'Brand!' In dit geval is het kennelijk vooral een tact. Men kan ook in de slaapzaal roepen: 'Brand!', met het doel iedereen te wekken zonder dat er brand is. In dat geval is het kennelijk een mand. Tenslotte kan er ook nog brand zijn en wil men daarom iedereen wekken. In dat geval is de kreet kennelijk zowel tact als mand.

Doordat op basis van de taaluiting normaal niet valt vast te stellen of het een tact of een mand is, is het aantrekkelijk om mands te verpakken en te brengen als tact. Het doel is bijvoorbeeld een auto te verkopen, maar de mededeling is dat de auto door speciale omstandigheden spotgoedkoop is. Voor de toehoorder lijkt het een tact, maar in werkelijkheid gaat het om een mand.

Mensen uit de hoge cultuur kunnen zeer bedreven zijn in het verpakken van hun boodschap op een manier dat het een tact lijkt, terwijl het in werkelijkheid om een mand gaat. In de bijbel worden deze double-highs aangeduid als 'valse profeten' en zag men ze als uiterst gevaarlijke lieden die verbrand of gestenigd moesten worden.

In de psychiatrie wordt in dit verband wel de term 'psychopaat' gehanteerd. De psychopaat is innemend, weet ieders vertrouwen te winnen, straalt autoriteit uit en heeft een prachtig verhaal. Echter een verhaal dat mensen in zijn omgeving uiteindelijk in grote problemen en ellende stort.

De verhalenverteller weet vervolgens, volstrekt overtuigd van zijn eigen gelijk en onfeilbaarheid, iedereen uit te leggen dat niet de slachtoffers gedupeerd zijn, maar dat hij degene is die door de gang van zaken het slachtoffer is geworden van hun snode daden. Psychopaten en double-highs keren zaken vaak volledig om.

Toen de Russische tanks voor Berlijn stonden was het niet Hitler die gefaald had, maar het Duitse volk. De Grote Leider trof geen blaam, maar de sukkels om hem heen hadden deze ellende veroorzaakt waardoor hij nu diep in de shit zat.

Samenvattend. In de productiecultuur wordt taal bij voorkeur gebruikt om de externe werkelijkheid te beschrijven (als tact). In de praat/vechtcultuur wordt taal gebruikt om te beïnvloeden (als mand) en beheerst men het beschrijvende gebruik van taal (als tact) niet goed.


Beide culturen hebben hun eigen soort waarheid

De basis voor het inzicht dat er kennelijk twee soorten waarheid gehanteerd worden, waren de resultaten van enkele groepen hbo-studenten op een reeks items bedoeld het onderscheid feit/mening te trainen.

Uit de resultaten bleek dat de reeks items werkte als test en dat de betrouwbaarheid goed was. Tegelijk bleek echter dat het gemiddelde op de meerkeuze-items rond de toevalsscore lag.

Kennelijk was het zo dat een groep studenten het onderscheid wel systematisch kon maken, maar dat deze groep het onderscheid volledig en systematisch omdraaide. De op waarnemingen gebaseerde beweringen zag men als mening en de door sprekers gedane beweringen zag men als feit.

Bij verder zoeken kon ook via andere bronnen dit onderscheid bevestigd worden: sommige mensen zien dat wat een spreker met een bepaalde autoriteit brengt als waar, als feit, ook al zijn ze bekend met waarnemingen die laten zien dat de bewering niet klopt. Andere mensen kiezen echter vrij systematisch voor waarnemingswaarheid en trekken zich van het sprekersoordeel weinig of niets aan.

De experimenten van Asch (hier) toonden in 1956 al aan dat dit verschijnsel optrad, dat het een grote omvang had en dat het om een persoonlijkheidsvariabele ging. Hij realiseerde zich op dat moment echter niet dat het om twee verschillende criteria voor waarheid ging. In zijn interpretatie zag hij het 'kwalijke' effect van groepsdruk.

Het idee van twee soorten waarheid stemt overeen met het idee van twee soorten taalgebruik. Commando's (mands) ontlenen hun waarheid aan de autoriteit van de spreker. Op het moment dat men in de hoge cultuur een spreker ziet als autoriteit, voelen zijn woorden oké en worden ze als waar, als oké geaccepteerd.

Ziet men de bron echter als vijand, dan zijn ook de teksten van de bron fout en verdoemd en moeten deze verwijderd en bij voorkeur verbrand. IS had de gewoonte oude tempels die door het Westen als zeer bijzonder werden gezien, op te blazen. Door de koppeling met de vijandelijke cultuur waren dit foute bouwwerken geworden.

Tacts ontlenen echter hun waarheid aan de overeenstemming met de externe werkelijkheid. In de lage cultuur van de double-lows worden beweringen van een veronderstelde autoriteit daardoor met argwaan bekeken. Pas wanneer ze overeenstemmen met de externe werkelijkheid kunnen ze voor waar worden aangenomen en dan nog slechts zo lang er geen strijdige waarnemingen gevonden zijn.

In de discriminerende, hoge cultuur voelt men waarheid. Men voelt of een bewering waar, oké is. Doordat men zich baseert op gevoelde waarheid, kan men zijn waarheid altijd verdedigen en volhouden. Zo voelt men het nu eenmaal, zo gelooft men het. Gevoelens kunnen soms snel wijzigen, de waarheid die men hanteert is dus uitermate flexibel.

In de niet discriminerende, lage cultuur van de double-lows hanteert men waarnemingswaarheid. De bewering moet in overeenstemming met de bekende en beschikbare waarnemingen zijn. De waarheid is in beginsel eeuwig en onveranderlijk mits men niets over het hoofd heeft gezien. Dat laatste gebeurt snel, men is daardoor nooit helemaal zeker. De werkelijkheid levert voortdurend weer verrassingen op, doordat men onvolledige en gebrekkige kennis heeft.

Een ander verschilpunt is dat de hoge cultuur waarheid als gradueel ziet. Iets kan in meer of mindere mate waar zijn, omdat het in meer of mindere mate oké voelt. Journalisten demonstreren vaak tot de hoge cultuur te behoren door het gebruik van deze graduele waarheid. Men denkt niet in waarnemingen, maar in gevoelens en autoriteit.

In de lage cultuur van de double-lows geldt een bewering als waar of onwaar. De bewering is waar zodra deze overeenstemt met de bekende waarnemingen en onwaar wanneer dat niet het geval is.

Het idee van gevoelde waarheid stemt overeen met de associatieve manier van denken in de praat/vecht-cultuur van de double-highs waar beweringen via woorden worden gekoppeld aan emoties zonder dat de luisteraar daar iets voor hoeft te doen.

Dit leidt ook tot volledig verschillende manieren van lezen tussen beide culturen. De bèta's, de double-lows, zien een tekst als informatie, als gereedschap. Je kunt er iets mee doen. De relevante informatie wordt eruit gesloopt, genoteerd en toegepast. Wanneer de informatie niet klopt (onwaar was), werkt de toepassing niet.

Wie de informatie ooit heeft geproduceerd, vindt men niet echt relevant, omdat het niets uitmaakt voor het wel of niet bruikbaar zijn. Wat ze echter als een doodzonde beschouwen, is als er iets niet klopt. Want als er iets niet klopt, kun je er ook niet zeker van zijn dat de rest wel klopt.

De alfa's, de double-highs, zien een tekst als de wijze en verheven woorden van een Groot Leider. Het is aan hen zijn woorden te ontcijferen en zijn opdrachten op te volgen, zodat ze lid zijn van de groep en tot hoge status zullen komen.

Het idee dat je informatie uit een 'heilig' boek zou slopen, doet hen rillen van afschuw. Een boek brengt hen voor hun gevoel dichter bij de hoog verheven auteur. Het mooiste is het boek te mogen voelen en dan liefst in de meest oorspronkelijke versie zodat de koppeling met de verheven auteur maximaal wordt.

Foute boeken moeten daarentegen verbrand worden of verwijderd worden. Ook foute informatie, beelden en kunstuitingen zijn niet welkom. Dit is begrijpelijk door de associatieve manier van denken.

Het uiterlijk, de bron en de presentatie zijn in de double-high cultuur uiterst belangrijk. Men houdt van pracht en praal, opsmuk, tradities, gewichtig doen en vaste formules, waarvan vaak de precieze betekenis niet meer precies bekend is.

Het idee dat een uitspraak van een autoriteit onwaar zou kunnen zijn, is in hun optiek ketterij. Doordat ze de woorden van de Grote Leider als mands zien, kan er aan de waarde en waarheid niet getwijfeld worden. Men ziet iets dus als waar vanwege de autoriteit van de bron. Een idee dat de bèta's vervult met diepe afschuw.


Conclusie

Bevooroordeeldheid is de variabele die de productiecultuur onderscheidt van de tot discriminatie en agressie neigende praat/vechtcultuur. De bèta's moeten niets van vooroordelen hebben, de alfa's omarmen deze.

Dit maakt het mogelijk de invloed van bevooroordeeldheid te bestuderen door het vergelijken van teksten van beide culturen. Dit levert drie punten van verschil.

In de bètacultuur wordt gedacht vanuit waarnemingen. De waarnemingen bepalen de beweringen. Men denkt inductief en strikt empirisch. In de alfacultuur wordt volledig andersom gedacht. Men denkt dogmatisch. Men gaat uit van zijn geloof, idee, theorie, ideologie en ziet waarnemingen als irrelevant.

Ook het taalgebruik verschilt belangrijk. In de bètacultuur gebruikt men taal bij voorkeur descriptief. Het doel is de externe werkelijkheid te beschrijven en te voorspellen. In de alfacultuur gebruikt men taal voor propaganda. Het doel is slechts het publiek te beïnvloeden in de door de spreker gewenste richting. Het gebruik van descriptieve taal beheerst men niet goed en geeft problemen.

Tenslotte hanteert iedere cultuur haar eigen vorm van waarheid. De bètacultuur hanteert waarnemingswaarheid of empirische waarheid. Een bewering moet in overeenstemming met de bekende waarnemingen zijn. De alfacultuur hanteert sprekerswaarheid: de bron bepaalt of de uitspraak waar is. Verder hanteert men emotionele waarheid of geloofswaarheid: men voelt of weet of een uitspraak waar is.

