zondag 16 augustus 2020

Is conformiteit (meegaan met de groep in het Asch-experiment) hetzelfde als bevooroordeeldheid?

 
Laatst bijgewerkt: 23-8-2020 om 0.55
 
 
In mijn vorige blogpost besprak ik het onderzoek van Asch naar conformiteit (pdf van zijn artikel: hier). De grote ontdekking die hij deed, was dat het meegaan met de groep, het produceren van onzin-antwoorden onder invloed van de groep, een persoonsvariabele is. Sommige mensen doen het voortdurend, anderen nooit, de meesten zitten daar ergens tussenin. Iedereen heeft in beginsel een vast getal dat aangeeft, waar hij precies zit.

Asch kon de neiging om met de groep mee te gaan, niet een klein beetje meten, maar kon het met slechts 12 'kritische' items nauwkeurig meten. De betrouwbaarheid (coëfficiënt alfa) die ik kon berekenen uit zijn gegevens, was 0.89. De score op deze 12 items wordt voor 89% bepaald door de persoonsvariabele, die gemeten wordt en bevat slechts 11% toeval.
 
 
De grote vraag: is conformiteit hetzelfde als bevooroordeeldheid, de zooifactor?
 
De grote vraag is natuurlijk: welke variabele heeft Asch precies gemeten? Gaat het bij de Asch-experimenten inderdaad, zoals je zou verwachten, om bevooroordeeldheid?
 
De eenvoudigste oplossing zou empirisch onderzoek zijn. Iemand herhaalt het Asch-experiment en meet daarvoor of daarna de mate van bevooroordeeldheid ('generalized prejudice') van de proefpersonen. De correlatie, gecorrigeerd voor onbetrouwbaarheid, levert het antwoord. Vervolgens is er nog een onafhankelijk ander onderzoek nodig, dat hetzelfde oplevert om helemaal zeker te zijn.
 
Helaas heb ik het eerste onderzoek, ondanks eindeloos zoeken, tot nu toe niet kunnen vinden. Laat staan het tweede. Sociaal-psychologen vinden dit kennelijk een foute vraag of zien misschien het probleem helemaal niet. Een andere mogelijkheid is dat ik op een of andere manier niet goed gezocht heb.

Het merkwaardige is dat Asch in zijn artikel (1956) het probleem wel zag. Hij besteedt maar liefst anderhalve bladzij, overwegend gezet in een kleine letter, aan de vraag, hoe dit probleem het beste aangepakt kan worden (p. 51-52). Hij schrijft: 'The striking individual differences leave us therefore with an unsolved problem that requires investigation' (p. 51).
 
Inmiddels zijn we bijna 65 jaar verder en is het probleem nog nooit aangepakt, laat staan opgelost. Sterker nog: sociaal-psychologen lijken het probleem volledig te hebben verbannen uit hun bewustzijn. Misschien een extra reden om het probleem nu wel aan te pakken en op te lossen.

Wie verder leest, zal zien dat mijn poging een onverwachte bijvangst levert. De interviewgegevens van Asch tonen bij heranalyse twee verschijnselen, die tot nu toe misschien wel verondersteld werden, maar bij mijn weten nog nooit aangetoond waren. Het gaat om, althans zo heb ik ze benoemd: 'dubbel werkende waarneming' (DWW) en 'dubbel gestoorde waarneming' (DGW).

DWW en DGW verklaren een resultaat dat Asch waarnam en beschreef, maar niet kon en wilde geloven. Als het echt zo was, moest het eerst maar eens grondig onderzocht en aangetoond worden in verder onderzoek. Het vreemde fenomeen dat Asch waarnam en niet goed kon plaatsen, omschreef hij als 'yielding without awareness' (de groep volgen zonder zich dat bewust te zijn).
 
Een tweede consequentie van DWW en DGW is dat het omarmen van vooroordelen (de meningen van een groep) in beginsel een vol-automatisch proces is, in ieder geval bij extreem bevooroordeelde personen, dat niet door bewust denken gecontroleerd wordt.

Terug naar de hoofdvraag. 'Conformiteit' is de naam die we hanteren voor dat wat Asch gemeten heeft. Je volgt met je antwoord de groep ook al kun je zien, dat het antwoord van de groep niet klopt. Maar welke variabele is dat precies? Gaat het inderdaad om bevooroordeeldheid, de zooifactor?


De twee soorten mensen die extreem scoren, bepalen de Asch-variabele

Om daarachter te komen, is het voldoende om naar het begin- en eindpunt van die variabele te kijken. Aan de beginkant heb je de mensen met 0 fouten, aan het eindpunt heb je de mensen met 11 en 12 fouten. Bij 12 'kritische' items had je dan dus alles of bijna alles fout. Het verschil tussen beide soorten mensen is de variabele, die we zoeken.
 
Uit de resultaten van Asch blijkt dat beide extreme soorten mensen behoorlijk vaak voorkomen. In de categorie met 0 fouten zit 24% van de proefpersonen. In de categorie met 9-12 fouten zit 18% van de proefpersonen. Wanneer we die laatste categorie inperken tot 11 en 12 fouten, blijft er nog steeds 8,1% over. Geen grote groep, maar voor ons doel vermoedelijk toereikend.
 
Het eerste punt van verschil dat ik dacht te zien, is dat de mensen met 0 fouten zich keurig houden aan hun opdracht, terwijl de mensen met 11 en 12 fouten de hele opdracht onmiddellijk lijken te vergeten. Het is alsof ze de opdracht nooit gehoord hebben.
 
Is die verklaring mogelijk? Nee, want in de controlegroep trad het effect niet op. Ook in de controlegroep hebben natuurlijk mensen gezeten, die hoog scoorden op conformiteit. In de controlegroep hoorde men echter niet de antwoorden van de andere 'groepsleden'. Iedereen noteerde steeds zelf zijn antwoord op papier. Je wist dus niet wat je buurman geantwoord had.
 
Bij deze afgedwongen zelfwerkzaamheid deden ook de mensen, die anders 11 en 12 fouten gehaald zouden hebben, kennelijk normaal hun taak. Dat wil zeggen: ze maakten niet of amper fouten. Ze deden gewoon wat ze moesten doen.
 
Het schijnbaar vergeten van de instructie is dus volledig het gevolg van de foute antwoorden die men hoort. De foute antwoorden hebben een dramatische uitwerking op bepaalde mensen. Het resultaat is dat ze 11 of 12 fouten halen. Het is dus niet zo, dat de instructie niet goed begrepen is of vergeten wordt. Het zijn echt de foute antwoorden die men hoort, waardoor de fouten ontstaan.
 
Het tweede punt van verschil, dat ik dacht te zien, is dat de mensen met 0 fouten hardnekkig focusten op de taak, die ze moeten uitvoeren en zich niet lieten afleiden door de foute antwoorden, die ze hoorden. De mensen met 11 en 12 fouten daarentegen lieten zich voortdurend of bijna voortdurend afleiden door de foute antwoorden die ze hoorden en namen die foute antwoorden ook nog eens volledig over.
 
--------------------
Ik schrijf: ze namen die foute antwoorden ook nog eens 'volledig' over. Klopt dat? Asch vermeldt namelijk iets merkwaardigs. Sommige mensen kozen, wanneer dat mogelijk was, een compromis-antwoord. Als het juiste antwoord de kortste lijn was en de groep antwoordde met de langste lijn, dan losten sommige proefpersonen het probleem op door met hun antwoord tussen beide antwoorden in te gaan zitten. Ze kozen als antwoord de qua lengte 'middelste' lijn.

Als je het logisch bekijkt, is dat een vreemde keus. Aan de ene kant klopt je antwoord niet met wat je ziet. Aan de andere kant ga je ook niet met de groep mee. Je kiest dus een oplossing die -- op welke manier je het ook bekijkt -- altijd fout is.

Aan de andere kant is het menselijk gezien, een begrijpelijke reactie. Door wat je ziet, word je de ene kant uitgetrokken. Door de groep word je de andere kant uitgetrokken. Wat moet je doen? Het conflict dat ontstaat, los je op door het midden te kiezen. Je kiest de compromis-oplossing.

Het kiezen van compromis-antwoorden bleek echter vooral te gebeuren door mensen die niet extreem scoorden. Dus door mensen in het middengebied van de verdeling. Mensen die kennelijk beide kanten van het probleem zien. Omdat wij ons beperken tot de mensen die extreem scoren, gaat het dus niet om compromis-antwoorden. De mensen die voortdurend of bijna voortdurend met de groep meegingen, gingen dus steeds volledig met de groep mee.
-------------------- 

 
Hoe kunnen we het voorgaande samenvatten? Het kan niet liggen aan het niet begrijpen of opeens vergeten van de instructie. Het effect in het Asch-experiment, ontstaat volledig door de foute antwoorden die men hoort.
 
Wat is dan precies het verschil tussen de mensen met 0 fouten en de mensen met 11-12 fouten? Het verschil zit volledig in de reactie op die foute antwoorden. Het ene soort mens focust volledig op de taak die men gekregen heeft en wil die zo goed mogelijk doen. Men laat zich dus niet afleiden door de foute antwoorden die men hoort.
 
Het andere soort mens wordt door de foute antwoorden die men hoort, diepgaand beïnvloed. Men vergeet als het ware onmiddellijk de taak die men moet doen. De foute antwoorden die men hoort, werken als een soort commando. Of men wil of niet, men moet aan dat commando gehoorzamen.
 
Kunnen we het eenvoudiger formuleren? De een soort mens focust hardnekkig op de taak die men gekregen heeft, de andere soort mens focust volledig op het zo gunstig mogelijk overkomen in de groep. Die twee extreme soorten mens kunnen we omschrijven als 'taakmensen' en 'extreme groepsmensen'.
 
Asch heeft een situatie geschapen waarin men aan de ene kant een objectieve taak moet uitvoeren. Aan de andere kant bevinden mensen zich ook in een groep, althans zo lijkt het voor de proefpersonen. Die groep geeft soms steeds dezelfde foute informatie over wat het antwoord moet zijn. In die situatie moet je dus  kiezen: welk informatiekanaal geef je prioriteit. Vertrouw je op je ogen en verstand? Of vertrouw je op wat de groep zegt? Wie van de twee ga je volgen en gehoorzamen?

Als je het zo opschrijft, gaat het dus om 'volgen en gehoorzamen'. Geloof je in de almacht van objectieve feiten? Of geloof je in de almacht van de groep? Als jij gelooft dat 2+2=4, dan heb je objectief gezien vermoedelijk gelijk. Maar als de groep heilig gelooft dat het antwoord 5 is, kan je 'foute' geloof je soms misschien wel de kop kosten. Beide antwoord-strategieën zijn in de praktijk dus verdedigbaar.

Maar dat is in grote lijn precies wat het -- volledig op empirisch onderzoek gebaseerde -- soortenmodel stelt. In samenlevingen, zoals die ontstaan zijn na de uitvinding van de landbouw, heb je twee tegengestelde culturen. De leden van de bèta-cultuur zorgen voor de productie en omarmen objectieve feiten, omdat ze voor hun overleven daarvan volledig afhankelijk zijn. De leden van de alfa-cultuur oefenen de macht uit en omarmen subjectieve gevoelens en meningen, omdat ze voor hun overleven afhankelijk zijn van hun status in de groep. De factor die het verschil vormt tussen beide culturen is bevooroordeeldheid, de zooifactor.

Asch heeft met zijn experiment een situatie geschapen, waarin de proefpersoon moet kiezen tussen een objectief feit (dat hij ziet en waarneemt) en de mening van de groep die met dat objectieve feit in strijd is. Met andere woorden: je bent geneigd te denken dat Asch bevooroordeeldheid gemeten moet hebben. Dat lijkt bijna niet te kunnen missen, maar we zullen zien.
 
In het voorgaande heb ik geen nieuwe gegevens gepresenteerd. Ik ben alleen nagegaan wat een proefpersoon in het Asch-experiment precies moet doen. Wat is precies het probleem, waarmee hij geconfronteerd wordt? Op basis daarvan kom je tot de conclusie: Asch meet kennelijk het verschil tussen taakmensen en extreme groepsmensen. Met andere woorden: je zou denken dat het om bevooroordeeldheid moet gaan. 
 
Wat betekent het als je hoog scoort op conformiteit? Het betekent, dat je automatisch en volledig het foute verhaal van de groep overneemt.
 