Waardoor ontstaat nu bevooroordeeldheid? Aan de basis ligt mijns inziens het taalgebruik. Men hanteert overwegend mands. Doordat men voortdurend in mands denkt, ontstaat een bepaald begrip van waarheid. Waarheid is daardoor wat bij een bepaald publiek effectief is in het bereiken van het gewenste effect.

Doordat men in mands denkt, ontstaat ook een totaal andere manier van denken dan bij de bèta's. In plaats van inductief denkt men vanuit zijn motivaties. Men gelooft het, men weet het, men voelt het zo.

Strikt genomen is de vraag niet wat bevooroordeeldheid doet ontstaan, maar wat onbevooroordeeldheid doet ontstaan. Mands zijn eenvoudig aan te leren, maar dit geldt niet voor tacts. Voor tacts is een bepaalde aanleg en motivatie noodzakelijk en ook dan nog, lijkt langdurige training in de vorm van interactie met de harde natuur onmisbaar.

Omgekeerd zal een milieu van overvloed, waarin het er vooral om gaat, te pakken wat men krijgen kan, de frequentie en de kracht van mands nog verder versterken.

In een rijke omgeving, waarin weinig mensen productief zijn in interactie met de harde natuur, zal een cultuur ontstaan waarin mands de boventoon voeren. Dit resulteert in toenemende discriminatie, agressie, geweld en tenslotte oorlog en genocide.

Dit verschijnsel is niet nieuw en staat al beschreven in de bijbel. Wanneer het een tijd goed ging, werden de mensen ontevreden.

De enige manier om het proces van toenemende discriminatie/agressie werkelijk te keren, is naar alle waarschijnlijkheid het zorgvuldig bewaken van de verdeling van de rijkdom, zodat de samenleving relatief egalitair blijft. Sociale ongelijkheid lijkt de basis en het recept voor ellende.








Bevooroordeeldheid is het kenmerkende verschil tussen de twee culturen



In de vorige blog bleek dat bevooroordeeldheid de X-factor is: de factor die maakt dat mensen kiezen voor de strongman.


De mate van bevooroordeeldheid bepaalt de cultuur

Bevooroordeeldheid (prejudice) is echter ook de factor die het verschil tussen double-lows en double-highs zuiver weergeeft.

De twee andere variabelen, autoritarisme en sociale dominantie, onderscheiden deze twee groepen wel, maar niet zuiver. Wie mensen indeelt op basis van hun sociale dominantie krijgt uiteindelijk ook de double-lows aan een kant en de double-highs aan de andere kant, maar daarnaast krijgt hij aan beide kanten veel bijvangst. Mensen die bijvoorbeeld wel laag sociaal dominant zijn, maar niet double-low. Voor autoritarisme geldt precies hetzelfde.

Hoe kan het, dat bevooroordeeldheid de factor is die double-lows en double-highs zuiver van elkaar onderscheidt? Double-lows zijn gedefinieerd als mensen die laag scoren op sociale dominantie (SDO) en autoritarisme (RWA). Double-highs zijn mensen die hoog scoren op beide variabelen. Beide variabelen blijken echter samen bevooroordeeldheid vrijwel perfect te voorspellen. Bevooroordeeldheid is wat beide variabelen verbindt.

Het is niet wat beide variabelen gemeenschappelijk hebben, want autoritarisme en sociale dominantie zijn vrijwel ongecorreleeerd (rond de 0.20) . De variabelen hebben dus vrijwel niets gemeenschappelijk.

Dat bevooroordeeldheid de factor/variabele is waarop double-lows en double-highs zuiver van elkaar verschillen is dus niet een logisch iets, maar een empirisch iets. We kunnen het vreemd of mooi vinden, maar dat is wat het beschikbare empirische onderzoek oplevert.

Het lijkt inderdaad een vreemd verband: twee variabelen die samen een derde vrijwel perfect voorspellen. Ik heb daar in deze blog wel eerder aandacht aan besteed. Altemeyer heeft ook op het vreemde en belangrijke van dit verband gewezen.

De verklaring voor het verband is dat autoritarisme en sociale dominantie beide nodig zijn om een machtige groep te vormen, die extreem geneigd is tot discriminatie en agressie. Dit empirische verband tussen die drie variabelen vormt de basis voor het soortenmodel.

Uitgaande van het soortenmodel zoals tot nu toe geformuleerd, probeert een sociaal dominante Grote Leider volgelingen/gelovigen aan te trekken. Van die volgelingen/gelovigen is ongeveer de helft sociaal dominant en de andere helft niet. Maar iedereen die zich achter de strongman stelt, zou dus in beginsel autoritaristisch moeten zijn.

Uitgaande van het idee dat de strongman een 'dubbele' aantrekkende werking heeft, is bevooroordeeldheid de zuiverste en eenvoudigste manier om onderscheid te maken, tussen de mensen die zich achter de strongman scharen en de mensen die niets van hem moeten hebben. Iedereen die zich achter de strongman stelt, is bevooroordeeld.

Het verschil tussen beide opvattingen valt als volgt te zien. Wanneer we een scatterdiagram tekenen met horizontaal autoritarisme en verticaal sociale dominantie vormen de mensen van een landbouw-samenleving een cirkelvormige puntenwolk in het midden van het diagram. In het midden is de dichtheid van de punten het grootst, naar de rand van de cirkel neemt die af. De double-lows zitten laag en links, de double-highs zitten hoog en rechts. De strongman als vermoedelijke double-high dus ook.

In de oorspronkelijke opvatting trok de strongman de mensen aan uit de rechterhelft van de cirkel. In de nieuwe opvatting moeten we een diagonale lijn trekken die naar links ('\') overhelt. De strongman trekt dan de mensen aan die rechts en boven deze lijn zitten.

De dimensie waarop de de double-lows verschillen van de double-highs is de diagonaal van linksbeneden naar rechtsboven ('/'). Dit is de bevoooroordeeldheid die door autoritarisme en sociale dominantie vrijwel volledig voorspeld wordt.

Met andere woorden: bevooroordeeldheid is de factor waarop de twee culturen zuiver verschillen. De bèta's moeten niets hebben van vooroordelen, de alfa's omarmen deze als de basis van hun bestaan.


Het voordeel van bevooroordeeldheid

Het voorgaande betekent dat de strongman met zijn verhaal een groep volgelingen aantrekt die belangrijk anders denken dan de double-lows. De double-high strongman trekt niet slechts -- zoals vroeger aangenomen werd -- een groep volgelingen/gelovigen (autoritaristen) aan. Nee, de strongman trekt mensen die bevooroordeeld denken als een magneet aan.

Wie zich de situatie in een beginnende landbouw-samenleving voorstelt, ziet het volgende. Sommige mensen waren op hun manier slim en bereid tot hard werken. Die mensen bezitten op een bepaald moment rijke voedselvoorraden. Andere mensen geloofden het wel. De natuur had altijd voldoende verschaft. Waarom zou je je onnodig inspannen?

Naarmate de bevolking groeit en wanneer de natuur een keer tegenzit, ontstaat echter de situatie dat de boeren rijke voorraden hebben, maar de anderen niet. Boeren zitten echter aan hun grond en vee vast en leven verspreid. Het enige wat nodig was in deze situatie was een strongman die de club hongerige anderen wist te bezielen.

Op basis van wat we nu weten en gevonden hebben, valt zijn verhaal te reconstrueren. Zij deugen niet. Zij zijn gevaarlijk. Wij zijn sterker. Wij zijn superieur. Volg mij, gehoorzaam mij en je hebt te eten, je bent veilig en je bent over hen de baas. De mensen die in staat zijn, dat verhaal zonder enige evidentie te geloven, zijn de mensen die zich enthousiast achter de strongman opstellen.

Kennelijk is het dus simpeler dan iedereen tot nu toe veronderstelde. Er is helemaal geen dieptepsychologie nodig zoals Fromm dacht. Ook sociale dominantie en 'social dominance theory' zijn niet langer nodig. Het is voldoende om te weten of iemand bevooroordeeld is om te kunnen voorspellen of hij valt voor de boodschap van de strongman.

Verder zijn er voor die bevooroordeeldheid twee goede redenen. Enerzijds levert het een veilig en gezellig bestaan (men is onderdeel van de machtige groep), anderzijds levert het macht en rijkdom op. Men offert zijn rationele denken op, maar krijgt daar ook veel voor terug.

Deze 'dubbele' aantrekking door de strongman via enerzijds autoritarisme en anderzijds via sociale dominantie heeft nog een belangrijke consequentie. Altemeyer schatte dat ongeveer 25% van de Amerikanen zo autoritaristisch zouden zijn dat ze op Trump zouden stemmen. Bij 'dubbele' aantrekkingskracht is die schatting natuurlijk veel te laag. Dat lijkt te kloppen met de Gallup-poll (hier). In doorsnee staat nog steeds iets minder dan 40% van de Amerikanen achter Trump.


vrijdag 8 december 2017

Bevooroordeeldheid is het kenmerk van mensen die kiezen voor Trump en andere strongmen



Bevooroordeelde personen zijn sterk geneigd tot discriminatie/agressie en het volgen van een strongman




Laatst aangepast op 13/12/2017 om 3:40 uur.

Het onderzoek naar de factoren waardoor mensen zich achter een strongman als Hitler of Trump scharen, is ooit begonnen met een idee van Erich Fromm. Er moest iets zijn in de persoonlijkheid van deze mensen waardoor ze zich aangetrokken voelden tot een sterke leider en zijn lokroep niet konden weerstaan.

Ik heb dat idee wel beknopt omschreven als: er moet een factor X zijn waardoor bepaalde mensen extreem gevoelig zijn voor de boodschap van een strongman. 


Hoe het begon

Fromm publiceerde zijn idee in 1941 in Die Furcht vor der Freiheit. In de UK werd dit vertaald als: The Fear of Freedom. In de USA maakte men ervan: Escape from Freedom.

Hoewel Fromm met zijn schrijfstijl wel een groot lezerspubliek aantrok, trok hij weinig empirische wetenschappers aan. Iemand als Bob Altemeyer (hier) die zich zonder al te veel problemen door de ongeveer duizend bladzijden van The Authoritarian Personality (hier) kon heenworstelen en daar ook nog de kern uit kon slopen, kon -- wat ik begrijp uit zijn geschriften -- weinig met Fromm. Mijn eigen ervaringen waren vergelijkbaar.

Die wolligheid van de formuleringen van Fromm leidde er vermoedelijk toe dat het onderzoek dat in de oorlog op gang kwam en in 1950 gerapporteerd werd in The Authoritarian Personality tot een storm van kritiek leidde, waardoor de resultaten min of meer op de vuilnisbelt van de wetenschap terecht kwamen.

Vermoedelijk waren de resultaten daar altijd blijven liggen als Bob Altemeyer niet -- volgens eigen zeggen -- lui was geweest. Hij had het afschuwelijke en dikke boek gemakshalve overgeslagen bij een mondeling literatuurtentamen. Dat had je in die tijd nog.

Vervolgens kwam het toeval de wetenschap opnieuw te hulp. De hoogleraar die hem tentamineerde wilde geen onvoldoende geven, maar gaf een vervangende taak. Een stuk schrijven over het niet bestudeerde boek. Dat stuk werd de basis van ongeveer veertig jaar onderzoek naar autoritarisme (RWA).

Wat was het geniale idee van Fromm dat zo wollig verpakt zat, dat onderzoekers het niet meer duidelijk zagen? William Whiplle III omschreef het in 2008 op Amazon.com (hier) als volgt. This book, initially published in 1941, provides an invaluable framework for understanding the rise of Fascism in the 1930s. Fromm argues that the German masses (especially the lower middle class) were not tricked into supporting Hitler and his cohorts; they willingly succumbed to gain powerful psychic benefits. In brief, by surrendering themselves to the great leader, they escaped the dilemma of surviving in a world that seemed threatening and beyond their control.

Vrij vertaald staat er dit. Dankzij het boek van Fromm begrijpen we de opkomst van het Fascisme. Volgens Fromm werden de mensen door Hitler niet misleid, maar gaven ze zich maar al te graag over om belangrijke psychische voordelen te krijgen. Door zichzelf over te geven aan de grote leider, zaten ze niet langer met het probleem dat ze moesten proberen te overleven in een wereld die bedreigend leek en niet onder hun controle.

Voor onderzoekers bleef de lastige vraag over hoe ze die 'belangrijke psychische voordelen' precies moesten meten. De auteurs van The Authoritarian Personality deden een eerste poging waarvan vooral de F-schaal, de fascisme-schaal, nu nog bekend is.

Hoewel die poging om de geneigdheid tot fascisme te meten ladingen kritiek opleverde, correleert de F-schaal behoorlijk hoog met de maat die tegenwoordig als standaard geldt voor het meten van autoritarisme: de RWA-schaal van Bob Altemeyer. Verder was die F-schaal ook al behoorlijk betrouwbaar.

Wie kritisch kijkt, kan zich dus afvragen wat we in de tussentijd precies zijn opgeschoten. Het probleem was, denk ik, dat de empirische informatie zo verstopt zat in een brei van filosofische onzin, vooral afkomstig van Adorno, dat geen normale onderzoeker die er nog uit kon of wilde halen.

Een tweede probleem was dat de tijd er nog niet rijp voor was. Het idee dat er met fascisten iets fout zat in hun persoonlijkheid was te revolutionair. Deze rotzakken hadden de oorlog verloren en nu werd opeens alles gereduceerd tot een karaktertrekje dat frequent voorkwam over de hele wereld.

Ik denk dat er tenslotte nog een derde probleem mee speelde. Veel wetenschappers, zeker in de sociale wetenschappen en de letterenhoek, scoren zelf hoog op sociale dominantie en autoritarisme. In termen van het soortenmodel: het zijn double-highs. Double-highs geloven wat hun het beste uitkomt en maken zich niet druk over iets 'doms' als data. Het idee van Fromm kwam veel te dichtbij en verdiende daarom krachtig bestreden te worden.

Door dit soort oneigenlijke argumenten kwam het waardevolle onderzoek dat in de The Authoritarian Personality zat, terecht op de vuilnisbelt van de wetenschap tot Altemeyer zich erover ontfermde.

Altemeyer heeft vervolgens het ontrafelen van het 'harige kluwen' en het kloppend krijgen van alle losse eindjes tot zijn levenswerk gemaakt. Van de negen eigenschappen waarvan men in The Authoritarian Personality was uitgegaan als kenmerken van de fascistische persoonlijkheid, bleken er slechts drie onderling te correleren. Fromm had zes maal mis geschoten, maar drie keer raak. Uiteindelijk gaat het niet om de missers, maar om de treffers. Er bestond inderdaad iets als een factor X.

Daarna is Altemeyer stug verder gegaan met zaken als het uitsluiten van antwoordbias, het verbeteren van de betrouwbaarheid en het onderzoek naar de validiteit. Dit resulteerde in de RWA-schaal (hier). De maat die nu als standaard voor autoritarisme wordt gezien.

Ik denk dat je de bijdrage van Altemeyer kunt samenvatten als het vertalen van het idee van Fromm in degelijk onderzoek op een manier die empirische wetenschappers konden begrijpen. (Ik vrees dat hij bij de naam Fromm zal gaan 'steigeren'.)

Vervolgens bedachten Jim Sidanius en Felicia Pratto in 2001 de Social Dominance Theory, wat leidde tot de SDO-schaal voor sociale dominantie (hier). Voor zover ik kan nagaan realiseerde Altemeyer zich als eerste onmiddellijk het belang van deze tweede variabele. Dit was als het ware 'the missing link' die het fascistische systeem volledig in kaart bracht.


Het soortenmodel

Dankzij het boek The Authoritarians (2006) van Altemeyer realiseerde ik me dat beide variabelen, sociale dominantie en autoritarisme, niet alleen een fascistisch systeem beschrijven, maar een model leveren voor iedere landbouw-samenleving. Dit resulteerde in het soortenmodel dat in deze blog voor het eerst beschreven is.

Iedere landbouw-samenleving heeft mensen nodig die de productie verzorgen, maar tegelijkertijd ontstaat er in iedere landbouwsamenleving ook een niet-productieve groep die de macht uitoefent.

Die machtige groep is hiërarchisch opgebouwd en kan alleen bestaan dankzij een tweedeling met volgelingen/gelovigen aan de ene kant en de Grote Leider met zijn elite aan de andere kant. Om de machtige groep te laten functioneren zijn dus twee afzonderlijke variabelen nodig.

De machtige groep heeft echter ook productie nodig om te kunnen overleven. De eenvoudigste manier is die weg te halen bij de individuele double-lows. De manier om te overleven voor de machtige groep is dus het gebruik van macht, dat wil zeggen: discriminatie, agressie en oorlog.


De twee culturen

Dit systeem leidt binnen landbouw-samenlevingen tot het ontstaan van twee verschillende culturen: de lage cultuur en de hoge cultuur. De cultuur die niets moet hebben van discriminatie en strijd en de cultuur waarvoor discriminatie en strijd het overlevingsmechanisme vormt.

De individuele double-lows zitten allemaal in vergelijkbare omstandigheden, zijn productiegericht, egalitair en denken rationeel.

Men gebruikt taal bij voorkeur descriptief. Men is achterdochtig met betrekking tot beweringen, want de natuur is hard en een foutje is zo gemaakt. Men probeert zelf actief de juistheid en bruikbaarheid van relevante beweringen na te trekken, omdat onwaarheid grote gevolgen kan hebben voor het bestaan. Men huldigt het principe: praatjes vullen geen gaatjes. Daniel Kahneman noemde dit systeem-2-denken of langzaam denken.

De hoge cultuur is die van de machtige groep waar in de top vooral double-highs te vinden zijn. Deze is opgebouwd rond de Grote Leider met zijn elite, vervolgens komen de gewone volgelingen/gelovigen. Deze cultuur is volledig gericht op status, macht, rijkdom, vechten en strijd.

Men denkt hiërarchisch en irrationeel. De basis voor het denken zijn emoties en associaties. Men gebruikt taal om te krijgen wat men wil hebben. Taal wordt gebruikt om mensen te beïnvloeden (om te commanderen, te motiveren, te sturen en aan te zetten tot geweld). Men gebruikt taal voor propaganda en reclame.

Feitelijke juistheid wordt in deze cultuur niet als relevant gezien, als de Grote Leider zijn doel bij zijn publiek maar bereikt. De Grote Leider bepaalt uiteindelijk wat de groep ziet als waar en onwaar, waarbij de waarheid van dag tot dag kan wijzigen. De waarheid die gecommuniceerd wordt is emotioneel. Men roept gevoelens op en koppelt die aan personen en tegenstanders.

Het descriptief gebruik van taal beheerst men niet goed en geeft problemen. Uiteindelijk komt men daardoor tenslotte vaak ergens uit waar men niet wilde zijn. Men overziet zaken niet, doordat men beslissingen neemt op basis van emoties en onderbuikgevoelens. In werkelijkheid leest en denkt men amper, hoewel men voortdurend het tegenovergestelde uitdraagt. Men heeft een voorkeur voor praten, commanderen, actie en conflicten.

De lage cultuur vormt zich doordat mensen in een gevaarlijke wereld hun productie moeten realiseren door interactie met de harde natuur. De hoge cultuur vormt zich in een wereld van rijke voorraden waar het de kunst is die voorraden in bezit te krijgen en te veroveren.


De mate van bevooroordeeldheid bepaalt het volgen van een strongman

De grote vraag waar alles mee begon was: wat is precies factor X? Wat is de factor waardoor mensen achter een strongman aanlopen? Merkwaardig genoeg is deze vraag in die tientallen jaren onderzoek geleidelijk wat weggezakt en op de achtergrond geraakt.

Vermoedelijk is dat gekomen doordat eerst niemand wilde geloven dat er iets als een factor X kon bestaan. Toen tenslotte aangetoond was dat er wel een factor X bestond, ging iedereen ervan uit dat het dus autoritarisme moest zijn. Vervolgens leverde het vele valideringsonderzoek van Altemeyer daar voortdurend bevestiging voor op.

Kennelijk heeft toen vrijwel iedereen gedacht: oké, factor X bestaat en het is dus autoritarisme. Vervolgens heeft niemand ooit de moeite genomen die hypothese kritisch te toetsen.