Het belangrijkste resultaat van Asch was, dat hij liet zien dat het volgen van de groep een persoonsvariabele is. De een heeft het niet, de ander wel, de meesten zitten daar tussenin. Nu hebben we ons echter gericht op de inhoud van die variabele. Wat betekent het als je hoog scoort op conformiteit? Hoe je het ook draait of keert, het betekent, dat je automatisch en volledig het foute verhaal van de groep overneemt. Zelfs als voor je ogen zichtbaar is, dat dat verhaal van geen kant klopt.

Dat is nogal een heftige bewering. Klopt die ook helemaal? Dat het foute verhaal van de groep voortdurend of bijna voortdurend volledig wordt overgenomen, natuurlijk wel. Maar is het ook iets dat 'automatisch' gebeurt? Om die vraag te beantwoorden is het noodzakelijk ons te verdiepen in het tweede deel van het Asch-artikel.


Taakmensen richten zich op de taak, groepsmensen op de groep
 
Het tweede deel van het Asch-artikel bespreekt de resultaten van de interviews die Asch en zijn medewerkers met een aantal van de proefpersonen na afloop van het experiment hadden. Het ging om vragen als: hadden ze het probleem door?, waarom gingen ze wel of niet met de groep mee? Het verslag begint op pagina 24 en eindigt op pagina 54. Het is dus een 31, soms dicht bedrukte, bladzijden lang.

Die 31 bladzijden zijn lastig interpreteerbaar. Ze geven wel een beeld, maar het beeld is moeilijk samen te vatten in concrete punten. Er is echter één uitzondering. De respondenten kregen (soms) twee vragen voorgelegd, waarvan de uitkomsten in tabelvorm staan vermeld. Eigenlijk gaat het om twee scatter-diagrammen waarvan de gegevens in tabelvorm zijn weergegeven ('Table 12' en 'Table 13', p. 35).
 
De twee vragen waar het om gaat, vroegen de respondent te schatten, hoe vaak men een fout antwoord had gegeven. En dezelfde vraag werd ook nog eens andersom geformuleerd: hoe vaak dacht men afgeweken te zijn van de groep?
 
De tabellen 12 en 13 in het Asch-artikel bevatten de uitkomsten op deze twee vragen. Op de horizontale as is het aantal werkelijk gemaakte fouten weergegeven (en/of het aantal keer dat men werkelijk afweek van de groep). Op de verticale as zijn de geschatte aantallen weergegeven. In de cellen van de tabel zelf staat het gevonden aantal respondenten.
 
De 18 mensen die 0 fouten hebben gemaakt, schatten gemiddeld dat ze 0.1 fout hebben gemaakt. Ze weten dus dat ze geen of vrijwel geen fouten hebben gemaakt.

De mensen met 11 en 12 fouten, focusten natuurlijk op de groep. De vergelijkbare vraag in hun geval is dus: hoe vaak zijn ze afgeweken van de groep? In dit geval beschikken we slechts over het antwoord van één persoon met 11 fouten. Deze persoon schat dat hij met zijn antwoorden eenmaal is afgeweken van de groep. Zijn schatting klopt dus perfect.

Eén persoon is natuurlijk wat erg weinig. Uit het verloop van het scatterdiagram ('Table 13') blijkt dat iemand met 12 fouten alleen 0 of 1 kan schatten. Volgens de gegevens in het scatterdiagram hebben mensen met 11 en 12 fouten een vrijwel perfect idee van het aantal keer dat ze met hun antwoord afweken van de groep.

Samenvattend, we vinden voor beide extreme soorten mensen, dat men weet, hoe vaak men met zijn antwoord afweek van de norm die men hanteerde. De mensen met 0 fouten weten dat ze ongeveer 0 fouten hebben gemaakt. De mensen met 11 en 12 fouten weten dat ze nooit of vrijwel nooit zijn afgeweken van de groep.
 
Het ene soort mens wil de taak zo goed mogelijk doen, het andere soort mens wil de interactie met de groep zo goed mogelijk doen.
 
 
Dit bevestigt, wat we al veronderstelden. Het ene soort mens richt zich vooral op de objectieve taak, het andere soort mens richt zich vooral op het volgen van de groep. Het ene soort mens wil de taak objectief gezien zo goed mogelijk doen, het andere soort mens wil zijn interactie met de groep zo goed mogelijk doen. Met andere woorden: men wil voor alles aansluiting bij de groep en daar zo hoog mogelijk in komen.

Het tweede deel van het Asch-artikel bevestigt met deze kwantitatieve data het idee van 'taakmensen' en 'extreme groepsmensen'.


Dubbel werkende waarneming (DWW) en dubbel gestoorde waarneming (DGW) 
 
Nu komt er een punt waarop beide extreme soorten mensen verschillen. Wat weet men precies over dat waar men niet op gefocust heeft? Wat weten de taakmensen over de mate waarin ze de groep hebben gevolgd? Wat weten de extreme groepsmensen over de mate waarin ze de taak hebben uitgevoerd?
 
Asch vroeg de mensen met 0 fouten dus ook hoe vaak ze het oneens waren geweest met de groep? Op dit punt blijken de 14 respondenten die deze vraag hebben beantwoord, nogal van mening te verschillen. Hun schattingen lopen uiteen van 4 tot 17. Gemiddeld komen ze uit op 10.7. In werkelijkheid waren ze het 12 keer oneens met de groep. Gemiddeld onderschatten ze dus de mate waarin ze met hun antwoorden van de groep zijn afgeweken een klein beetje. In doorsnee zitten ze echter vlakbij.

Laten we nu kijken naar de mensen die steeds of bijna steeds met de groep meegingen (11 of 12 fouten). Deze mensen hebben bijna volledig en voortdurend gefocust op de groep. Wat weten zij over het aantal fouten dat ze hebben gemaakt?
 
Er zijn 3 respondenten die deze vraag beantwoord hebben. Ze hadden in werkelijkheid: 11, 12 en 12 fouten. Ze schatten het aantal fouten dat ze hebben gemaakt als respectievelijk: 2, 1 en 0. Deze mensen hebben dus geen enkel idee van aantal fouten, dat ze werkelijk gemaakt hebben. Kennelijk hebben ze inderdaad voortdurend en volledig gefocust op de groep en de informatie die steeds zichtbaar voor hun ogen op het bord stond, niet verwerkt.

Een aantal van drie respondenten is natuurlijk niet veel. Ook in dit geval bevestigt de informatie in het scatterdiagram ('Table 13') dat mensen met 11 en 12 fouten zullen schatten 0 of 1 keer fout geantwoord te hebben. Ze hebben dus geen idee hebben van het aantal fouten dat ze werkelijk gemaakt hebben. De informatie die steeds voor hun ogen zichtbaar op het bord stond gedurende de beantwoording van het item, is kennelijk volledig niet verwerkt.
 
Wat betekent dit? De taakmensen weten in doorsnee hoe vaak ze zijn afgeweken van de groep. De extreme groepsmensen hebben echter geen enkel idee over wat ze precies gezien hebben. De taakmensen hebben automatisch geregistreerd dat ze met hun antwoord afweken van de groep. De groepsmensen hebben niet geregistreerd dat hun antwoorden objectief gezien fout waren.
 
De taakmensen weten in doorsnee hoe vaak ze zijn afgeweken van de groep. De extreme groepsmensen hebben geen enkel idee over wat ze precies gezien hebben.

De kennelijke verklaring is dat het verwerken van de foute antwoorden via het automatische systeem gaat (systeem 1, het emotionele systeem van 'snel denken'), terwijl het zien van de juiste lengte verloopt via het niet-automatische systeem 2 van bewust denken. Ook wel aangeduid als 'traag denken'.
 
Dit tweede deel van het Asch-onderzoek, het verslag van de interviews na afloop, maakt hiermee duidelijk dat taakmensen systeem 2 hanteren, maar dat tegelijkertijd systeem 1 bij hen ook nog werkt. Ze horen automatisch dat het groepsantwoord niet klopt met het antwoord dat zij geven.
 
De extreme groepsmensen hanteren daarentegen, zoals je zou verwachten, systeem 1 voor hun interactie met de groep, maar laten hun systeem 2 uitgeschakeld. Ze gebruiken het systeem van het bewuste denken niet. Ze zien niet, wat er wel is.
 
Vanuit de optiek van een extreem groepsmens niet zo vreemd. Bewuste waarneming leidt tot kennis. Maar die kennis kan gemakkelijk interfereren met het volgen van de groep. Wie in een groep wil passen, moet vooral niet afwijken door iets te verkondigen, dat voor het idee van de groepsgenoten vreemd of onbekend is. Verder kost bewuste waarneming kostbare denktijd, waardoor men niet meer onmiddellijk kan reageren op wat er in de groep gebeurt. Het uitschakelen van de bewuste waarneming (het 'trage denken') heeft dus voordelen wanneer men voortdurend in een machtige groep leeft.

Doordat extreme groepsmensen meegaan met de foute groepsantwoorden, zien ze dingen die er niet zijn. Dat betekent: wat ze zeggen, klopt niet met de werkelijkheid. Tegelijkertijd zien ze de werkelijkheid, die voor hun ogen staat, niet. Dat wil zeggen: ze zien die werkelijkheid misschien nog wel, maar ze verwerken die informatie niet. De informatie dringt niet meer door tot hun bewustzijn. Ze lijden aan dubbel gestoorde waarneming (DGW). Ze 'zien' dingen die er niet zijn en de dingen die er wel zijn, zien ze niet.

Nemen deze extreme groepsmensen dan helemaal niet waar? We hebben het over het waarnemen van de objectieve werkelijkheid. Hun systeem 1 om de sociale werkelijkheid waar te nemen en te manipuleren, draait op volle toeren. Hun systeem 2 om de objectieve werkelijkheid te voorspellen werkt echter niet of slechts matig, doordat het standaard uit staat. Het gevolg is dat ze dit lange termijn denken ook niet beschikbaar hebben om de sociale werkelijkheid te voorspellen.

Taakmensen daarentegen beschrijven eerst correct wat ze zien met hun ogen. Tegelijkertijd blijken ze ook nog op een lager niveau het antwoord van de groepsleden te registreren. Hun waarneming is niet gestoord, maar werkt dubbel. Aan de ene kant gebruiken ze hun ogen en verwerken de informatie daarvan bewust. Aan de andere werkt op de achtergrond hun emotionele systeem automatisch door. Ze hebben dubbel werkende waarneming (DWW). Ze nemen waar op twee niveaus. Ze zien wat er is en horen ondertussen ook nog, wat er door de groep beweerd wordt.

Eerder wierp ik de vraag op of het overnemen van het foute verhaal van de groep automatisch gaat. Extreme groepsmensen hanteren niet het systeem van 'traag denken', zagen we. Hun interactie met de groep verloopt via het systeem voor 'snel denken' (babbelen). Maar dat is een automatisch werkend systeem gebaseerd op emoties. Het overnemen van het foute verhaal van de groep is dus een automatisch proces. Extreme groepsmensen kunnen normaal niet anders, omdat hun systeem voor traag denken uitgeschakeld staat.

Het omarmen van foute informatie gaat bij extreme groepsmensen automatisch. Tegelijkertijd ziet men niet meer, wat er wel is. Men heeft DGW. Men is volledig los van de objectieve werkelijkheid. Of zoals vroeger werd gezegd: men is los van God.


De driedeling van Asch bevestigt het soortenmodel: conformiteit is bevooroordeeldheid
 
In het verslag van Asch vormen 'Table 12' en 'Table 13' belangrijke bronnen doordat ze kwantitatieve informatie geven over de interviews na afloop. Vervolgens vermeldt Asch echter voor ons nog meer interessante informatie.
 
Hij vraagt de respondenten waarom ze wel of niet meegingen met de groep. De mensen die meegingen met de groep ('yielding') geven daarvoor nogal uiteenlopende antwoorden. Op basis van die antwoorden verdeelt Asch ze in drie verschillende categorieën.

Allereerst is er een categorie, die zichzelf ervan probeert te overtuigen, dat men het kennelijk verkeerd ziet. Men denkt te zien dat het antwoord A moet zijn. De groep zegt B. Men lost het probleem op door zichzelf te vertellen, dat men het kennelijk verkeerd zag, de groep kan zich nu eenmaal niet vergissen.
 
Asch noemt dit: yielding at the level of judgment. Men kent aan het groepsoordeel prioriteit toe, boven wat men zelf ziet. Men wijzigt zijn oordeel onder invloed van de groep, die zich volgens het idee van deze respondenten onmogelijk kan vergissen. Men ziet de groep als absolute autoriteit.