Op basis van het valideringsonderzoek is duidelijk dat autoritarisme (RWA) een belangrijke voorspeller is van de neiging achter een strongman aan te lopen. Ook is het duidelijk dat sociale dominantie (SDO) een essentïele variabele is om de machtige groep te laten functioneren.

Van Altemeyer is bekend dat hij beide variabelen als belangrijk omarmt. Mensen als Sidanius en Pratto leken autoritarisme als minder relevant te zien. Sociale dominantie was hun voorkeursvariabele.

De twee onderzoeksuitkomsten, die ik inmiddels vermeld zag, naar de persoonlijkheidsfactoren die het enthousiasme voor Trump voorspellen, wijzen er echter op dat beide variabelen in ongeveer even grote mate van belang zijn om zijn populariteit te verklaren.

Hij lijkt dus autoritaristen aan te trekken en sociaal dominante personen. De strongman heeft dus via beide variabelen een aanzuigende werking. Hij beschikt over een dubbele aantrekkingskracht.

Enig nadenken leert dat dit ook voor de handliggend is. Sociaal dominante personen voelen zich aangetrokken tot macht en tot groepen. Autoritaristen voelen zich aangetrokken tot een sterke leider.

Je zou verwachten dat het verhaal dat Trump als double-high vertelt, mensen aantrekt die de wereld net zo zien als hij. 'Birds of a feather flock together,' luidt het Engelse spreekwoord. In dat geval trekt hij echter in de eerste plaats double-highs aan. Dat kan alleen, wanneer beide variabelen, sociale dominantie en autoritarisme, een aanzuigende werking uitoefenen.

Uit het autoritarisme-onderzoek is echter bekend, dat beide variabelen samen vrijwel volledig bevooroordeeldheid (prejudice) voorspellen. De maat die doorgaans voor discriminatie/agressie wordt gehanteerd.

Met andere woorden: factor X is niet zoals men lang dacht -- uitgaande van het idee van Fromm -- hetzelfde als autoritarisme. Factor X is ook niet gelijk aan sociale dominantie, wat sommige onderzoekers misschien gewenst en gedacht hebben.

Factor X is -- op basis van wat er inmiddels bekend is en op basis van wat plausibel lijkt -- bevooroordeeldheid. De maat die als indicator voor discriminatie en agressie wordt gebruikt.


donderdag 7 december 2017

Het mensenoffer


Arnon Grunberg besteedt vandaag (6/12) in zijn Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant aandacht aan het mensenoffer.

Grunberg weet vaak met wat handig gekozen woorden bij de lezer eindeloos veel overhoop te halen. Dat lukte hem vandaag ook bij mij. Dank zij zijn column denk ik, ook na verder zoeken, te zien dat er over het onderwerp 'mensenoffer' soms merkwaardig wordt gedacht.

Grunberg schrijft: "Overal is strijd. Waar strijd is, kan het mensenoffer worden gevraagd. In een echte oorlog, denk aan hen die 'voor onze vrijheid vielen,' . . ." Je kunt natuurlijk denken aan soldaten die vallen door vijandelijk vuur als slachtoffers van de oorlog, maar mijns inziens is dat niet precies wat we zouden moeten bedoelen met 'mensenoffers.'


Slachtoffers van irrationaliteit

Bij 'mensenoffer' kun je heel concreet denken aan de ongeveer zes miljoen Holocaust-slachtoffers. Hun dood diende geen enkel rationeel doel. Hun dood diende derhalve een irrationeel, ideologisch, religieus doel. Hun dood valt alleen te begrijpen door je te verplaatsen in de irrationele denkwereld van de daders.

Ook de Nederlandstalige Wikipedia gaat er (op dit moment nog) vanuit dat mensenoffers tegenwoordig amper voorkomen. De zes miljoen Holocaustdoden worden niet genoemd. Ook de Manson-moorden worden bijvoorbeeld (nog) niet vermeld. De schietpartij van Las Vegas op 1/10/2017 wordt niet vermeld. Kennelijk is er bij de Wikipedianen pas sprake van een mensenoffer als er op het lijk 'mensenoffer' staat vermeld.

Google levert bij zoeken op 'mensenoffer' als vierde hit de volgende macabere passage op van de blog van Marc Vermeersch (hier): "Het offer is een handeling die parallel is aan de ruil tussen mensen. Het mensenoffer is een extreme vorm van het offer. Beide hebben als doel de voedselvoorziening en uiteindelijk de reproductie van de menselijke maatschappij te verzekeren." Hij ziet het mensenoffer als een handeltje met de Goden: wij geven iets, maar we willen ook iets terug.

Als dat zo zou zijn, zou je verwachten dat jagers/verzamelaars dat handeltje met de Goden ook zouden drijven, maar -- zoals hij ook vermeldt -- dat deden ze niet. Zijn verklaring klopt dus niet met de feiten. Het mensenoffer heeft pas een vlucht genomen na de uitvinding van de landbouw.

Een actueel voorbeeld van mensenoffers zijn de onthoofdingen van IS die men voor propaganda-doeleinden uitgebreid filmde. Omdat het in dit geval ging om propagandadoelen zou je misschien kunnen tegenwerpen dat het in dit geval niet een volledig irrationeel doel was. Ik kom straks terug op dat punt.

De Wikipedia geeft ook nog een verklaring van Jung die me onzin lijkt. Als meer conventionele verklaring geeft men: met een mensenoffer wil men laten zien alles over te hebben voor de goden, die men op die manier gunstig hoopt te stemmen.

Ook die verklaring lijkt me dubieus. Ten eerste wat schieten de Goden op met een dood mens. Worden ze geacht dat smakelijk te nuttigen? Ten tweede: als men echt alles voor de Goden over heeft, waarom offert men dan zichzelf niet op. Op die manier zou een hele stam collectief zelfmoord kunnen plegen, maar doorgaans loopt het zo'n vaart niet.


De verklaring vanuit het soortenmodel

Wat de Wikipedia verder vermeldt, is dit. Het mensenoffer heeft door zijn radicale en grensoverschrijdende karakter de mens vanouds sterk geïntrigeerd. In veel culturen zijn mensenoffers een onderdeel van de religieuze praktijk geweest.

Het mensenoffer heeft dus een grote emotionele impact waardoor er kennelijk veel verhalen over circuleren en verder is het gekoppeld aan geloof/ideologie.

Vanuit het soortenmodel vormt geloof/ideologie echter een belangrijk deel van de menselijke beschaving na de uitvinding van de landbouw. Verder kan geloof/ideologie niet los gezien worden van sociale dominantie. De variabelen die die twee eigenschappen meten, autoritarisme en sociale dominantie, leiden ertoe dat er machtige hiërarchische groepen ontstaan die de dienst uitmaken en de macht hebben.

Wat is er een overtuigender bewijs voor de macht van een Groot Leider dan een willekeurige collectie mensen terecht te laten stellen. Ieder weldenkend mens dat zijn onderdaan is, laat het daarna wel uit zijn hoofd, verzet tegen hem te plegen of oneerbiedig over hem te praten. Het offeren van mensen dient op deze manier dus een propagandadoel.

De Grote Leider probeert echter ook zijn volgelingen/gelovigen te motiveren door het verzinnen van allerhande bedreigingen en foute groepen. De ondergeschikten geloven dat en beschikken over een reservoir van kolkende agressie dat slechts wacht op een kans om er uit te komen.

Vanuit het soortenmodel gezien zijn er dus twee verschillende verklaringen gelijktijdig werkzaam. Aan de ene kant is het de sociale dominantie van de leider met zijn elite die tot agressie leidt, aan de andere kant is er het autoritarisme van de volgelingen/gelovigen.

In het eerste geval dient het mensenoffer een propagandadoel, in het tweede geval dient het een emotioneel, irrationeel doel. Het geeft een goed gevoel, men voelt zich superieur en sterk. Men voelt zich onderdeel van de superieure groep. Men voelt zich een beetje God.

Volgelingen/gelovigen plegen het vaak in het verborgene te doen. Men doet het bij voorkeur alleen openlijk als dat geen extra risico levert. Na het keren van het tij in de Tweede Wereldoorlog (Stalingrad) was het dus 'slimmer' alles zo stiekem mogelijk uit te voeren.


Ifigeneia in Aulis

De reden voor Grunberg over het mensenoffer te schrijven was het zien van de film The Killing of a Sacred Deer. De basis voor deze film was de Griekse tragedie Ifigeneia in Aulis van Euripides. Wat heeft Euripides te melden over het mensenoffer? Ik volg eerst zijn verhaal.

Koning Agamemnon wil met zijn leger Troje vernietigen, maar kan door windstilte met zijn vloot niet uit de kloven bij Aulis komen. Een profeet vertelt dat de godin Artemis de wind stilgelegd heeft, omdat Agamemnon bij een jachtpartij haar heilige hert heeft gedood. Artemis is alleen bereid voor wind te zorgen als hij zijn dochter Ifigeneia aan haar offert.

Agamemnon lokt daarop zijn dochter naar Aulis met het verhaal dat ze daar met Achilleus zal trouwen. Hierna verschijnt Iphigeneia met haar moeder op het toneel. De doortrapte opzet van Agamemnon komt echter uit. Onder invloed van alles wat er gebeurd is, besluit Iphigenia echter zich vrijwillig op te offeren voor haar vader en de goede zaak.

Op het laatste moment wordt dat Artemis echter te dol. Die laat het meisje vervangen door een hert en neemt haar op in de wereld der Goden. Of is deze laatste wending slechts een verhaal bedacht door Agamemnon om de werkelijkheid voor de moeder te verbloemen? De moeder lijkt (hier) het laatste te geloven.

Wat kun je uit zo'n verhaal afleiden? Allereerst valt me op dat het verhaal volledig in de alfa-wereld speelt. In de wereld van de double-highs. Het gaat voortdurend over macht, status, geweld en oorlog. Alles mag en alles moet kunnen, mits het maar macht, status of rijkdom oplevert.

Een tweede punt dat me opvalt, is het klakkeloos accepteren van twijfelachtige waarheden. Iets dat uiterst typerend is voor deze wereld. Iemand als Einstein leert dat iedere verborgen assumptie iets is als arsenicum in de boerenkool met worst, maar het lijkt duidelijk dat die manier van denken in deze wereld niet past. Men weet bij voorbaat zaken absoluut zeker.

De basisvraag in dit verband is natuurlijk: is het wel zo'n goed idee om uit te varen? Hoe je het ook draait of keert: oorlog blijft een riskante onderneming die gemakkelijk anders kan uitpakken dan je verwacht. Daar komt in dit geval nog bij dat ook de Goden het nut niet echt lijken te zien.

Agamemnon toont op dit punt echter geen enkele twijfel. Ook in het verhaal is geen twijfel te vinden aan het mooie en nuttige van oorlog. Het koor zingt aan het einde: en neem de mooiste wapenbuit uit Troje voor ons mee. Men ziet oorlog dus als een prima manier om royaal te leven en twijfelt niet aan de goede afloop.

Een derde punt is dat Agamemnon afgeschilderd wordt als een echte double-high. Agamemnon zit wel luidkeels te zuchten en te klagen: wat zal zijn vrouw, de moeder van Ifigeneia wel niet zeggen? Maar uiteindelijk is de keuze niet echt moeilijk: de kans Troje aan te vallen en misschien te veroveren, is belangrijker dan het leven van zijn dochter.

Ook Ifigeneia past volledig in deze wereld waar alles draait om status en macht. Als haar vader, de koning, haar leven vraagt, dan is het niet anders. Ze is de ideale volgeling/gelovige.

Een vierde punt dat goed lijkt te kloppen, is het manipuleren van de werkelijkheid door middel van een mooi verhaal. Dat wordt heel terloops geformuleerd, maar het verhaal dat Ifigeneia naar de Goden is gegaan, is afkomstig van Agamemnon en de moeder van Ifigeneia gelooft het toch niet helemaal.

Het mensenoffer in dit verhaal is dus volledig gesitueerd in een cultuur van status, macht, geweld en oorlog. In eerste instantie wordt getracht iemand via een list op te offeren, in laatste instantie is die persoon bereid zichzelf op te offeren voor de goede zaak. Tenslotte wordt daar door de Grote Leider een mooi verhaal over opgehangen, waarbij Euripides openlijk even aan de juistheid van het verhaal laat twijfelen door de moeder.

Ook dit verhaal situeert het mensenoffer dus in een cultuur die volledig gericht is op status, macht, agressie en oorlog.

Aan de ene kant is het mensenoffer, hoe je het ook draait of keert, iets van na de uitvinding van de landbouw. Aan de andere lijkt het onmiskenbaar dat het thuis hoort aan de alfakant van de discriminatie/agressie-as. De kant waar emoties en irrationaliteit de norm zijn en alles draait om status en macht.


woensdag 6 december 2017

De les van de Slag om Dokkum


In de Volkskrant op maandag (4/12) twee bladzijden over wat inmiddels bekend staat als de 'Slag om Dokkum 2'. Wat gebeurde er tijdens de veldtocht van de anti-Zwarte-Piet-demonstranten in Dokkum bij hun tweede poging? Ik volg eerst het verslag van Maud Effting. Daarna: wat ging er mis en hoe moet het dan wel?

 
Het verloop van de slag

Op zaterdag 2 december 2017 vertrekt uit Amsterdam een indrukwekkende colonne. Negen gepantserde ME-bussen met tientallen ME'ers erin, twee gigantische sleepwagens, elf agenten op motoren en, o ja, drie bussen met anti-Zwarte-Piet-demonstranten. Zo begint het artikel van Effting ongeveer (hier).

Het doel van de tocht: Dokkum. Of men het doel zal bereiken, weet men niet. De organisator, Mitchell Esajas, houdt rekening met het ergste. Men moet niet denken dat het een gezellig schoolreisje wordt. Het doel is tijdens de intocht van Sinterklaas te demonstreren tegen Zwarte Piet als racistisch stereotype.

Twee weken eerder heeft men ook getracht Dokkum te bereiken, maar werd toen door een blokkade van boze Friese pro-Zwarte-Piet-activisten tegengehouden: de Slag om Dokkum I.  De term 'De Slag om Dokkum' is van Telegraaf-journalist Wierd Duk, die onmiddellijk in het gebeuren een kloof tussen de randstad en het platteland ontwaarde, kennelijk om het verhaal nog wat mooier te maken.

"Nu proberen de demonstranten het dus opnieuw. Gespannen staat demonstratieleider Jerry Afriyie voor in de bus. Hij waarschuwt zijn 'medestrijders' zoals hij ze noemt, dat ze zich vandaag vooral niet moeten laten provoceren."

"Gaandeweg volgen meer middelvingers langs de kant van de weg. Sommige automobilisten wijzen op hun voorhoofd. Binnen [in de bus] vertelt een demonstrante dat ze bang is. 'Als zwarte vrouw kan ik daar straks niet alleen lopen.'"

"De anti-Zwarte Piet-demonstranten en de Dokkumers -- het zijn twee werelden die elkaar vandaag niet lijken te begrijpen. Een zwarte journaliste die vragen wil stellen aan de Friezen, wordt weggeduwd, zegt ze. 'Ze riepen dat we klootzakken waren.'"

"'Weet je wat ze moeten doen?', zegt Henk de Vries. 'Ze moeten ze allemaal in de gracht gooien. Schrijf dat maar op.' De blokkeerders op de A7? Dat zijn de 'helden van Friesland', vinden ze."

"'Het was mooi', zegt Jerry Afriyie in de bus [na afloop]. 'Het voelt goed om je stem te laten horen.' Hij is de afgelopen jaren vele malen bedreigd, zegt hij. 'Maar als ik daar echt bij stil ga staan, werkt het niet.'"


Werkt deze aanpak?

Werkt deze aanpak nu dan wel?, vraag ik me af. Als ik het verslag van Effting lees, lijkt de hele actie averechts uit te werken. In plaats van begrip voor het eigen standpunt kweekt men vooral onbegrip, boosheid, haat en angst. Men bereikt precies het tegenovergestelde van wat men zegt na te streven.

Wat heeft deze actie volgens de activisten zelf opgeleverd? Het voelde goed. Het was mooi. Het heeft bij de activisten een goed gevoel opgeleverd. Een goed gevoel ziet men kennelijk als rechtvaardiging voor zijn actie.

Zo'n op emotie gerichte benadering is typerend voor volgelingen/gelovigen. Had men concrete doelen? Heeft men nagedacht voordat men in de bus naar Dokkum stapte of was dat allemaal te hoog gegrepen?

Kennelijk heeft men sterke gevoelens over Zwarte Piet. Wanneer ik een donkere huidskleur zou hebben, zou ik die vermoedelijk ook hebben. Dat lijkt begrijpelijk. Vervolgens organiseert men op basis van die gevoelens een demonstratie. Men vindt Zwarte Piet tien keer niks en wil zijn geloof uitdragen.

Die benadering past in onze moderne cultuur. We weten tegenwoordig weinig. We hebben problemen met zindelijk denken, maar we vinden gelukkig overal wat van. Over alles hebben we een mening, die eruit gegooid moet worden. Liefst snel, krachtig en met overtuiging.

Die benadering kan iemand in de huidige cultuur ver brengen. Kijk naar Trump. Gewoon een grote bek en maar blijven drammen en je komt onvoorstelbaar ver. Toch lijkt de Trump-benadering in dit geval niet goed te werken. Hoe kan dat?

Mensen als Trump en andere strongmen, hebben een doel: het verwerven van macht. Men wil liefst de absolute macht bezitten. Om die macht te verwerven, verkondigt men zo krachtig mogelijk de boodschap die het grootst mogelijke aantal volgelingen oplevert.

De inhoud van die boodschap wordt dus volledig gekozen om de doelgroep emotioneel maximaal te raken. Strongmen interesseert het niet, wat ze precies verkondigen. Mits het maar leidt tot hun doel: volgelingen en macht.

De anti-Zwarte-Piet-demonstranten doen echter precies het omgekeerde. Ze gaan uit van een specifieke boodschap. Ze willen mensen overtuigen dat Zwarte Piet eigenlijk niet langer kan. Dat is een moeilijke boodschap.

Mijn favoriete reclame is de Pepsi-clip: 'We will rock you.' In de clip, die op YouTube nog wel te vinden is, wordt via indrukwekkende scenes en veel beroemde sterren Pepsi gekoppeld aan positieve emoties. Tenminste, dat is de bedoeling.

In het geval van Zwarte Piet ligt de zaak echter precies andersom. Mensen hebben bij Zwarte Piet een sterk positieve emotie. Het is dus net alsof je een alcoholist vertelt dat hij de fles moet laten staan. Alcoholisten zouden niet zijn, wat ze zijn, als die boodschap werkte.

Wat de anti-Zwarte-Piet-demonstranten in werkelijkheid bereiken, is precies het omgekeerde. Dankzij deze actie worden zij, en daarmee ook andere zwarte mensen, gekoppeld aan de ME, aan overvalwagens, aan politie, aan wegblokkades, aan gevaar, aan verstoring van de openbare orde.

Ze worden gezien als mensen die proberen iets moois, dat men altijd gehad heeft, af te pakken. Ze slagen er in om zich bedreigend te manifesteren tegenover gewone witte Nederlanders. Op internet zijn sites te vinden waarin ze inmiddels als terreurdreiging worden afgeschilderd.

Uiteindelijk hebben alle donker gekleurde landgenoten daar last van. Ook valt nooit te voorspellen, waar dit soort gevoelens en geruchten uiteindelijk eindigt. Wat klein begint, kan maar al te gemakkelijk groot eindigen. Wie wind zaait, zal soms storm oogsten.

In mijn optiek is het dus niet alleen een mislukte actie, maar ook een actie die uiteindelijk alle donkere mensen in Nederland problemen kan opleveren. Dat is niet iets, waar  je aan mee zou moeten willen werken.


Een gelovige club

Ik denk dat je de anti-Zwarte-Piet-demonstranten moet zien als een club van gelovigen. Het begint met een sterk gevoel dat veel donkere mensen om begrijpelijke redenen zullen hebben. Vervolgens komt er, zoals die dingen gaan, iemand die de boel organiseert. Die persoon heeft een aansprekende boodschap en trekt volgelingen aan. Opeens ben je een leider en je hebt volgelingen/gelovigen. Het geloof moet uitgedragen worden, er moet actie komen.