Ten tweede zijn er mensen die zien, dat het antwoord van de groep fout is, maar tot iedere prijs niet uit de groep willen vallen. Daarom gaan ze met hun antwoord bewust met de groep mee. Asch noemt dit: yielding at the level of action. De respondenten zien dat A moet zijn, maar zeggen bewust B om niet uit de groep te vallen.

De meest extreme categorie die met de groep meeging, zag het probleem echter helemaal niet. Had men iets fout gedaan? Dat kon niet, want men had steeds zo goed mogelijk geantwoord. Men zag kortom het probleem niet. Afgaande op het verslag van Asch was dit de kleinste van de drie categorieën. Je zou deze categorie yielding without awareness kunnen noemen.

Asch schrijft over deze mensen (p. 42):
'Among the rarest, but not the less significant, of the reactions were those in which yielding occurred apparently without awareness [cursivering MvE]. Previously we have described the case of one such subject who yielded on all trials but one, but who asserted with every appearance of genuineness that he never reported an answer he believed to be wrong [. . .]. The most noteworthy feature was the placidity of the subject; it appeared that his lack of awareness enabled him to maintain an attitude of complacency and frankness, only mildly troubled by the suspicion that something unknown to him had occurred.
The writer has not himself observed other cases as extreme as this, although a few were reported by his associates. In these instances there appeared to be a genuine lack of awareness of the degree of yielding, evidenced by an insistent rejection of its possibility.'

 

Deze indeling in drie categorieën van Asch levert belangrijke informatie voor de vraag: welke variabele mat Asch precies? Volgens het soortenmodel bestaan de leden van de alfa-cultuur (de machtige groep) namelijk uit drie verschillende soorten mensen. Allereerst heb je de gewone (niet sociaal-dominante) volgelingen/gelovigen. Dit is de machtsbasis van de strongman. Zijn voetvolk. Daarna krijg je de 'men of action' (wel sociaal dominant, maar niet volgeling/gelovige). Dit zijn de officieren en generaals van de strongman. Zij zorgen dat er daadwerkelijk zaken gerealiseerd worden. De middenstand van de alfa-cultuur. Tenslotte krijg je de strongman met zijn elite. De echte alfa's, de predikers, de 'men of words' ('double-highs', dus: sociaal dominant en volgeling/gelovige).
 
De driedeling van Asch stemt overeen met de driedeling van het soortenmodel. Dat is alleen mogelijk als het om dezelfde variabele gaat.

Zonder dat Asch iets afweet van het soortenmodel, komt hij hier met drie soorten groepsmensen. De mensen die de groep als autoriteit zien, de mensen die heel goed zien dat het antwoord van de groep onzin is, maar ondanks dat, toch meegaan met de groep, omdat ze nu eenmaal beslist niet uit de groep willen vallen. Tenslotte de mensen die zo automatisch met de groep meegaan, dat ze het zelf niet meer doorhebben en zich de fysische werkelijkheid ook niet langer bewust zijn of deze relevant vinden. Met andere woorden: Asch beschrijft respectievelijk: gewone volgelingen/gelovigen, 'men of action' en 'men of words'.

Deze driedeling van Asch levert daarmee specifieke informatie dat conformiteit en bevooroordeeldheid hetzelfde zijn. Het is vrijwel ondenkbaar dat Asch toevallig tot precies dezelfde indeling zou kunnen als de indeling die het soortenmodel levert. Het gaat kennelijk om dezelfde variabele.
 

Conclusie
 
Hoe valt het voorgaande samen te vatten?
 
Laten we beginnen met de hoofdvraag. Zijn conformiteit en bevooroordeeldheid hetzelfde? Gegeven het feit dat Asch de indeling vindt, die het soortenmodel oplevert, lijkt er op dit punt geen verdere twijfel mogelijk. (Het soortenmodel verklaart waarom drie van de vier soorten mensen bevooroordeeld zijn en één soort niet.) Het Asch-experiment is een andere manier -- naast de vele manieren die al bekend zijn -- om bevooroordeeldheid te meten.
 
Natuurlijk is het mogelijk dat een maat gebaseerd op 'kritische' items enigszins andere uitkomsten levert dan een maat gebaseerd op een reeks vooroordelen. Iedere meetmethode zal in de praktijk enige unieke variantie toevoegen. Maar dat het in wezen om dezelfde variabele gaat, lijkt buiten kijf.
 
Wat betekent dat? Dat betekent dat Asch laat zien, hoe vooroordelen ontstaan en worden overgenomen. Het foute onzin-antwoord krijgt zijn emotionele lading doordat alle leden van de groep het zeggen. Om die reden moet het wel 'waar' zijn. Om die reden is het een heilig dogma. Het Asch-experiment leert ons hoe bevooroordeeldheid werkt.
 
Een andere definitie voor bevooroordeeldheid die het voorgaande levert is: taakmens versus extreem groepsmens. Doe je je objectieve taak zo goed mogelijk of volg je voortdurend volledig en automatisch het oordeel van de groep?
 
Dan is er een tweede resultaat. Taakmensen hebben dubbel werkende waarneming (DWW). Extreme groepsmensen hebben dubbel gestoorde waarneming (DGW). Taakmensen nemen bewust waar, wat er is en nemen tegelijkertijd nog waar, wat hun emotionele systeem voelt. Extreme groepsmensen verkondigen eerst een fout verhaal van de groep en zien tegelijkertijd niet, wat er wel is. Ze zijn volledig losgeraakt van de objectieve werkelijkheid. Ze leven volledig in de sociale werkelijkheid van de groep.
 
Het derde resultaat is misschien het meest verontrustend. Het omarmen van foute informatie (vooroordelen) door extreme groepsmensen gaat automatisch en onbewust. Een grasmaaier maait gras. Een extreem groepsmens omarmt foute informatie, zodra die door de groep wordt aangeboden. Er vindt geen enkele vorm van toetsing plaats. Het feit dat de groep het vindt, is voldoende. Extreme groepsmensen (alfa's, double-highs) leven als het ware op, van, met en via vooroordelen. Het is hun manier van bestaan.


 
 











maandag 3 augustus 2020

De onbekende ontdekking van Asch: mensen zien dingen die er niet zijn, maar de een veel vaker dan de ander


Laatst bijgewerkt: 7-8-2020 om 1.00


Mijn vorige blogpost gaf drie voorbeelden van dingen zien, die er niet zijn. Het eerste voorbeeld was het boek van Rutger Bregman: De meeste mensen deugen. Het idee dat de meeste mensen deugen vinden we mooi en geloven we graag. Zijn boek vliegt over de toonbank. De werkelijkheid is helaas een stuk minder opwekkend.

Het tweede voorbeeld was bedacht. Je begeleider wil een bepaald antwoord horen. Je weet of zou kunnen weten, dat het antwoord niet helemaal klopt met de werkelijkheid. Maar je wilt graag een positieve beoordeling, dus doe je niet al te moeilijk.

Het derde voorbeeld was uit het volle leven. Een medisch team weet het onmiddellijk helemaal zeker. Dat moet het zijn. Een aantal maanden later blijkt het toch echt iets totaal anders te zijn. De medische literatuur over diagnosticeren en de problemen daarmee, staan vol met dit soort voorbeelden.

Hoe kan het dat een heel medisch team maanden door holt in een richting, waarvan je onmiddellijk had kunnen weten dat het de verkeerde was?


De conformiteits-experimenten van Solomon Asch

Het mechanisme voor wat er misgaat, is blootgelegd door Solomon Asch in 1956 (hier). De titel van zijn verslag is: A Minority of One Against a Unanimous Majority. Een onderzoek dat in deze blog al vele malen eerder is aangehaald, maar nog nooit diepgaand is besproken. De reden daarvoor volgt hierna.

Asch heeft zijn onderzoek grondig aangepakt en uitgebreid beschreven. Het verslag telt 70 bladzijden waarvan vele met een extra klein lettertje, zodat er meer tekst op kon. Voordat je een beetje weet wat erin staat, ben je een behoorlijke tijd verder.

Daar komt nog iets bij. Asch moet zijn boodschap verkopen en die boodschap was en is soms best heftig. Hij probeerde dus zijn boodschap zo te brengen, dat de scherpe kantjes wat vermeden werden. Hij probeert het positieve te benadrukken, zodra hij nogal verontrustende uitkomsten vindt. Als lezer moet je dus voortdurend je best doen, te achterhalen wat hij werkelijk heeft gevonden.

Het resultaat is dat iedereen wel een klein beetje weet of denkt te weten, wat Asch heeft gevonden, maar dat vrijwel niemand zijn verslag echt heeft doorgeworsteld. Iets dat gezien de lengte en schrijfstijl ook niet snel valt te doen.

De grote vraag is dus: wat heeft Asch precies gevonden?  Wie verder leest, zal zien, dat dat belangrijk anders is dan wat men doorgaans denkt en schrijft. Althans als ik afga op de stukken waar Google naar verwijst bij 'Asch experiment'.


Vaak zien we dingen die er niet zijn

Het eerste resultaat van Asch. Wanneer proefpersonen een eenvoudige beoordelingstaak krijgen, nadat ze eerst het eensluidende, foute antwoord van een aantal andere mensen hebben gehoord, gaat het mis. Niet altijd en niet bij iedereen in dezelfde mate, maar gemiddeld genomen toch wel erg vaak.

De taak die Asch hanteerde, is simpel. Je moet een lijntje links vergelijken met drie lijntjes rechts (voor een plaatje zie hier: het onderschrift klopt niet helemaal, Asch gebruikte de cijfers: 1, 2 en 3.). Eén van de lijntjes rechts heeft dezelfde lengte als het lijntje links. De proefpersoon moet het nummer van het juiste lijntje zeggen zodra hij aan de beurt is. Hem is verteld dat het om een waarnemingsexperiment gaat en dat het er slechts om gaat, wat hij ziet. Een verhaal dat dus in zekere zin ook nog klopt. De proefleider noteert de antwoorden die gegeven worden.

De afstand tussen de doellijn links en de antwoorden rechts is altijd 40 inch (ongeveer een meter). In het klaslokaal zitten de 8 studenten in 2 rijen van 4. De antwoorden worden gegeven in de volgorde waarin men zit. De student die -- zonder dat hij dat weet -- getest wordt, zit 'toevallig' altijd op de een na laatste (zevende) plaats.

Als mensen niet beïnvloed worden door andere mensen, doen ze de taak bijna altijd goed. Slechts in minder dan één procent (0,7) van de gevallen ging het mis. Op de honderd keer gaat het 99 keer goed.

Als mensen echter eerst horen wat de andere mensen in de 'groep' antwoorden, verandert het verhaal. Zelfs als ze die mensen niet kennen, nooit eerder gezien hebben en het niet om 'experts' gaat. De enige voorwaarde is dat de mensen in de 'groep' allemaal hetzelfde foute antwoord geven. De taak van Asch blijkt nu opeens een zeer moeilijke taak te zijn.

In totaal kregen de 123 proefpersonen die Asch gebruikte, ieder 12 'kritische' items voorgelegd (beoordelingen waarbij de overige leden van de groep hetzelfde foute antwoord gaven). Dat geeft in totaal 1476 kritische oordelen. Hiervan gingen er 542 fout. Van iedere tien kritische oordelen gingen er bijna vier (36,7%) fout.

Het antwoord dat men zes keer hoort, voordat men zelf antwoord moet geven, leidt ertoe dat men meer dan 50 keer zoveel fouten maakt als anders. Een simpele taak die een mens normaal bijna nooit fout doet, gaat nu opeens bijna de helft van de keren (4 van de 10 keer) fout. De antwoorden van de 'groep' hebben een dramatische uitwerking op wat de proefpersonen zeggen te zien.

In normaal psychologisch onderzoek wordt het effect van een behandeling (het verschil in gemiddelde met de controlegroep) uitgedrukt in standaarddeviaties van de controlegroep. Als je dat bij het onderzoek van Asch ook doet, wat vind je dan?

De controlegroep had gemiddeld 0.08 foute antwoorden, de experimentele groep had gemiddeld 4.41 foute antwoorden. Een verschil van 4.33. De standaarddeviatie van de controlegroep is 0.36. Dat levert een effect op van 12.0 standaarddeviaties. In de psychologie geldt een verschil van 0.5 standaarddeviatie als groot. Het effect dat we vinden voor het onderzoek van Asch is 24 keer zo groot. Het horen van de foute antwoorden levert dus een onvoorstelbaar groot effect op.

Met andere woorden: hoe wij over de wereld denken, laten we vaak niet bepalen door die wereld, maar door het verhaal van andere mensen. Wat wij zeggen te zien, ontlenen we niet aan onze ogen, maar aan de mensen om ons heen, die vertellen hoe het volgens hen zit.


Als de taak moeilijker wordt, zien we nog vaker dingen die er niet zijn

Als bij een simpele taak het effect al zo sterk is, dat we in bijna de helft van de gevallen dingen zien die er niet zijn, wat gebeurt er dan als de taak moeilijker is? Bij een taak die echt goed kijken en diep nadenken vereist?

Ook met betrekking tot deze vraag levert het onderzoek van Asch informatie. In totaal gebruikte hij 12 'kritische' items. In werkelijkheid waren dit drie verschillende items, die ieder vier keer werden gebruikt in de totale 'test'. Hoewel deze drie items ogenschijnlijk vrij gelijk zijn, bleek de moeilijkheid toch duidelijk te verschillen. Het gemakkelijkste item leverde 28 procent fouten. Het 'middelste' item leverde 35 procent fouten. Het moeilijkste item leverde 48 procent fouten.

Statistisch gezien zegt dat strikt genomen nog niet alles. Het kan immers zijn dat de verschillen per item voor de vier keer dat een item werd gebruikt, groot zijn. Om die mogelijkheid uit te sluiten heb ik de correlatie berekend tussen het gemiddelde van ieder item en het percentage fouten per afname. Dit levert een correlatie op van 0.82 voor de 12 afnames. De item-moeilijkheid verklaart maar liefst 67 procent van de totale variantie in deze uitkomsten. De moeilijkheid van de items bepaalt voor twee derde hoe vaak een item bij een afname fout wordt gemaakt.

Voor de mensen die liever een klassieke significantietest willen, volgt die hier. Een 1-weg variantieanalyse (3 items met ieder 4 afnames) levert een p-waarde van 0.007 op (bij een F van 8,9). Ook op die manier berekend, gaat het dus om een (zeer) significant verschil tussen de drie items. Het moeilijke item wordt belangrijk minder goed gemaakt dan het makkelijkste.

Het moeilijkste item leverde bijna twee (1.7) keer zoveel fouten als het makkelijkste. Kennelijk is het dus zo dat als een taak iets lastiger wordt, de kans op een fout antwoord snel groter wordt. Bij complexe taken treedt het probleem -- we zien iets, dat er niet is -- nog veel vaker op dan bij eenvoudige taken.


De reactie op de 'groep' blijft hetzelfde

Asch verwachtte verder dat naarmate de situatie langer duurt, mensen vaker zullen bezwijken voor de druk van de groep. In dit geval was er natuurlijk niet sprake van een echte groep en werd er door de mensen die aanwezig waren verder ook op geen enkele manier druk uitgeoefend. Het enige wat men deed was bij sommige items allemaal hetzelfde onjuiste antwoord geven. Maar naarmate de situatie langer duurt, zou je het afwijken van de groep als het ware steeds meer beu kunnen worden en daarom zou je tenslotte steeds vaker met de groep mee kunnen gaan.

Uit de gegevens van Asch blijkt niets van een dergelijk effect. De eerste helft van de 12 kritische items was volledig gelijk aan de tweede helft. Zijn 123 proefpersonen scoorden op beide helften echter niet duidelijk verschillend (t-toets, gepaarde waarnemingen). De eerste testhelft leverde 35,23 procent foute antwoorden. De tweede helft 38,21 procent. Onder invloed van de situatie veranderen mensen kennelijk niet in hun manier van reageren op dit soort problemen.


Het onbekende resultaat van Asch: conformiteit varieert per persoon en is goed meetbaar

De volgende vraag is natuurlijk: treden de fouten bij iedereen in dezelfde mate op of gaat het vooral om bepaalde mensen? Asch vond dat ongeveer een kwart (24%) van de mensen zich door de antwoorden van de groep nooit van de wijs liet brengen. Een ander kwart volgde -- volgens hem -- voortdurend of bijna voortdurend de groep. De overige mensen zaten tussen beide uitersten in.

In totaal is dus ongeveer drie vierde van de bevolking vatbaar voor het probleem, uitgaande van de simpele taak die Asch gebruikte. Bij een complexe taak zal die drie vierde dus vermoedelijk snel oplopen naar 90% en mogelijk meer.

Is het meegaan met de groep een kwestie van toeval of gaat het vooral om bepaalde mensen? Asch kon laten zien dat toeval amper een rol speelt, het gaat steeds om dezelfde mensen. Sommige mensen zitten zo in elkaar dat ze zich voortdurend automatisch conformeren aan het groepsstandpunt. Anderen zitten zo in elkaar dat ze voortdurend gewoon hun taak blijven doen en zich van het groepsstandpunt niets aantrekken. Weer anderen zitten tussen beide uitersten in.

Daarbij ligt de verhouding tussen wel en niet meegaan met de groep voor iedere persoon vast. Iedereen heeft dus een bepaald getal tussen 0 en 100 procent dat aangeeft, hoe vaak men de groep zal volgen.

De 12 kritische items die Asch gebruikte, kan men opvatten als een test. Wat is de betrouwbaarheid van die test? Uit de gegevens die Asch vermeldt in zijn verslag, kon ik de betrouwbaarheid berekenen. Zijn 'test' blijkt een betrouwbaarheid (coëfficiënt alfa) van 0.89 te hebben.

Hij vermeldt ook een tabel ('Table 10' op p. 20) op basis waarvan de correlatie tussen de eerste helft en de tweede helft van de 12 kritische items berekend kan worden. Dit levert 0.82 op. Na correctie via de formule voor testverlenging levert dit voor de totale test 0.90 op. Dus een vrijwel gelijke waarde als de eerder berekende (alfa)betrouwbaarheid.

Tot nu toe is niet algemeen bekend dat Asch een persoonsvariabele mat. Asch heeft dit resultaat in zijn artikel wel nadrukkelijk vermeld, maar om een of andere reden sloeg dit kennelijk niet echt aan bij zijn publiek. Een merkwaardig verschijnsel waar ik in een volgende blogpost verder op in hoop te gaan.

Asch vermeldt niet een duidelijke waarde voor de betrouwbaarheid van zijn kritische items. Hij vermeldt wel een waarde, kennelijk voor iets als de correlatie tussen beide testhelften, maar hanteert hierbij een nogal onbekende index (een 'Sheppard U', p. 20). Via Google kon ik daar geen verdere informatie over vinden.

Bronnen op internet die het onderzoek van Asch samenvatten, vermelden vaak niet dat hij een persoonsvariabele vond, laat staan dat men iets over de betrouwbaarheid daarvan vermeldt.

Wat betekent die hoge betrouwbaarheid? Betrouwbaarheid kun je op drie verschillende manieren interpreteren. De empirische definitie van (alfa-)betrouwbaarheid is de correlatie tussen de oude en de nieuwe scores, wanneer je een andere even lange test met soortgelijke items afneemt bij dezelfde personen. Bij het herhalen van de test met andere items zou je dus opnieuw vrijwel dezelfde uitkomsten vinden.

De tweede manier om betrouwbaarheid te interpreteren is uitgaan van de theoretische definitie. Een betrouwbaarheid van 0.89 betekent dat 89% van de variantie in de testscore veroorzaakt wordt door de eigenschap die de test meet en dat slechts 11% toeval (ruis) is. Het wel of niet meegaan met de groep wordt dus vrijwel volledig bepaald door de persoonseigenschap die gemeten wordt.

Er is echter nog een derde manier om naar die hoge betrouwbaarheid te kijken. Deze manier gaat terug op de berekeningsformule. De hoge betrouwbaarheid betekent dat de verschillen tussen de onderzochte mensen groot moeten zijn. Anders zou je immers vooral ruis meten en zou je betrouwbaarheid laag uitvallen.


Welke frequentieverdeling vindt Asch precies?

Klopt dat in dit geval? Wat vond Asch precies op dit punt? Zijn verhaal op dit punt is moeilijk te volgen en klopt niet helemaal (p. 11, onderaan). Hij schrijft:
'The distribution of errors departs from the normal curve often obtained in psychological measurement, being more akin to a J curve. But it differs in a fundamental respect from the J curves of conformity reported by F. H. Allport and his students. Unlike the latter, the mode occurs not at a point determined by convention or by the pressure of a group, but rather at the truth value, that is to say, at the opposite extreme from the majority position.'

Hij vindt helemaal geen J-curve (eerder een L-curve: een hoge toren met een lange staart). En is het inderdaad zo dat de meest voorkomende waarde de 'truth value' is? Dat hangt er ook vanaf, hoe breed je de kolommen van je frequentieverdeling maakt, lijkt me. Is het dan inderdaad zo dat er helemaal geen normale verdeling gevonden wordt?

De vraag is eigenlijk: hoe moet je zijn uitkomsten handzaam weergeven? Ik ben zo vrij geweest zijn uitkomsten opnieuw samen te vatten.

Ik hanteer vier categorieën (1, 2, 3 en 4) voor de frekwentieverdeling. In de eerste categorie zitten alle mensen die de 12 items foutloos maakten. In de tweede categorie zitten alle mensen met 1-4 fouten. In de derde met 5-8 fouten. In de vierde met 9-12 fouten.

Om goed te begrijpen wat het effect is van de foute antwoorden die de andere 'groepsleden' geven, moeten we eerst naar de uitkomsten van de controlegroep kijken (waarin die foute antwoorden dus niet gegeven werden). In de eerste categorie zit 95%. In de tweede zit 5%. De overige twee categorieën zijn leeg. Vrijwel iedereen zit bij de controlegroep dus in de eerste categorie: men maakte 0 fouten. In de tweede categorie zit bijna niemand.




Laten we nu naar de resultaten van de experimentele groep kijken. In de eerste categorie zit 24%. Dit zijn de mensen die geen enkel item fout hadden. In de tweede categorie zit 33%. Deze mensen hadden maximaal vier fouten. In de derde categorie zit 25% met maximaal 8 fouten. In de vierde categorie zit de resterende 18%.

De meeste mensen zitten dus in de tweede categorie. De eerste en de derde categorie bevatten beide ongeveer een kwart van de mensen. De laatste categorie bevat iets minder dan een vijfde.



Asch vindt voor de verdeling van de experimentele groep een L-curve. Dat komt doordat de mensen die fouten maken uitgespreid zijn over 12 categorieën. Alle mensen die geen fouten hebben gemaakt, zitten samen gepropt in de 0-categorie, die daardoor het hoogste is.

Maar als je de uitkomsten verdeelt in vier categorieën die lopen van 0 fouten tot 8-12 fouten, dan zie je dat de tweede categorie de meeste mensen bevat. Verder zie je dat de verdeling niet echt normaal is (in de midden hoog en aan de kanten laag), maar meer lijkt op een rechte verdeling. Alle vier categorieën komen ongeveer even vaak voor.

Wat zouden we vinden, wanneer iedere proefpersoon via zuiver toeval zou besluiten om wel of niet met de groep mee te gaan? Mijn statistiekprogramma levert via een binomiaalverdeling (12 keer trekken met een kans van .367 op een fout) de uitkomsten voor 1000 gesimuleerde personen. De frequentieverdeling laat zien dat vrijwel iedereen dan in categorie 2 en 3 zou vallen. Categorie 1 en 4 zouden bijna volledig leeg zijn.




Het idee dat Asch in zijn artikel propageert, mensen zouden bij de kritische items in een derde van de gevallen met de groep meegaan, klopt dus niet helemaal. Je doet dan alsof iedereen op dit punt hetzelfde is. Maar als dat zo was, zouden we in categorie 1 en 4 niemand vinden.

Het horen van de zes foute antwoorden voordat men aan de beurt is, leidt er dus toe dat de respondenten volledig verspreid worden over de vier categorieën. De kritische items van Asch werken als een soort sorteermachine. Mensen worden systematisch verdeeld over alle vier categorieën. Daarbij weet de machine vrijwel feilloos in welke categorie iemand thuis hoort, want toeval speelt bij het sorteren, gezien de hoge betrouwbaarheid van de test, amper een rol.

Je zou het verhaal ook korter kunnen formuleren. Ik ga uit van het aantal fouten (0-12). De controlegroep van Asch heeft een standaarddeviatie van 0.36 fout. De spreiding in de uitkomsten is afgerond ongeveer nul. De experimentele groep, die te kampen had met foute antwoorden, had een standaarddeviatie van 3.84. Meer dan 10 keer zo groot. De spreiding in de experimentele groep is dus enorm.