Wie echter een geloof verkondigt, dat andere mensen inperkt, vraagt om problemen. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. Vaak waren het mensen die het recht aan hun kant hadden om die anderen wat in te perken. Zelfs wie moreel volledig gelijk heeft en in zijn recht staat, gaat in dat geval toch een levensgevaarlijke strijd aan.

Een simpel voorbeeld is een stam of volk die zijn grondgebied probeert te verdedigen. Mensen laten zich niet gemakkelijk inperken en kunnen in zulke gevallen snel gewelddadig worden. Op de website van The Guardian is een hele lijst te vinden van gesneuvelde milieu-activisten die actie voerden voor terechte zaken. De verovering van Amerika door witte mensen en de bijna volledige uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking, is een ander voorbeeld. Hoewel de witte kolonisten geen enkel moreel recht hadden, trokken ze zich daar weinig van aan.

Volgelingen/gelovigen onder aanvoering van hun Grote Leider zijn geneigd te denken in termen van discriminatie, agressie en strijd. Men voelt zich binnen de eigen club sterk en machtig. Alles buiten de club ziet men als fout en bedreigend. Het stuk van Effting bevestigt dat met een term als 'medestrijders'. Men moet rekening houden met het ergste. Het wordt geen gezellig schoolreisje.

Tegelijkertijd is er sprake van concrete bedreigingen, maar daar denkt men liever niet al te diep over na. Dat lijkt me typerend voor het irrationele standpunt van volgelingen/gelovigen. Wie lid is van een minderheidsgroep, doet er echter juist verstandig aan voortdurend over alle mogelijke gevaren actief en scherp na te denken. De kunst is niet om dood te gaan, maar om in leven te blijven.


Waarom werkt deze aanpak in dit geval niet?

Uitgaande van het volledig op empirisch onderzoek gebaseerde soortenmodel, bestaan er in grote lijnen twee totaal verschillende manieren van bestaan in een moderne landbouw-samenleving. De eerste manier is te zorgen dat men iets nuttigs produceert. Vroeger waren dit boeren en ambachtslieden.

De tweede manier is te zorgen dat men in dienst treedt van een machtig heer. Zo'n machtig heer of Grote Leider werkt zelf niet productief, maar roomt de productie van de mensen die wel produceren af en onderhoudt op die manier zichzelf en zijn ondergeschikten. Die ondergeschikten geloven wat hun Heer hun vertelt. Wiens brood men eet, diens woord men preekt.

Gelovige clubs mikken dus op die tweede manier van bestaan. Als club kunnen ze door hun aantal macht uitoefenen. En macht kan in een rijke samenleving veel opleveren.

Maar dan moet je eerst wel zorgen die macht ook inderdaad te hebben. En daar ligt in dit geval een groot probleem. Het gaat om een kleine club van anti-Zwarte-Piet-activisten die niet een boodschap verspreiden die grote aantallen aanhangers oplevert, maar die grote aantallen tegenstanders oplevert.

Hitler wist natuurlijk met zijn tegenstanders wel raad, maar kon dat alleen doen doordat hij op dat moment al grote aantallen volgelingen/gelovigen achter zich had. In dit geval lijken de aantallen niet te deugen. De groep tegenstanders is veel te groot. Daar valt niet tegen te strijden.

Binnen de eigen club is de boodschap effectief, maar op het moment dat men blindelings dat geloof begint uit te venten, start men een verloren strijd waarvan men de consequenties niet overziet.


Gaat het hier om echte discriminatie?

Hoe moet je dan wel omgaan met discriminatie? Hoe je moet omgaan met discriminatie valt, denk ik wel te zeggen. Ik kom daar straks op terug. De vraag is echter of het hier echt om discriminatie gaat.

Natuurlijk roepen de systematisch zwarte slaafjes van Sinterklaas als je donker gekleurd bent, snel een negatief gevoel op. Dat is begrijpelijk. De vraag is echter, hoe je daarmee om gaat. Een negatief gevoel dat je voelt, is nog niet hetzelfde als daadwerkelijke discriminatie.

Bij daadwerkelijke discriminatie gaat het om zaken als uitsluiting, anders behandelen, het onthouden van voordelen, het stellen van extra eisen, uitschelden, verdacht maken, geweld gebruiken, mishandelen en zo kunnen we nog even doorgaan.

Bij echte discriminatie gaat het om zaken die serieus invloed hebben op de duur of op de kwaliteit van het leven. Zo is bijvoorbeeld voor transseksuelen na de sekse-operatie ooit gevonden dat de mortaliteit ten opzicht van een vergelijkbare even oude controlegroep van gewone mensen enkele malen zo hoog laag. In de periode die men bekeek, gingen in de ene groep maar liefst enkele malen zoveel mensen dood als in de andere groep.

Mijn indruk is dat de anti-Zwarte-Piet-demonstranten het prima naar hun zin hebben in Nederland. Ze durven zich te laten horen. Ze eisen hun rechten op. Ze hebben het best gezellig samen. Tot nu toe is er dus weinig reden om te denken dat ze daadwerkelijk ernstig gediscrimineerd zouden worden.


Hoe omgaan met discriminatie?

Hoe kun je het beste omgaan met discriminatie? Mijn antwoord daarop komt erop neer dat je dat moet gebruiken wat je als mens zo bijzonder maakt: je brein, je gezonde verstand.

Als 'travestiet' kan ik op het gebied van discriminatie ondertussen putten uit bijna vijftig jaar ervaring. En dan hebben we het niet over iets als Zwarte Piet wat misschien onaangename associaties oproept, maar over zaken die of snel of op termijn een eind kunnen maken aan het belangrijkste dat je bezit.

Ik vermaak me zelf soms door de 'aanslagen' te memoreren en te tellen die ik ondertussen heb weten te pareren, zij het niet altijd zonder kleerscheuren. Soms ben je stiekem geneigd daar de hand van een hogere macht in te zien, maar resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.

De gevaarlijkste fase die het langste duurt, is volgens mij die van de ontkenning. Ik kwam jong uit de kast en zag eigenlijk geen enkel probleem. In mijn optiek stond ik volledig in mijn recht. Andere mensen konden daar onmogelijk serieus bezwaar tegen maken. Ik deed toch niets verkeerds? Rationeel gezien was er geen enkele reden, in mijn idee, om me ergens zorgen over te maken.

Door dit sterke geloof zag ik de problemen en gevaren niet. Aan één kant is dat prettig, want dat leeft gemakkelijk, maar aan de andere kant had dat gemakkelijk snel verkeerd kunnen aflopen. Ik leefde er onbezorgd op los en de zaken leken goed te gaan. De voortdurende problemen en moeilijkheden die zich voordeden, zag ik niet, wilde ik niet zien of schreef ik aan totaal andere factoren toe.

Ik denk dat veel transgenders, maar ook veel zwarte mensen, veel milieu-activisten, noem maar op, de lijst is eindeloos, zo in het leven staan. Ze staan in hun recht. Als ze dingen meemaken die niet passen bij die opvatting, zien ze die niet of zal het wel meevallen.

Mensen uit minderheidsgroeperingen zien normaal zelf niet, hoe gevaarlijk de wereld voor hen is. Jules Schelvis stapte met zijn gitaar op de trein naar Sobibor om daar bij het kampvuur muziek te maken -- dacht hij. Het is een soort beschermingsmechanisme om verder te leven, maar wel een gevaarlijk mechanisme.

De omslag in geloof kwam bij mij toen het echt niet meer anders kon, toen het bijna te laat was en ging supersnel. Opeens realiseerde ik me dat er iets niet klopte en dat wat er niet klopte, was mijn idee dat het allemaal geen problemen gaf. Het nieuwe geloof was, dat mijn bekend staan als 'travestiet' kennelijk voor veel mensen in mijn omgeving een reden was om uiterst onvoorspelbaar, gemeen en gevaarlijk te doen.

Dat is een deprimerende gedachte waar mensen depressief en gestrest van worden. Zodra men dus in staat is de situatie realistisch onder ogen te zien, ligt zelfmoord op de loer. Wanneer de situatie wat langer duurt, blijkt dit te resulteren in hartaanvallen en beroertes door het chronisch verhoogde stressniveau. Ik kon deze fase afsluiten dankzij Albert Ellis en zijn CBET (Cognitive Behavioral Emotive Therapy) waar ik via een krantenartikel op geattendeerd werd.

Ik denk dat de derde fase iets was van boosheid en woede. Dat was vermoeiend en leverde niets op behalve stress. Uiteindelijk wees ook Ellis hier de weg.

De vierde fase zou je acceptatie kunnen noemen. Mensen zijn wat ze zijn. Je moet je door de beperkingen van andere mensen niet laten afremmen. Juist dingen doen en produceren die andere mensen niet gelukt zijn, geeft een bepaalde voldoening.

In termen van het soortenmodel geloof ik meer in nuttige productie waar uiteindelijk iedereen beter van wordt, dan in een zero sum game (een gevecht om de macht) zoals de mensen aan de andere kant van de discriminatie-as het spel willen spelen. Zowel de geschiedenis als experimenteel onderzoek leren dat vechten om de beschikbare voorraden veel kost en uiteindelijk (in totaliteit) niets oplevert.

Inmiddels zit ik misschien in de vijfde fase. Ik zie de voordelen van discriminatie. Discriminatie is niet leuk, het is gevaarlijk, maar het is ook iets -- als je het overleeft -- dat je bij de les houdt. Het dwingt je tot alert zijn, tot scherp nadenken en tot productie. Andere mensen zoeken spanning door bergen te beklimmen, maar wie lid is van een minderheidsgroepering hoeft daarvoor helemaal niet naar het buitenland.

C.P. Snow signaleerde in zijn column The Two Cultures in 1956 (hier) echter iets dat hij zag als een nog belangrijker resultaat van de rationele (empirisch wetenschappelijke) benadering. Hij zag als grootste verdienste dat het de mensen die deze benadering omarmden, moreel zuiver hield.

Rationeel gezien is dat een wat merkwaardig argument, want goed/slecht zijn geen criteria die goed passen bij een rationele benadering. Iets werkt of het werkt niet. Het empirisch wetenschappelijke discriminatie-onderzoek bevestigt echter volledig zijn gelijk. De irrationele benadering omarmt en legaliseert het kwaad in de menselijke natuur.