Wat zou de spreiding zijn als alle mensen op dit punt gelijk zouden zijn? Wanneer iedereen op basis van zuiver toeval in 36,7% van de gevallen zou besluiten met de groep mee te gaan? De simulatie geeft voor de standaarddeviatie 1.69 fout. Door de systematische verschillen tussen mensen is de standaarddeviatie in werkelijkheid maar liefst 2,3 keer zo groot. Die grote verschillen tussen mensen op dit punt kunnen onmogelijk toeval zijn.


Conclusie

De ontdekking van Asch is dus niet dat mensen vaak met de groep meegaan, want dat was al bekend voor zijn artikel verscheen. Zijn grote ontdekking is dat het zich conformeren aan het antwoord van de 'groep', vrijwel volledig bepaald wordt door een persoonseigenschap.

Het vermogen om dingen te zien die er niet zijn, is een persoonskenmerk dat nauwkeurig en betrouwbaar gemeten kan worden. Verder is het een kenmerk waarop mensen -- merkwaardig genoeg -- extreem verschillen. Sommige mensen scoren maximaal (9-12 fouten), anderen scoren minimaal (0 fouten), ruim de helft zit tussen beide uitersten in.

Maar om welke eigenschap gaat het precies? Welke eigenschap bepaalt of je wel of niet meegaat met de groep? Welke eigenschap bepaalt of je dingen zegt te zien, die er niet zijn? Ik zou denken dat het om bevooroordeeldheid moet gaan, maar is dat inderdaad zo?
















Dingen zien die er niet zijn: drie voorbeelden


Hoe kan het dat de boodschap 'de meeste mensen deugen' door een groot publiek omarmd wordt, terwijl de kille werkelijkheid lijkt te leren dat er met veel mensen behoorlijk wat mis is? Hoe valt die paradox te verklaren?

Mijn verklaring voor dat verschijnsel is: bevooroordeeldheid, geloof. De meeste mensen zien dingen, die er niet zijn. De volgelingen/gelovigen van Bregman zien iets, dat er niet is.

Hoe werkt dat? Op welke manier leidt partijdigheid (bevooroordeeldheid) tot het zien van dingen, die er niet zijn?


De boodschap graag willen geloven

Laten we eerst kijken naar de lezers van Bregman. Zijn lezers evalueren zijn verhaal niet kritisch, maar emotioneel. Het is een boodschap die ze mooi vinden, die hen een goed gevoel geeft. Ze hanteren hun systeem 1, hun emotionele onderbuik-systeem. Op grond van dat positieve gevoel omarmen ze zijn boodschap en vertellen ze elkaar vervolgens: de meeste mensen deugen. Maar omdat vrijwel iedereen in hun groep dat zegt, moet het dus wel zo zijn, denken ze. De sociale bijval werkt bekrachtigend.

Eigenlijk is het systeem dus een dubbeltraps-raket. Het begint met een verhaal dat goed voelt. Dat een positief gevoel oproept. Vervolgens neemt men dat verhaal kritiekloos over en verspreidt het verder. Daarna hoort men het verhaal bevestigd worden door andere mensen. Met als gevolg dat het verhaal nog beter gaat voelen, waardoor het nog meer als waarheid gaat voelen. Ook andere mensen zien het zo, dus dan moet het wel zo zijn.

Als je het zo opschrijft, lijkt het onmiskenbaar. We hebben het hier over het omarmen van vooroordelen. Het verhaal klinkt goed en voelt goed. Wel, dan moet het wel waar zijn. Bij Hitler ging het over de Joden die niet deugden, bij Bregman gaat het over ons soort mensen dat zo geweldig is. Trouwen, had ook Adolf het soms niet over een superieur Arisch ras?


Belang hebben bij wat je ziet

Laten we kijken naar een ander voorbeeld. Je bent medisch student. Van je begeleider heb je gehoord dat er op de röntgenfoto een gezwel te zien is, mits je goed kijkt. Als je een goede indruk maakt op je begeleider, dan krijg je een positieve beoordeling. Maak je een slechte indruk, dan krijg je een negatieve beoordeling. Zie je het gezwel wel of niet? Veel 'verstandige' mensen zullen onder deze omstandigheden het gezwel zien, ook al is er helemaal geen gezwel.

Het bovenstaande is een door mij bedacht voorbeeld. De medisch student heeft er belang bij om een goede indruk te maken. Dus zegt hij, dat hij het gezwel ziet. Hij vindt op dat moment het maken van een goede indruk belangrijker dan de vraag of het gezwel er wel of niet is. Dat is misschien niet verstandig, maar wel begrijpelijk.

Zodra we dus belang hebben bij een bepaalde uitkomst, zijn we geneigd te zeggen dat we die bepaalde uitkomst zien. Op dat moment ben je niet meer een objectieve waarnemer, maar een partijdige waarnemer. Wat je zegt, wordt niet meer bepaald door wat je ziet, maar door wat je wilt krijgen en bereiken.

Als iemand je een euro geeft voor iedere vlieg die je rapporteert, ongeacht of die vlieg er wel of niet is, ben je geneigd heel veel vliegen te rapporteren. Je zou bijna gek zijn als je dat niet deed.

Zodra iemand dus een bepaald belang heeft bij het 'zien' van iets, gaat hij dat iets ook al snel zien, ook al is dat iets misschien helemaal niet aanwezig. Per slot van rekening moeten we allemaal leven en willen we bijna allemaal zo mooi mogelijk leven.

Ik denk dat mijn verhaal tot dit punt vrij plausibel klinkt. We hebben allemaal onze behoeften en die willen we graag bevredigen, liefst royaal. Is dat verkeerd? Wie wil dat niet? Het klinkt als een begrijpelijk principe, maar het is wel een principe met vergaande gevolgen.


Een voorbeeld uit het volle leven

Hier komt een voorbeeld uit het volle leven. En zoals vaak: de werkelijkheid is een stuk extremer, dan wat wij geneigd zijn te denken.

Bij de supermarkt raak ik onwel, ik verlies het bewustzijn en val op de vloer. Door de bloedende hoofdwond ziet het geheel er nogal dramatisch uit. De bedrijfsleider legt me in de stabiele zijligging. Het is geen aangenaam gezicht, vertelt hij me later. De ambulance is er snel.

Wanneer ik in de ambulance bijkom, wordt er gevraagd of ik wel eens een epileptische aanval heb gehad. Nee, dus. In mijn familie dan? Nee, eigenlijk ook niet. Via de telefoon wordt doorgegeven aan de eerste hulp dat ik vermoedelijk een epileptische aanval heb gehad. Dat lijkt een plausibele conclusie voor iedereen die het hoort. Veel kostbare onderzoeken en een heel aantal weken later heeft een uitgebreid medisch team mij ervan weten te overtuigen dat ik vrijwel zeker een epileptische aanval moet hebben gehad.

Een aantal maanden later belt een andere specialist, waarbij ik me al eerder had gemeld, omdat ik me soms wat vreemd voelde in mijn hoofd. Een beetje licht, een beetje duizelig. Hij informeert hoe het nu met me gaat. Ik rapporteer dat ik ondertussen een epileptische aanval heb gehad, die hij als specialist niet heeft zien aankomen. Het klinkt wat verwijtend.

Hij vraagt: 'Hoe komt u bij dat vreemde verhaal?' Even lijkt hij te twijfelen aan mijn verstandelijke vermogens, maar na enkele gerichte vragen besluit hij dat daar nog niks mis mee is. Hij wilde indertijd -- om redenen die ik begreep en deelde -- niet overgaan tot allerhande ingrijpende onderzoeken. Die zijn ondertussen echter wel uitgevoerd door het andere ziekenhuis. Alle resultaten zijn negatief, er zijn geen afwijkingen gevonden. Dat gegeven blijkt veel mogelijkheden uit te sluiten. Vervolgens vraagt hij mij in eigen woorden precies te beschrijven, wat er in de supermarkt gebeurd is. Daarna reageert hij: 'Oh, dan weet ik het al. U heeft met zekerheid geen epileptische aanval gehad, maar u heeft vrijwel zeker lage bloeddruk, dat heeft u volgens uw dossier uw hele leven al gehad. Als u volstrekte zekerheid wilt hebben, kunt u zelf nog een aanvullende test doen.'

Hoe is het mogelijk dat een heel medisch team maandenlang heilig gelooft in haar eigen bliksemsnelle diagnose 'epilepsie'? Zonder ook maar de moeite te nemen, mij even te vragen in eigen bewoordingen precies te beschrijven wat er gebeurd is? Wanneer men dat wel gedaan had, had men onmiddellijk kunnen concluderen dat het (vrijwel zeker) geen epilepsie kon zijn. Die laatste informatie ontleen ik aan de laatste specialist.

Hier hebben we een hele groep duur betaalde specialisten die op basis van eindeloos veel kostbaar onderzoek iets zien, dat er niet is. Hoe kan dat?























vrijdag 31 juli 2020

De meeste mensen deugen-paradox


In de twee voorgaande blogposts probeerde ik te laten zien, dat er goede redenen zijn om te denken dat de stelling 'veel mensen deugen niet' nog veel te zwak is geformuleerd. De overgrote meerderheid deugt niet.

Verder probeerde ik te laten zien, dat die grote meerderheid van niet deugende mensen niet een klein defect heeft, maar dat het een defect is, dat grote gevolgen heeft. Misschien is het maar een schakelaar die verkeerd staat, maar de gevolgen zijn enorm.

Het voorgaande betoog was niet echt kort. Het is misschien goed het even samen te vatten, zodat de kern van het betoog duidelijker wordt en we eventuele redeneerfouten gemakkelijker kunnen zien.

Waarom deugt een grote meerderheid niet? Het 'niet deugen' meten we met bevooroordeeldheid (etnocentrisme, generalized prejudice). Een variabele die ik ook wel omschrijf als 'zooifactor'. Waar zooi is, is doorgaans ook de zooifactor en omgekeerd. Zodra mensen hoog scoren op de zooifactor, is het vaak slechts een kwestie van wachten voordat de zooi komt.

Hoe weten we dat? Allereerst hebben we de geschiedenis. Denk aan bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog. Denk aan de Joodse opstand tegen de Romeinen, die uiteindelijk volledig mislukte. Dan hebben we simulaties. Bob Altemeyer beschrijft in The Authoritarians hoe snel en hoe onnodig de zaak dan uit de hand loopt. Maar je kunt de zooifactor ook operationaliseren als de enige betrouwbare factor in de World Values Survey. De landen die hoog eindigen zijn vrijwel zonder uitzondering toonbeelden van armoede, geweld en oorlog. Soms burgeroorlog.

Hoe hoog moet je scoren om bestempeld te worden als 'niet deugend'? Dat blijft wat subjectief. Op theoretische gronden zou het iets van 25 procent kunnen zijn. Maar we leven al heel lang in een zeer rijk land. Het resultaat is dat de zooifactor steeds hoger komt te liggen. Afgaande op wereldwijd discriminatie-onderzoek naar sekse discrimineert slechts een 12 tot 13 procent van de wereldbevolking op dat punt niet.

Ik zou dus denken aan iets van 15 procent. Je bent dan vermoedelijk dermate onbevooroordeeld dat je wars bent van alle discriminatie en vooroordelen. Met een dergelijke lage score lijk je niet langer geschikt als volgeling/gelovige voor het leger van de Grote Leider.

Je ziet nu ook, het is maar, hoe je de zaak bekijkt. Vanuit het standpunt van de Grote Leider en zijn aanhang deugt de 15 procent lage scoorders (bèta's) niet. Geef ze eventueel productiewerk, maar deugen doen ze niet. Dit zijn de mensen die de Grote Leider ten koste van alles uit zijn buurt wilt houden. Dit zijn de mensen met een status lager dan zijn trouwe volgelingen/gelovigen. Voor de Grote Leider en zijn aanhang zijn dit gevaarlijke mensen. Dat zijn de mensen die zijn holheid en leegheid zien en kunnen verwoorden en dat soms ook zullen doen.

Vanuit het standpunt dat we discriminatie en dictatuur willen verminderen en zo mogelijk willen stoppen, vormen de bèta's echter het zout van de samenleving. Dit zijn de mensen die zelfstandig nadenken. Dit zijn de mensen die nieuwe gebieden intrekken, in kaart brengen en ontginnen. Dit zijn de mensen die automatisch denken als empirische wetenschappers.

Zijn dit ook de mensen van de 'resistance'? De mensen die het verzet tegen de Grote Leider organiseren en plegen? Naar alle waarschijnlijkheid niet. Zodra de koning sterft, geldt: lange leve de koning. Een nieuwe machthebber neemt de plaats in van de oude. De onderste laag van de samenleving (de 'kleine luyden' en kleine zelfstandigen) schiet niets op met revolutie en gelooft daar niet in. Als men iets gelooft, dan is het evolutie. De eventuele vooruitgang moet met kleine stapjes gebeuren.

Mijn tweede punt. De mensen die we indelen als 'niet-deugend' deugen doorgaans heel erg niet. Allereerst kun je het statistisch bekijken. Dan gaat het om een groot verschil met de mensen die wel deugen. Maar ook qua praktische consequenties heeft niet-deugen grote gevolgen. Zo groot, dat we ons een samenleving met alleen maar deugende mensen niet meer goed kunnen voorstellen.

Op welke manieren levert niet-deugen (bevooroordeeldheid) problemen op? Allereerst is er natuurlijk het punt van discriminatie en agressie. Mensen keren zich tegen andere mensen. Ongelijkheid en geweld spelen in de moderne samenleving een grote rol. Wie een check wil: bekijk eens een paar tv-programma's en kijk of er geweld en statusverschillen in voorkomen.

Er is echter nog een punt waarop bevooroordeeldheid problemen veroorzaakt.  Bevooroordeelde mensen begrijpen de werking van de harde natuur niet langer. Men ziet de natuur als ondergeschikt, als iets dat niet zo moet zeuren. Men raakt in conflict met de harde werkelijkheid. Men denkt de harde werkelijkheid te kunnen gebieden, maar die laat zich niet gebieden en ook niet smeken.

Kan ik dit illustreren? In de NRC stond (18 juli 2020) op pagina 2-3 een 'analyse'. De titel was: Populisten ogen als slappe vaders bij aanpak corona. Het valt de redacteur van de NRC, Merijn de Waal, op dat de sterke mannen van tegenwoordig er bij de aanpak van het nieuwe corona-virus zo'n zooi van maken. Trump is op dit punt een bekend en afschrikwekkend voorbeeld. Door de irrationele manier van reageren zorgen deze 'leiders' ervoor dat een virus met een relatief lage mortaliteit, op grote schaal slachtoffers kan maken.

Ook zonder een formele maat als bevooroordeeldheid is de conclusie dat er met de mensheid iets stevig mis is, al veel vaker en veel eerder getrokken. Het uitgangspunt van de Bijbel is de zondeval. Er is met de mensheid -- na de uitvinding van de landbouw -- iets ernstig mis gegaan. Het uitgangspunt van het empirische discriminatie- en agressie-onderzoek is de Holocaust. Een overbodige, volledig door mensen aangerichte moordpartij. Andere wetenschappers worstelen met de klimaatopwarming. Biologen waarschuwen dat we in een massale uitstervingsgolf zitten.


De paradox

Samenvattend: een grote meerderheid van de mensen deugt niet en in doorsnee deugt men vaak heel erg niet. Maar dan valt er iets vreemds op. Het boek van Rutger Bregman vliegt over de toonbank. Veel mensen willen dolgraag zijn boodschap geloven.

Wie bereid is te kijken naar wat er bekend is, is geneigd te concluderen dat er met de mensheid iets heel erg mis moet zijn. De lezers van Bregman zien het echter totaal anders. Ze vinden zijn verhaal 'prachtig'. Eindelijk een positief verhaal. Ik heb in dit verband heel wat reacties op de site van De Correspondent doorgespit. Het is om moedeloos van te worden.

Alles dat we weten, wijst op een groot probleem dat in de aard van het menselijke beestje zit. Dat weten we niet sinds kort, dat weten we al meer dan -- pakweg -- tienduizend jaar. Vervolgens krijg je hier een grote groep mensen die heilig gelooft, dat er met de meeste mensen niets mis is.

Hoe is die paradox mogelijk? Hoe valt die tegenstelling te begrijpen? De verklaring is volgens mij simpel. Niet-deugende (bevooroordeelde) mensen zien dingen, die er niet zijn.

Wanneer je dingen ziet, die er niet zijn, hallucineer je. Welke andere termen levert Google bij 'dingen zien die er niet zijn'? 'Psychose, waanbeelden, schizofrenie'. Termen die het ergste over de psychische gezondheid doen vermoeden.

Partijdige mensen (dat klinkt handzamer dan 'bevooroordeelde' mensen) zien dingen die er niet zijn. Dat is verontrustend. Maar we moeten ook realistisch blijven. Als we alle partijdige mensen zouden opsluiten als psychiatrisch patiënt, zouden we vermoedelijk meer dan drie vierde van de bevolking onderdak moeten verschaffen. Voor de deugende minderheid wordt dat een taak, die niet valt te behappen. We zullen dus met dit kwalijke verschijnsel moeten leren leven, ondanks de problemen die het oplevert.

Hoe werkt het? Op welke manier leidt partijdigheid (bevooroordeeldheid) tot het zien van dingen, die er niet zijn?









donderdag 30 juli 2020

Met mensen is iets heel erg mis


De strekking van mijn vorige blogpost was: de meeste mensen deugen niet. Dat klinkt nogal heftig. De reden om zo negatief te denken, is iets dat we kunnen meten: bevooroordeeldheid. Het omarmen van vooroordelen. De factor die in de praktijk vaak snel en veel zooi produceert.

Wanneer we deugen definiëren als een lage score op bevooroordeeldheid (de zooifactor), dan zijn er slechts weinig mensen die deugen. Dat wil zeggen: die niets moeten hebben van vooroordelen, irrationaliteit, discriminatie en agressie.


Hoe groot is het verschil tussen deugende en niet-deugende mensen?

Als je 'deugen' opvat als de score op bevooroordeeldheid -- en daar zijn goede redenen voor -- dan is de volgende vraag: hoe groot is het verschil? Gaat het om een klein verschil of een groot verschil? Natuurlijk, het verschil varieert. Maar als je de groep deugende mensen vergelijkt met de groep niet-deugende mensen gaat het dan -- kijkend naar de gemiddelden -- om een klein verschil of een groot verschil? En maakt dat verschil in de praktijk uit? Wat betekent het verschil precies? Wat is de praktische relevantie?

Laten we eerst kijken naar de grootte van het verschil in statistische zin. Vooroordelen zijn waarde-oordelen over mensen die lid zijn van bepaalde groepen, die niet gebaseerd zijn op feiten. We omarmen die, of verwerpen die op basis van onze gevoelens. Als we ons dus aan de feiten zouden houden, zouden we laag moeten scoren op bevooroordeeldheid. Maar bevooroordeeldheid is normaal verdeeld. Er zijn slechts weinig mensen die niet of amper bevooroordeeld zijn.

Wanneer je uitgaat van 15 procent onbevooroordeelde mensen en de rest van de mensheid als bevooroordeeld ziet, is het verschil tussen beide groepen 1,7 standaarddeviatie. Althans dat beweert mijn statistiekprogramma als ik het uitprobeer met een gesimuleerde steekproef van 1000 mensen die normaal verdeeld zijn. In de sociale wetenschappen beschouwt men een verschil van 0,5 standaarddeviatie tussen twee groepen als groot. Dit verschil is ruim drie keer zo groot.

Als ik zorg dat de scores beginnen bij 0 voor de laagst scorende persoon, terwijl de standaarddeviatie van mijn normaalverdeling 1 is, dan scoort de hoogst deugende persoon 2,07. De deugende mensen bestrijken een gebied van ruim twee standaarddeviaties. De niet-deugende personen beginnen vervolgens bij 2,08 en lopen door tot 5,84. Een gebied van bijna vier standaarddeviaties. Als je dus uitgaat van die 15 procent deugende mensen, is ongeveer 1/3 van het scoregebied voor deugende mensen en 2/3 voor niet-deugende mensen.


Behoren tot een afwijkende minderheid

Wat betekent het verschil in de praktijk? Als iedereen volledig onbevooroordeeld was, waren we alle problemen op het gebied van niet-deugen, discriminatie en agressie kwijt. Wat dat betekent, valt moeilijk voor te stellen. Laat ik een poging doen de betekenis te verhelderen.

Als openlijk 'foute' man met iets van 50 jaar ervaring met 'vreemde' reacties van andere mensen heb ik een belangrijk voordeel. Als je discriminatie en agressie wilt onderzoeken, helpt het als je dat zelf hebt meegemaakt. Het gaat niet langer om een abstract probleem, maar om iets dat je leven soms ingrijpend heeft beïnvloed. Het is niet langer een onderwerp om gezellig over te keuvelen bij het haardvuur. Nee, het is iets dat je soms bij de strot heeft gepakt. Iets dat soms levensbedreigend was.

Dat laatste is moeilijk voorstelbaar voor een 'normaal' mens zonder ervaringen op dit gebied, merkte ik nog onlangs, toen ik het hier met iemand over had. Volgens het laatste onderzoek dat ik op dit punt zag (hier), lag de sterfte voor openlijke transgenders (mensen die openlijk afwijken van het normale sekse-stereotype) over een periode van ruim 10 jaar driemaal zo hoog als in de controlegroep. De redenen voor die extra sterfte zijn: 1. moord, 2. zelfmoord, 3. hart- en vaatziekten en beroertes. Ieder van die drie categorieën is ongeveer goed voor een derde van de extra sterfte. De laatste twee categorieën kun je ook samen nemen en aanduiden als 'sociale stress'.

Dit Zweedse onderzoek is gebaseerd op transseksuelen die een sekse-operatie of behandeling hebben ondergaan. Medisch gezien is dat echter geen reden om een veel hogere sterfte te verwachten. Is het elders beter? Zweden is qua bevooroordeeldheid (zooifactor) vermoedelijk een van de laagst scorende landen ter wereld. Vrijwel overal elders is het op dit punt vaak stukken slechter.

Het onderzoek dateert van 2011. Is het nu beter? Wereldwijd is de zooifactor (bevooroordeeldheid) vermoedelijk vrijwel overal toegenomen. Op het punt van ongelijkheid en discriminatie is het niet beter, maar slechter geworden.

Zijn de cijfers in dit onderzoek te somber? De transgenders in dit onderzoek zijn in doorsnee slechts ruim 11 jaar gevolgd. De effecten van sociale stress worden normaal pas duidelijk na ongeveer 10 jaar. De grote klap moet voor deze groep dus vermoedelijk nog komen.

Op een punt moet ik de cijfers echter wel nuanceren. Bij mensen die te maken krijgen met achterstelling, discriminatie en dergelijke speelt de mindset een grote rol. Is iemand voorbereid op wat hem te wachten staat of leeft hij in een grote, roze wolk? Transgenders in rijke landen, die in de kast zijn opgegroeid, hebben hun mindset vaak niet mee. Ze zitten vermoedelijk veel te hoog op de zooifactor (bevooroordeeldheid). Ze zijn geestelijk niet goed voorbereid op de problemen die ze in de harde praktijk het hoofd moeten bieden.

Als dat idee klopt, hebben we hier dus de vreemde situatie dat bevooroordeeldheid aan de ene kant de bron is van al die negatieve, sociale acties, en aan de andere kant ook de factor is, die het slachtoffer de verkeerde richting uitstuurt. Bevooroordeeldheid activeert de daders tot negatieve acties en stimuleert de slachtoffers tot een emotionele response, waardoor het rationele denksysteem geblokkeerd wordt. Met andere woorden: de zooifactor werkt in dat geval dubbel.


Manieren om niet te deugen en de gevolgen daarvan

Wat moeten we ons bij niet-deugen, discriminatie en agressie voorstellen? In dit verband helpt de discriminatie-ladder van Allport (The Nature of Prejudice, 1954). Ik noem het 'ladder', maar Allport zelf gebruikte de wat misleidende term 'scale'. Het is geen echte schaal of vragenlijst, die een betrouwbare score oplevert. Het is meer een poging de ernst van discriminatie te omschrijven.

Allport had het zelf over 'graden van negatieve actie' (p. 14). Hij zag dergelijke negatieve acties als het gevolg van vooroordelen. De titel van deze paragraaf in zijn boek luidt: Acting Out Prejudice. Het omzetten van (negatieve) vooroordelen in (negatieve) acties.