Hoe niet om te gaan met discriminatie

Uitgaande van het soortenmodel is bij moderne mensen echter ook de tegenovergestelde reactie mogelijk op discriminatie. In plaats van te vluchten in rationaliteit kan men ook zijn toevlucht zoeken in de irrationaliteit, dat wil zeggen: in de groep en bij de macht.

Volgelingen/gelovigen zullen geneigd zijn de bescherming van een groep zoeken en zich aan de normen van die groep, dat wil zeggen aan de normen van de leider van die groep, te onderwerpen. Ze zoeken als het ware een machtig Heer die hen wil beschermen. In ruil voor die bescherming zijn ze bereid hem te geloven en te dienen. Doordat volgelingen/gelovigen normaal niet of amper produceren, liggen geweld, agressie, terreur en oorlog in het verschiet.

Het merkwaardig van deze benadering is dat men in feite zelf ook kiest voor discriminatie. Als zij gemeen doen, doen wij het ook, is het idee. In het verlengde van discriminatie ligt agressie. Deze benadering leidt gemakkelijk tot langdurige conflicten tussen twee groepen, waarbij de minst machtige groep tenslotte het onderspit delft en weggejaagd, vernietigd of onderworpen wordt.

Er zijn dus in beginsel twee totaal verschillende reacties mogelijk voor leden van minderheden: de ene reactie is de rationele benadering, de andere reactie is de irrationele benadering van de volgeling/gelovige die geleid wordt door zijn strongman en diens woorden ziet als absolute waarheid.

Deze laatste benadering leidt tot groepsvorming, het zich afsluiten van de rest van de wereld en uiteindelijk tot strijd. Het is geen productieve benadering. Helaas is het wel een benadering die steeds meer terrein wint. Iets wat mogelijk verklaard kan worden door de steeds efficiëntere productie (steeds minder mensen zijn nodig voor de productie) en de toenemende ongelijkheid.

Ongelijkheid in de vorm van bijvoorbeeld de Gini-coëfficiënt is een eenvoudige en redelijk harde maat voor de hoeveelheid discriminatie in een samenleving. Het valt misschien te verdedigen dat die iets hoger ligt dan bij jagers/verzamelaars (onder de 0.20), maar waarden boven de 0.40 lijken te betekenen dat men in een samenleving leeft, waarin het niet langer vooral gaat om te produceren, maar in de eerste plaats om te graaien en te pakken wat men krijgen kan.

Ik denk dat de Slag om Dokkum laat zien, hoe snel de irrationele benadering kan ontaarden in iets, dat niemand zou moeten willen.


zaterdag 2 december 2017

Kunnen anti-racisten racistisch zijn?


Het kritische tv-programma 'Zondag met Lubach' besteedde aandacht aan het Zwarte-Piet-probleem. Dat is een heikel onderwerp. Je kunt het vermoedelijk veiliger hebben over de Holocaust dan over Zwarte Piet.

In werkelijkheid liggen die twee natuurlijk in elkaars verlengde, maar de Holocaust was toen,  verder waren het foute Duitsers en het zal natuurlijk nooit weer gebeuren. Bovendien is het geweest en praten we liever over iets anders.

Zwarte Piet is echter iets dat we iedere decembermaand tegenkomen en soms al eerder. Zwarte Piet is dus nu en het is van ons!

Lubach deed het magistraal. Hij kegelde rustig ieder tegenargument omver en wist het ook nog leuk en onderhoudend vorm te geven.

Ik zou de uitzending echter nooit gezien hebben zonder de column van Asha ten Broeke in de Volkskrant van 1/12.

Ten Broeke had een ander standpunt dan de vele Nederlanders die enthousiast over het programma waren. 'Dit is hoe witheid werkt,' was de titel van haar column en dat vat de inhoud wel aardig samen.

Lubach zou zoveel positieve waardering hebben gekregen via bijvoorbeeld Twitter omdat hij wit was. Als hij zwart was geweest, hadden we er geen goed woord voor over gehad.

Zwarte anti-racisten verkondigden al lang wat hij in zijn uitzending beweerde. Het was dus allemaal niets nieuws, maar de zwarte anti-racisten hadden geen erkenning gekregen. Integendeel, ze hadden ellende en serieuze bedreigingen ontvangen.

Ten Broeke verwijst als bron naar de 'immer scherpzinnige anti-racist Arzu Aslan' op Twitter. Bij nazoeken kon ik weinig scherpzinnigs vinden.

Van andere anti-racisten heb ik tot nu toe eigenlijk alleen maar vrij irrationele betogen gehoord die erop neerkomen dat ze als gekleurde mensen systematisch gediscrimineerd worden, terwijl witte mensen door hun witheid 'wit privilege' zouden bezitten.

In feite zeggen ze daarmee dat ze jaloers zijn op de witheid van witte mensen. Dat verschaft in het leven als het ware een voordeel, dat zij ook graag gehad zouden willen hebben. Ik begrijp dat standpunt wel, maar het is ook nogal beperkt.


Discriminatie hoort bij wie ik ben

Om te beginnen ben ik inderdaad wit, maar ik sta/stond ook bekend als 'travestiet'. Je zou kunnen zeggen dat dat mijn eigen schuld was, maar voor 1970 was de cultuur veel vrijer en liberaler. Ik overzag op dat moment dus niet de gigantische consequenties van dat als 'travestiet' naar buiten stappen.

Ook andere jongens in die tijd, die zich aangetrokken voelden tot het vrouwelijke plaatje, stapten in die tijd nog wel eens naar buiten en ook zij overzagen de consequenties daarvan niet.

We hadden in die tijd ook geen informatie op basis waarvan je een realistische inschatting van de consequenties kon maken. We waren op de hoogte met de Holocaust, maar dat leek iets totaal anders.

De meeste van die andere jongens zijn er niet meer. De wereld is hard en voor openlijke travestieten geldt en gold dat het leven vaak kort is.

Ondanks mijn witheid geldt voor mij dus, dat je mijn leven niet kunt begrijpen als je niet weet dat ik bekend stond/sta als 'travestiet'. Mijn leven is volledig getekend en bepaald door dat simpele gegeven en de bijhorende discriminatie.

Doordat mensen weten wat je bent, word je net even anders behandeld dan anders. Uiteindelijk telt dat net even anders behandeld worden dan anderen, stevig op. Dat is ook de reden dat de meeste van mijn lotgenoten er niet meer zijn.

Ik zou dus al na die jaren heel erg boos kunnen zijn op al die bevoorrechte 'normale' mensen, die al die problemen niet kennen en zich die problemen ook niet kunnen voorstellen. Zij hebben het voordeel van 'normaliteit' dat ik door mijn keuze, aanleg of geaardheid, al die tientallen jaren nooit gehad heb.

Verder is het ook zo, dat als ik iets bijzonders ontdek of iets bijzonders presteer, dat een grote club van Nederlanders er als de kippen bij is om die prestatie voor te stellen als volstrekt fout, verdacht en minderwaardig.

De wilde en kwalijke beweringen in de pers en op internet over het dubbele proefschrift van mijn vrouw en mij laten op dit punt geen enkele twijfel over. Echter ook een proefschrift waarin we een historische doorbraak op het gebied van taalonderwijs als eersten konden publiceren naast een hele reeks kleinere ontdekkingen.

De systematische smaad- en lastercampagne die daarna vanuit de Rijksuniversitet Groningen jegens mijn vrouw en mij gevoerd werd en wordt, onder leiding en verantwoordelijkheid van de voorzitter van het College van Bestuur, heb ik -- tot een bepaald moment uiteraard -- precies gedocumenteerd, beschreven en gepubliceerd.

Nadat ik dit gepubliceerd had, meende de NRC de universiteit bij deze systematische discriminatie te hulp te moeten komen, hoewel men volledig op de hoogte was van het kwalijke karakter van het geheel.

Ik twijfel dus niet aan het bestaan van (systematische) discriminatie. Ik twijfel ook niet aan de gigantische impact die dat kan hebben.

Maar moet ik nu jaloers zijn op al die 'normale' mensen die het op veel punten vaak zo veel gemakkelijker hadden? In mijn optiek niet.


Het mooie van discriminatie

Mijn eerste reden is dat die jalouzie/boosheid niets oplevert. Het kost wel tijd en energie, maar leidt uiteindelijk tot niets of tot ellende.

Mijn tweede reden ligt in het verlengde hiervan. 'The world is a dangerous place to live,' merkte Einstein ooit op. Voor Joden, zwarte mensen, homo's, travo's en andere minderheidsgroepen geldt dat in het bijzonder. De manier om daarmee om te gaan, is niet boosheid of agressie, maar jezelf zo nuttig mogelijk maken.

Mijn derde reden heb ik afgekeken van Viktor Frankl. Die discriminatie was niet leuk om het zachtjes te zeggen en natuurlijk hebben veel van mijn lotgenoten het niet al te lang volgehouden, maar in mijn geval heeft het ook veel gebracht.

Dankzij die langdurige discriminatie ontwikkel je een bepaalde instelling. Vergelijk het met een polio-patiënt. Je krijgt een andere instelling, een andere mentaliteit. Problemen die je overleeft, maken je sterker.

Zonder dat stigmatiserende etiket van 'travestiet' zou het bijvoorbeeld nooit gelukt zijn een onderzoek van in totaal zo'n 40.000 uur samen met mijn vrouw te realiseren en voor het grootste deel zelf te bekostigen. Zoiets vereist een bepaalde instelling die je niet zomaar ontwikkelt.

En vervolgens was de universiteit zo 'aardig' me onbedoeld een schat van materiaal aan te leveren. Aan de ene kant ging het met wetenschappelijke zekerheid om discriminatie, aan de andere kant was het duidelijk dat er met het denken van de betrokkenen systematisch iets mis was.

Zoals Frankl het concentratiekamp zag als een prachtige kans om menselijk gedrag onder extreme omstandigheden te bestuderen, zo kreeg ik de unieke kans om in het hoofd te mogen kijken van mensen die extreem geneigd zijn tot discriminatie.

Hij zag slechts hun gedrag, maar ik kon zien hoe ze dachten. Wat ik zag, leek onvoorstelbaar. Ik zag eeen donkere wereld van borrelende, duistere emoties en wilde associaties. Wat ik zag, had ik me als empirisch wetenschapper niet kunnen voorstellen.