Vooroordelen kunnen natuurlijk ook de andere kant kunnen uitwerken: ze kunnen ook positief zijn. Je kunt mensen die lid zijn van je eigen groep of een superieure groep bevoordelen, omdat je ze al bij voorbaat positief evalueert. Allport beperkt zich in dit geval echter even tot negatieve vooroordelen.

De eerste graad of fase die Allport zag, was 'antilocution'. Hij bedoelt daarmee 'negatieve opmerkingen' en 'negatief gepraat'. Je kunt over iemand roddelen, je kunt iemand zonder enige evidentie beschuldigen, je kunt iemand uitschelden, je kunt een onwaarheid over iemand vertellen.

In de optiek van Allport is deze eerste fase vrij 'mild'. Er lijken nog geen ernstige dingen te gebeuren. Wanneer je Mein Kampf gelezen hebt, weet je dat die ernstige dingen iets later wel gebeurden. Roddels en gehits zijn dus bepaald niet altijd zo onschuldig als Allport veronderstelde.

Een buurvrouw die een kwalijk gerucht effectief weet te verspreiden, kan voldoende zijn voor het beoogde slachtoffer om iets later door enkele mensen die sociaal willen scoren, vermoord te worden. Uiteraard zal men dat anders noemen en zien als een terechte terechtstelling, maar voor het slachtoffer verandert die terminologische gladpraterij weinig aan de uitkomst.

Als negatieve actie van de tweede graad zag Allport 'avoidance'. Men probeert iemand te mijden. Het begint met wegkijken. Daarna komt het weglopen en verwijderen.

Uit deze categorie heb ik mogen meemaken dat een hooggeplaatst iemand een mail liet rondgaan aan iedereen binnen het instituut. Wie contact had met mij, zou een probleem krijgen met hem. Is dit een voorbeeld van de eerste categorie of van de tweede? Strikt genomen is het een voorbeeld van de eerste categorie, dat bedoeld is door te werken. De consequenties van de mail liggen echter in de tweede categorie.

Dergelijke sociale isolatie kan een grote invloed hebben op het slachtoffer. Als je financieel afhankelijk bent van je werk en je werkt vijf dagen per week, dan voel je je niet echt prettig en ontspannen als iedereen je mijdt en met de nek aankijkt. Wanneer je vervolgens thuiskomt, sjouw je dat probleem met je mee.

De sociale stress blijft en wordt langdurig. Langdurige, sociale stress is vaak dodelijk. In de cijfers over openlijke transgenders zie je dat de 'sociale stress' vermoedelijk verantwoordelijk is voor twee derde van de totale extra sterfte. De andere oorzaak (moord en geweld) is slechts verantwoordelijk voor een derde van de extra doden. Sociale stress is dus vaak een belangrijkere doodsoorzaak dan openlijk geweld.

Als derde graad komt 'discrimination'. Je geeft de betrokkene geen baan, je wilt niet van zijn diensten gebruik maken, je wilt hem geen kamer verhuren of je vraagt een hogere huurprijs, je wilt hem geen stemrecht geven, je wilt niet dat hij een cursus of opleiding volgt, je wilt hem niet toelaten in je kerk, je wilt hem niet in je ziekenhuis, je wilt hem niet medisch behandelen, je wilt hem niet opereren, je wilt niet dat hij bij je in de buurt woont.

Ik denk dat hier ook bij hoort, het onthouden van voordelen. Iedereen krijgt geld of eten, maar de 'foute' persoon natuurlijk niet of belangrijk minder. De daders zelf zien dat doorgaans niet als 'discriminatie', maar als een terechte actie van hun kant. Het is niet hun schuld dat iemand 'niet deugt', vinden ze.

Een voorbeeld dat ik zelf mocht meemaken, was mijn gratificatie na 40 jaar in dienst geweest te zijn als ambtenaar. De uitkering van de desbetreffende gratificatie was door mijn werkgever geautomatiseerd. Alles zou dus automatisch goed moeten gaan. Normaal gaat alles ook automatisch goed. In mijn geval ging alles echter automatisch niet goed. Iemand had kennelijk opzettelijk in het systeem ingegrepen om te zorgen dat de gratificatie niet uitbetaald werd. Daar een lager geplaatst iemand een dergelijke handeling niet zo maar zal uitvoeren, is het plausibel dat iemand die boven hem stond, de opdracht gegeven moet hebben.

Gelukkig was ik op de hoogte met de datum dat ik recht kreeg op deze gratificatie. Sterker nog: ik had dit probleem al een aantal jaren eerder verwacht en aan zien komen. Een vooruitziende blik kan voor een (beoogd) slachtoffer van discriminatie het verschil tussen leven en dood betekenen. De mindset van het (beoogde) slachtoffer is het belangrijkste wapen om de schade te beperken en te overleven.

De vierde graad is volgens Allport de lichamelijke aanval: 'physical attack'. Merkwaardig genoeg rekent hij hiertoe ook het beschadigen van Joodse grafstenen. Ik denk dat je als Jood toch echt onderscheid zult zien tussen een lichamelijke aanval en het besmeuren of vernielen van de grafsteen van een overleden familielid. Beide zaken zijn ernstig, maar ze zijn qua directe consequenties toch belangrijk verschillend.

Met deze vierde categorie bedoelt Allport als je zijn tekst beter leest: 'acts of violence or semiviolence'. Het gaat hem kennelijk niet slechts om lichamelijk geweld, maar om alle acties die bedoeld zijn lichamelijke, materiële of andere schade te veroorzaken.

De zogenaamde 'mini-holocaust' (een samenwerkende groep mensen probeert gericht een of meer andere mensen te beschadigen en onderuit te halen) hoort in deze categorie. Een dergelijke actie van een groep die langdurig doorgaat, heb ik zelf in ieder geval drie keer mogen meemaken. Het komt dus vermoedelijk veel vaker voor dan we ons realiseren.

Ook nu is de mindset van het beoogde slachtoffer weer van belang. De eerste prioriteit is niet je gelijk halen, maar te overleven en de lichamelijke en overige schade te beperken. Vergelijk het met een soldaat die plotseling onder vuur komt te liggen. De normale reactie is een emotionele. Je bent verrast, je wordt boos, je wordt bang, je wordt verdrietig. De juiste reactie is echter: onmiddellijk dekking zoeken.

De vijfde graad van negatieve actie is volgens Allport: 'extermination'. Hij rekent daartoe lynchpartijen, pogroms, 'massacres' en genocides, zoals de Holocaust. Het simpelweg vermoorden van iemand noemt hij hier niet, maar wanneer de kennelijke bedoeling is iemand ernstig te beschadigen, zodat diegene het mogelijk niet overleeft, dan hoort dat mijns inziens ook in deze categorie.

Terug naar de cijfers van de transgender-statistiek. Hoe moet je die op deze schaal indelen? In een derde van de gevallen ging het om moord en geweld. Die gevallen kunnen dus probleemloos worden ingedeeld in deze vijfde categorie.

In twee derde van alle gevallen ging het echter om zelfmoord, hart-, vaatziekten en beroertes. Zaken die vaak het gevolg zijn van langdurige sociale stress. Die stress ontstaat door sociale uitsluiting (de tweede categorie), het uitsluiten van voordelen, banen, woonruimte (de derde categorie). Verder leiden openlijke aanvallen (uit de vierde en vijfde categorie) ook tot stress en het niet meer zien zitten.

Dat betekent dus dat zaken die volgens de ladder van Allport relatief onschuldig zijn, op termijn wel degelijk kunnen leiden tot 'extermination' (dood, totale vernietiging). De 'ladder' helpt om de gedachten over 'discriminatie' te concretiseren, maar werkt met betrekking tot de uiteindelijke consequenties niet altijd even goed.

De 'ladder' van Allport helpt om de blik te focussen op de gevolgen van negatieve acties. Mensen hebben tegenwoordig de neiging om te doen alsof een negatieve blik of opmerking van iemand hetzelfde is als actieve participatie in de Holocaust. De meeste slachtoffers leven echter na een negatieve blik echter nog steeds, terwijl dat bij de Holocaust niet zo was. Het is dus van belang bij negatieve acties van andere mensen niet onmiddellijk in een emotionele reactie te vervallen, maar eerst naar de (mogelijke) gevolgen te kijken. Niet iedere negatieve actie is even erg.


Verontrustende feiten

Hoewel we niet in een emotionele respons moeten schieten, zijn de feiten op het gebied van discriminatie en agressie niet echt geruststellend. Het onderzoek op dit gebied begon met iets, dat we als heel enorm zagen: de Holocaust. Maar zodra je weet dat bevooroordeeldheid de strongman-variabele is en je steeds meer leert over autoritarisme en sociale dominantie, komt ook de Tweede Wereldoorlog in beeld. Van zes miljoen overbodige doden ga je naar 65 miljoen overbodige doden.

Als de Tweede Wereldoorlog door de zooifactor (bevooroordeeldheid) verklaard kan worden, gaat dat dan ook niet op voor de Eerste Wereldoorlog? Daarna valt er in de historie nog wel wat meer aan overbodige oorlogen en conflicten te vinden.

Laten we naar het heden kijken. Een wereldwijde pandemie. Op zich iets dat al veel doden oplevert, maar kijk dan naar de manier waarop mensen met die pandemie omgaan. Het probleem is vaak niet meer het virus, maar de irrationele manier waarop mensen op dat virus reageren. Het handelen als een kip zonder kop. Het resultaat: grote aantallen overbodige doden.

Laten we naar de toekomst kijken. Als we zo doorgaan blijven er amper soorten over. We zitten midden in een van de meest massale extincties die ooit heeft plaatsgevonden. Dat is nog niet alles. Als we zo doorgaan, is Nederland over een aantal jaren voor een belangrijk deel veranderd in een ondiepe zee.

Daar stopt het niet. De temperatuur in een gematigd land als Nederland bereikt nu soms al 40 graden Celsius. Als we zo doorgaan, wordt dat uiteindelijk 50 en mogelijk hoger. Temperaturen die je als mens niet meer kunt overleven. De zogenaamde Wet Bulb Temperature (WBT) die mensen nog net zonder problemen aankunnen, is slechts 32 graden Celsius. (De WBT is de temperatuur die je vindt, wanneer je je kwikthermometer koelt door de onderkant in een vochtig kousje te plaatsen en die te koelen met een luchtstroom. Je laat de thermometer als het ware optimaal zweten.)


Het onderscheid tussen feit en opinie lukt niet meer

Kijk naar een simpel gegeven. Moderne (hbo-)studenten kunnen niet langer goed onderscheid maken tussen feit en mening. Keer op keer vonden we dezelfde uitkomst. Wanneer je beter gaat kijken, wordt het resultaat nog vreemder. Ze scoren vaak niet eens rond de toevalsscore, maar zelfs iets daaronder. Ze hebben de begrippen omgedraaid. Feiten zijn in hun opvatting zaken, waar je nooit helemaal zeker van kunt zijn. Meningen zijn zaken die mensen beweren. Je kunt ze dus horen. Dus ben je daar absoluut zeker van. Je hebt het toch zelf gehoord, dus dan moet het wel zo zijn.

Wanneer het onderscheid tussen feit en mening wegvalt, krijg je vreemde dingen. Je vindt dat het dak van de parkeergarage gewoon zijn werk moet doen. Het behoort niet in te storten. Maar dat 'foute' dak trekt zich niets van jouw mening aan en stort toch in.

Ik ben niet de eerste die in dit verband wijst op de koppeling met fascisme en totalitaire regiems. George Orwell schreef in 1943: "Nazi theory indeed specifically denies that such a thing as "the truth" exists. ... The implied objective of this line of thought is a nightmare world in which the Leader, or some ruling clique, controls not only the future but the past. If the Leader says of such and such an event, "It never happened" – well, it never happened. If he says that two and two are five – well, two and two are five. This prospect frightens me much more than bombs" (hier).

In 1949 schreef hij: "In the end the Party would announce that two and two made five, and you would have to believe it. It was inevitable that they should make that claim sooner or later: the logic of their position demanded it. Not merely the validity of experience, but the very existence of external reality, was tacitly denied by their philosophy. The heresy of heresies was common sense" (hier).

Orwell realiseerde zich wel dat het loslaten van de fysische realiteit iets beangstigends had. Hij zag echter niet, wat precies het probleem was, dat daardoor ontstond. Hij realiseerde zich niet, dat het denken daardoor reduceert tot een sociale waanvoorstelling, die geen koppeling meer heeft met de fysische realiteit.