De resulterende jarenlange en koortsachtige speurtocht naar de wortels van discriminatie had nooit plaatsgevonden zonder al die eigen ervaringen op dit gebied. Het is het bestuderen van het kwaad in de mens, de donkere kant van de menselijke persoonlijkheid. Dat is niet altijd leuk. Dat vereist een bepaalde gedrevenheid.

In feite heeft die zoektocht naar de wortels van discriminatie nog belangrijk meer gebracht. Iets dat in de wetenschap bekend staat als serendipity. Som struikel je over iets en dan blijkt het een diamant te zijn. Maar dat gaat verder dan in dit verband misschien relevant is.

Het punt waar het mij om gaat, is dat er op discriminatie twee totaal verschillende reacties mogelijk zijn. De ene reactie is boosheid, verbale agressie en uiteindelijk geweld. Wij worden gediscrimineerd, dat is niet eerlijk, dat is iets om heel pissig van te worden. Uiteindelijk leidt dat vaak tot geweld. In feite reageert men op discriminatie met discriminatie en agressie.

De andere reactie is dat discriminatie een gegeven is. Ondanks die discriminatie moet je er toch het beste van zien te maken. En dat doe je door rationeel en constructief te denken, door productie, door nuttig bezig te zijn.

Die twee verschillende soorten reacties op discriminatie zijn volledig overeenkomstig het soortenmodel. In deze blog staat dat wel ergens beschreven. De ene optie is die van de double-highs, de andere die van de double-lows. De double-highs zitten volledig aan de irrationele kant van de discriminatie-as en vinden dat ze onterecht behandeld worden en niet genoeg hebben, de double-lows zitten volledig aan de rationele kant. Ze weten niet beter of het leven is oneerlijk, maar ondanks dat, proberen ze er het beste van te maken. En soms lukt dat wonderwel.

Wat ik vaak bij de anti-racisten denk te zien, is dat ze aan de kant zitten die discriminatie omarmt. Dus de irrationele kant. Het enige probleem is in hun optiek dat zij de macht of de meerderheid (nog) niet hebben.

Kan dat? Anti-racisten die geloven in discriminatie/racisme? Volgens het soortenmodel wel en de waarnemingen lijken dat te bevestigen.





---

De 11 Twitter-berichten

Hieronder  de 11 Twitter-berichten die aanleiding waren voor bovenstaand stukje.


1/11 Asha ten Broeke schrijft in VK 1/12 over het Zwarte-Piet-item in Zondag met Lubach: "Toch was niet iedereen bereid om Lubach onmiddellijk tot het heldendom te verheffen." https://www.volkskrant.nl/opinie/asha-ten-broeke-uit-de-mond-van-lubach-werden-feiten-over-zwarte-pietendiscussie-eyeopeners-waarom~a4542466/

2/11 Mijns inziens mis je dan het punt waar het om gaat. Lubach benadert de kwestie puur rationeel, maakt zijn punt en zorgt dat zijn punt overkomt. Asha ten Broeke trekt de kwestie echter onmiddellijk in het persoonlijke vlak. Ze speelt niet op de bal, maar op de man. - MvE

3/11 Ander voorbeeld van op de man spelen. Bij de relativiteitstheorie van Einstein was belangrijk dat zijn voorspelling uitkwam. Voor de nazi's was dat niet relevant, Einstein was Jood en dus deugde hij en zijn theorie niet.

4/11 Op de man spelen, is dus sterk gekoppeld aan racisme en discriminatie. #discriminatie #racisme

5/11 Het argument tegen Lubach is dat hij wit is. Ja, en hij is ook nog Fries, net als ik. Dat maakt hem uiterst verdacht. Wit en Fries, moeten we nog meer weten? Weg ermee! Laten we in Godsnaam proberen ons land zuiver te houden! Dit is gajes van het ergste soort!

6/11 Asha ten Broeke: "Zo kwam de immer scherpzinnige anti-racist Arzu Aslan op Twitter met een kritische analyse van Lubachs bewieroking." Hier speelt AtB opnieuw op de man. Het gaat om de juistheid van het verhaal, de veronderstelde scherpzinnigheid van AA doet er niet toe.

7/11 Wat me verder opvalt in het citaat is de term 'bewieroking'. De reden voor de kritiek/boosheid is dat Lubach waardering oogst met zijn prestatie. Hij krijgt waardering, terwijl ik die zo graag had willen hebben. Met andere woorden: AA is jaloers op Lubach.

8/11 Jalouzie is echter een typerende emotie van mensen die sterk geneigd zijn tot discriminatie, racisten dus. Mensen die gemakkelijk naar op emoties gebaseerde conclusies springen en zich snel tekort gedaan voelen en dat wijten aan anderen.

9/11 Bevooroordeeldheid of de geneigdheid tot discrimineren komt in alle landbouw-samenlevingen voor en zeker ook bij gekleurde mensen. Gelukkig niet bij iedereen in dezelfde mate. De mensen die heel zakelijk en rationeel denken, mensen zoals Lubach, hebben er de minste last van.

10/11 Ik durf wel een voorspelling te doen na #ZML. Ik weet niet zoveel van Doutzen Kroes, behalve dan dat ze vrouw, Fries en mooi is. Dat heeft echter weinig te maken met mijn voorspelling: ze is goed in logisch, helder, zakelijk, rationeel denken! - MvE

11/11 Soms ben ik stiekem geneigd te denken dat Friezen iets bijzonders hebben met nuchter denken, maar helaas gaat dat lang niet altijd op. - MvE





vrijdag 1 december 2017

De Gini-coëfficiënt als maat voor discriminatie en ongelijkheid



De prijs voor de beste column van de week tot nu toe, gaat wat mij betreft naar Peter de Waard in de Volkskrant van 28/11 voor "Neemt de ongelijkheid al tienduizend jaar toe?" Waarom? Uiterst relevante informatie, kort en prima leesbaar.


Ik besteedde er daarna nog 10 tweets aan, die ik hier laat volgen.


1/10 "Neemt de ongelijkheid al tienduizend jaar toe?" Peter de Waard bespreekt in de Volkskrant van 29/11 het onderzoek van Tim Kohler e.a. (Nature, d.d. 30/11). De mate van #ongelijkheid is bepaald op basis van de huizengrootte. #discriminatie

2/10 De mate van ongelijkheid in huizengrootte is uitgedrukt in de Ginicoëfficiënt voor vermogensverdeling. Iedereen evenveel=0, één iemand alles en de rest niets=1.

3/10 In het stenen tijdperk was de Ginicoëfficiënt slechts 0.17, in de kleinschalige landbouwsamenleving steeg die tot 0.25, toen de koeien en paarden e.d. verschenen werd de Gini 0.35, in de Middeleeuwen met pachters, horigen en lijfeigenen werd die 0.56, aldus De Waard.

4/10 Op dit moment is de Gini 0.54 in Zuid-Korea, in Griekenland en Spanje 0.58, in Nederland 0.64, in China 0.70 en in de VS 0.81 maar liefst, aldus De Waard.

5/10 Conclusie: tienduizend jaar beschaving heeft de wereldgemeenschap heel veel ongelijker gemaakt, aldus De Waard.

6/10 Mee eens, het is mooi dat het nu eens niet alleen bedacht is, maar ook aangetoond is via empirisch onderzoek. - MvE

7/10 Eigenlijk is het niet 10.000 jaar beschaving, maar 10.000 jaar technische vooruitgang die de wereld veel ongelijker heeft gemaakt. Het probleem ontstaat doordat de productie steeds minder menstijd vergt. - MvE

8/10 Verder is het niet alleen een ongelijkheidsprobleem en een probleem van toenemende discriminatie/agressie of afnemende moraliteit. Ook de rationele en cognitieve vermogens lijken snel af te nemen. - MvE

9/10 Een Ginicoëfficiënt van 0.81 zoals de VS scoren, lijkt slechts één ding te kunnen betekenen, zou je verwachten. Lijkt te kloppen met als je Trump hoort of zijn getwitter leest. - MvE

10/10 Het leek zo slim de uitvinding van de landbouw. Wie had het ook al weer over een pact met de duivel? - MvE

---
 
Het onderliggende artikel in Nature is door dat idee de huizengrootte te gebruiken als maat voor de Ginicoëfficiënt heel bijzonder, maar vervolgens lijken de auteurs zich voor mijn idee wat te verliezen in de veelheid van gegevens. Men is als het ware zelf even kwijt wat men nu precies wilde aantonen. Tegelijkertijd wil men vermoedelijk veel te veel.

Allereerst laten ze zien dat de Gini gemiddeld oploopt van jagers-verzamelaars (onder de 0.2), via kleinschalige landbouw (horticulture) naar gemiddeld onder de 0.3, tot bij grootschalige landbouw (agriculture) naar gemiddeld onder de 0.4. De Gini lijkt dus langzaam op te lopen naarmate de landbouw een grotere vlucht neemt. Dat is natuurlijk ook wat je zou verwachten.

De spreiding blijkt echter erg groot te zijn, het is dus geen vaste regel. Gemiddeld lijkt er een effect te zijn, maar voor afzonderlijke culturen kan het totaal anders liggen.

Ten tweede leggen ze een verband met de politieke schaal. Natiestaten hebben gemiddeld een hogere Gini, rond de 0.4 dan kleine samenlevingen. Maar de spreiding is ook in dit geval weer erg groot, dus kennelijk gaat ook deze regel niet altijd op. Verder is het begrip 'natiestaat' nogal vaag, wat het verband wat subjectief maakt.

Ten derde lijkt de Gini, afgaande op hun data/figuren, geleidelijk met de tijd op te lopen. Het probleem is echter dat ze dat kennelijk zo voor de hand liggend vonden, dat ze het verder niet onderzocht hebben, als ik het goed begrijp.

Afgaande op wat er bekend is over de huidige Gini's lijkt dat echter onmiskenbaar en het lijkt ook te kloppen met hun gegevens. Ook De Waard gaat daar in zijn column vanuit.

De enig echt harde conclusie die getrokken kan worden, is dus kennelijk dat de Gini bij jagers/verzamelaars onder de 0.2 lag. Verder denken we te weten waar die nu ligt in verschillende landen en dan lijkt het verschil verontrustend groot.

Ongelijkheid en daarmee ook discriminatie, zijn dus echt iets van na de uitvinding van de landbouw.