Leven in collectieve waanvoorstellingen

Terug naar het verhaal van Bregman. Het is niet zo dat de meeste mensen deugen. Met bijna alle mensen is iets mis. In doorsnee gaat het niet om een kleinigheid, maar is er iets heel erg mis. We zijn niet een beetje in de war, nee, we zijn heel erg in de war. We zijn niet een beetje ziek, we zijn heel erg ziek.

Misschien moet ik het aardiger formuleren. Er gaat iets mis, maar wat er mis gaat zit op een fundamenteel niveau. Er gaat misschien slechts een kleinigheid mis, maar wat er mis gaat, is zo fundamenteel, dat het grote gevolgen heeft voor ons 'cognitieve functioneren'. Er gaat iets mis met ons denken. Ons denken is corrupt geworden.

Wat gaat er precies mis? Simpel en kort geformuleerd: we geloven dingen, die niet waar zijn. Vervolgens handelen we vanuit die collectieve wanen. We zijn in de war. We zijn de band met de realiteit kwijt. Of zoals men het vroeger formuleerde: we zijn van God los. Of zoals we het nu formuleren: we lijden aan waanvoorstellingen. We zijn de kluts kwijt. We vertonen irrationeel gedrag.

Natuurlijk kun je over dat grote verschil in bevooroordeeldheid tussen wel en niet bevooroordeelde mensen je schouders over ophalen. Vroeger deed iedereen dat ook. Ach ja, dat was nu eenmaal zo. Dat zou wel niets te betekenen hebben.

Inmiddels hebben we echter onderzoek over autoritaristen (mensen die hoog scoren op RWA), over sociaal dominante personen en over zogenaamde 'double highs'. Inmiddels hebben we veel duidelijker wat 'bevooroordeeldheid' betekent. Al dat onderzoek wijst dezelfde richting uit.

Wat mij is bijgebleven van al die jaren en wat ook bevestigd wordt door het onderzoek dat er is, kun je samenvatten in een enkel punt. Met mensen is iets heel erg mis. Niet met iedereen in dezelfde mate. En niet met iedereen. Maar in doorsnee onmiskenbaar. En het lijkt zelfs alsof het jaarlijks erger wordt.





















zondag 5 juli 2020

Deugen de meeste mensen?


Laatst bijgewerkt: 30-9-2020 om 23.35


In de Gulliver-bijlage van het Nederlands Dagblad van vrijdag, 3 juli 2020, kom ik een essay tegen van Pieter van Os. De titel is: 'Deugen de meeste mensen? Dat is een zinloze vraag'. Het stuk is inderdaad geschreven in reactie op de bestseller van Rutger Bregman: De meeste mensen deugen.

Pieter van Os heeft zelf het bekroonde boek Liever dier dan mens geschreven. Het verhaal van de Joodse Mala Rivka Kizel. Ze wist de oorlog te overleven door zich eerst voor te doen als katholieke Pool en later als 'Volksduitse'. In een eerdere blogpost besteedde ik al even aandacht aan dat boek en het contrast met de boodschap van Bregman (hier).


Manifestaties van het kwaad

Het essay begint heftig. Van Os beschrijft eerst hoe in het najaar van 1939 in het Poolse stadje Zamosc orthodoxe Joden die door de Duitsers bijeen zijn gedreven, sadistische spelletjes moeten ondergaan. Hoe de soldaten van alles fotootjes maken voor het thuisfront. Hoe een jongen zijn vader van het paard ziet vallen. Hoe de vader zijn botten breekt en een paar dagen later overlijdt aan zijn verwondingen. Hoe Duitse soldaten Joodse vrouwen verkrachten die gevlucht zijn naar de synagoge. Dan stelt hij de vraag: deugen deze mensen?

'Rutger Bregman gaat in zijn bestseller niet in op dergelijke, gedetailleerde manifestaties van het kwaad', schrijft Van Os. Wel schrijft hij over de Holocaust. Ja, dat moorden was vreselijk, maar dat is geen bewijs voor de 'vernistheorie'. De gedachte dat beschaving slechts een dun laagje vernis is, waaronder het kwaad verborgen gaat. Mensen zijn geneigd tot het goede, aldus Bregman. (Ik volg nog steeds de tekst van Van Os.)

Hoe verklaart Bregman zo'n kwalijke gebeurtenis dan? Mensen zijn geneigd tot het goede, tot vruchtbare samenwerking, juist in situaties van tegenslag en crisis. De Duitse soldaten waren, volgens Bregman, zo geïndoctrineerd door de nazi-propaganda, dat ze dachten het goede te doen als ze Joodse vrouwen en kinderen vermoordden. Ze waren dus niet slecht, of kwaadaardig. Ze waren slechts misleid, aldus Van Os.


Een 'mooi' verhaal

Valt het verhaal van Bregman goed? Ja, want er zijn inmiddels zo'n 250.000 exemplaren van het boek verkocht en dat aantal loopt nog verder op, aldus Van Os. Het boek van Van Os over de niet altijd even prettige belevenissen van dit Joodse meisje verkocht daarentegen -- ondanks de onderscheiding die het kreeg -- belangrijk minder goed. Uit de tekst kan ik opmaken dat er minder dan 7000 exemplaren van verkocht zijn. Volgens Van Os scheelt het een factor 40. We lezen liever iets leuks, dan iets vreselijks.

De populariteit van Bregmans boek bevestigt een idee dat ik al lang heb. Het boek van Bregman is vooral een 'mooi' verhaal. Het is een verhaal dat we graag willen geloven. Dat ons een goed gevoel bezorgt. Hij preekt wat zijn volgelingen/gelovigen graag willen horen.

Van Os is het op dit punt met me eens. Hij schrijft: 'Bregman schreef een lekker geschreven hoopgevend boek zonder enige waarde voor het samenleven van mensen.' Het is een 'mooi' verhaal, maar je hebt er verder niets aan.


Een zinloze vraag?

Van Os stelt dat de vraag 'De meeste mensen deugen?' zinloos is. Stel, dat het inderdaad zo zou zijn. Dan nog geldt, dat als de minderheid aan de macht komt, die minderheid de wereld in korte tijd kan veranderen in een totale hel. Dus ook al zou de meerheid deugen, in de praktijk koop je daar weinig voor.

Daar zit iets in, maar toch ben ik het op dit punt niet helemaal met hem eens. Laten we die vraag eens stellen en proberen te beantwoorden.

Allereerst zitten we met het probleem, wat bedoelen we precies met 'deugen'? Hoe gaan we dat meten? In het kader van de Holocaust lijkt me daar zo langzamerhand weinig twijfel meer over mogelijk. We meten het kwaad (de aanleg voor 'fascisme') met bevooroordeeldheid. Andere termen voor hetzelfde: etnocentrisme, generalized prejudice en zooifactor.

Een factor die op veel manieren gemeten kan worden en ook bepaald kan worden door simpelweg een stuk tekst of een taaluiting van iemand te analyseren. Bevooroordeeldheid is ook de maat die gebruikt wordt om geneigdheid tot discriminatie en agressie te meten. En het is de maat die aangeeft via welk systeem mensen denken. Hoe ze hun taal hanteren.

De tweede stap is dat we iets van een norm nodig hebben. Wanneer zit je te hoog op bevooroordeeldheid? Wanneer wordt het een probleem? In de praktijk wordt het een probleem, zodra je door je score min of meer voorbestemd bent te dienen in het leger van de Grote Leider. Dat is dus zeker het geval als je hoger dan gemiddeld scoort op 'rechter vleugel autoritarisme' (RWA) of als je hoger dan gemiddeld scoort op sociale dominantie (SDO). Daar beide variabelen amper gecorreleerd zijn, betekent dat, dat zo'n 75% van de mensheid op dit punt niet echt deugt.

Ik vrees dat we dan nog wat te optimistisch zijn. We leven in een uiterst rijke samenleving, waarin de alfaïsering al tientallen jaren in hoog tempo doorgaat. Op basis daarvan zou je verwachten dat we al een heel stuk voorbij die theoretische 75 procent moeten zitten. Een tijdje geleden zag ik cijfers over het discrimineren op grond van sekse. Het ging om een wereldwijd onderzoek. Slechts iets meer dan 10% van de respondenten bleek dan volledig niet te discrimineren. Zeg dat het 12 of 13 procent was.

Wanneer we dus kijken naar de beschikbare gegevens op dit punt is de conclusie niet opwekkend. De overgrote meerderheid van de mensheid deugt, zo bekeken, niet.


Wat betekent 'een overgrote meerderheid van niet deugende mensen'?

Maar wat bedoelen we daar precies mee? Anti-racisme demonstranten claimden kort geleden dat iedereen discrimineert. Max Pam in de Volkskrant reageerde toen met een tegengeluid. Als iedereen discrimineert dan heeft het niet langer zin ons druk te maken over discriminatie. Dan is het kennelijk een vaste menselijke eigenschap. Hij dacht dat dat standpunt te extreem was en niet goed houdbaar.

Als je je verdiept in de 'zooifactor' (in bevooroordeeldheid), dan zie je dat mensen van origine beschikken over twee denksystemen: snel denken (systeem 1) en traag denken (systeem 2). Wat wij bevooroordeeldheid noemen, is in werkelijkheid denken via systeem 1. Dat systeem is vrijwel aangeboren, hoeft amper geleerd te worden. Is snel, kost weinig energie en is het systeem dat in een sociale omgeving perfect functioneert.

Als je het op die manier bekijkt, zijn we van nature en in beginsel allemaal bevooroordeeld. Hoe kan het dan, dat sommige mensen scoren als onbevooroordeeld? Dat kan zodra systeem 2 geleerd wordt en ontwikkeld wordt. Zodra mensen vooral systeem 2 gaan hanteren. Voor een deel is die vaardigheid natuurlijk ook een kwestie van aanleg.

Het is dus niet zo dat mensen van nature niet deugen. In beginsel beschikken alle mensen over beide systemen. Het probleem is alleen dat in een moderne, rijke samenleving systeem 2 niet langer automatisch goed geleerd wordt.

Ik denk dus dat die vraag 'Deugen de meeste mensen?' op deze manier toch zinvol kan zijn. Het niet-deugen van veel mensen wordt gereduceerd tot een ontwikkelingsprobleem. Tot iets dat mensen onvoldoende geleerd hebben.

Helaas lijkt het ook zo te zijn, dat de evolutie hier een kwalijke rol speelt. Moderne mensen lijken steeds meer problemen te krijgen met systeem 2 denken. Ze lijken erfelijk minder goed toegerust zijn om systeem 2 te ontwikkelen. Na de uitvinding van de landbouw is de mensheid kennelijk op een hellend vlak, richting afgrond, beland.

Mijn verhaal wordt nog minder 'mooi'. Natuurlijk moet systeem 2 denken geleerd worden en heb je vermoedelijk ook een bepaalde aanleg nodig. Maar de belangrijkste factor is toch motivatie. Wie dus gefocust is op mensen en sociale relaties, zal in een rijke samenleving veel moeite moeten investeren, terwijl dat uiteindelijk weinig oplevert. De meeste mensen zijn liever Epstein in zijn goeie dagen dan Spinoza. Het is niet alleen een leerprobleem, maar ook een motivatieprobleem.

Nu terug naar Bregman. Hij gelooft dat de mens van nature deugt en dat de vernis-theorie niet klopt. De beschaving is niet slechts een dun laagje, waaronder een niet deugend mens schuil gaat, aldus Bregman.

De werkelijkheid is helaas precies omgekeerd. In beginsel zijn we allemaal niet deugende wezens die zich laten leiden door hun blinde emoties. Maar door de omgang met de harde natuur en door vakken als wiskunde en dergelijke ontwikkelen we ons systeem 2 denken. We krijgen een rationele bolster waardoor we niet langer onze diepe emoties volgen, maar proberen na te denken, voordat we iets gaan doen. Zodra die bolster wegvalt of er niet meer is, reduceren we tot een borrelend vat vol agressie die er bij het minste of geringste uitspuit.

Het enige dat we dus hoeven te doen om te zorgen dat we allemaal voortaan wel deugen, is te zorgen dat iedereen zo'n rationele bolster ontwikkelt. Is dat te veel gevraagd?

Wel, wees ervan overtuigd: dit is een 'solve it or perish'-probleem (zie hier). Of we lossen het op of we gaan als mensheid uiteindelijk collectief ten onder. Op dit punt hebben we geen keus. Of we lossen het probleem tijdig op of het probleem lost ons op.