zaterdag 19 september 2020

Wat is 'rechter vleugel autoritarisme' (RWA) precies?

 

Laatst bijgewerkt op 24-09-2020 om 2.24

 

Mijn voorlaatste blogpost eindigde met:

"Kortom, als je de geneigdheid tot irrationeel geloven meet via bevooroordeeldheid, wat meet Altemeyer dan precies met zijn 'rechter vleugel autoritarisme'?"


Het empirische discriminatie- en agressie-onderzoek draait om drie variabelen. Allereerst hebben we bevooroordeeldheid. Het instemmen met populaire vooroordelen. De standaard maat voor agressie en discriminatie. Ook de maat die door de auteurs van The Authoritarian Personality (1950) met drie verschillende vragenlijsten om 'fascisme' te meten drie keer gevonden werd, zonder dat ze dat zelf door hadden.

Vervolgens hebben we twee variabelen die het grootste deel van bevooroordeeldheid verklaren, dat wil zeggen: voorspellen. Die twee verklarende variabelen zijn: sociale dominantie (SDO) en rechter vleugel autoritarisme (RWA). Ook wel benoemd als: 'rechts autoritarisme'.

Wat sociale dominantie inhoudt, lijkt duidelijk te zijn. Iemand is ervan overtuigd dat de wereld uitermate ongelijk is, en dat het zaak is om zelf, koste wat het kost, de top te bereiken. Men zoekt voor alles en ten koste van alles: status en macht.

Maar wat is 'rechts autoritarisme' precies? Bob Altemeyer, de geestelijke vader van deze maat, betitelt mensen die hoog scoren op deze maat als 'volgelingen'. Dit zijn de volgelingen van de strongman. Maar een kenmerk van volgelingen is dat ze geloven wat de goeroe vertelt. Ik maakte daar van: 'volgelingen/gelovigen'. Daarmee lijkt behoorlijk duidelijk, waar deze maat voor staat, zou je denken.

Maar dan wordt duidelijk dat je bevooroordeeldheid moet zien als de maat voor geneigdheid tot irrationeel geloven. Maar als dat de maat voor irrationeel geloof is, hoe kun je dan mensen die hoog scoren op RWA betitelen als 'volgeling/gelovige'? Dat suggereert dat RWA de maat voor geloof is. In werkelijkheid halen deze mensen echter slechts de derde plaats qua bevooroordeeldheid. Wat Altemeyer betitelt als: de 'bronzen medaille'. Kennelijk wringt er dus iets. Dat bracht me tot de vraag: wat meet RWA dan precies?

Je bent geneigd te denken dat die vraag ondertussen geen probleem meer kan zijn. Maar wanneer je het laatste boek (Authoritarian Nightmare, 2020) van Bob Altemeyer, de vader van RWA, leest, dan zie je dat hij maar liefst twee hoofdstukken nodig heeft om uit te leggen wat een 'rechter vleugel autoritarist' is.

Het probleem is niet dat de maat onduidelijk gedefinieerd is. We hebben de RWA-vragenlijst, dus de maat is operationeel gedefinieerd. Het probleem is ook niet, dat de maat niet betrouwbaar zou zijn, want dat is de maat wel. Het probleem is ook niet, dat de maat niet valide zou zijn, want alles dat we weten, wijst erop dat de maat dat wel is.

Het probleem is dat de maat zo veelomvattend is, dat hij niet meer eenvoudig valt samen te vatten. Wanneer je twee hoofdstukken nodig hebt om een maat te beschrijven, mag dat heel indrukwekkend lijken, maar empirisch wetenschappelijk gezien betekent het, dat je niet goed weet, wat je precies meet. Je hebt geen beknopte, heldere theorie, die alles wat je hebt aan feiten handzaam samenvat.

De beste oplossing voor dat probleem is, denk ik, het soortenmodel. Allereerst is het soortenmodel volledig gebaseerd op wat we tot nu toe weten via hard onderzoek over de drie variabelen waar alles in het discriminatie- en agressie-onderzoek om draait. Ten tweede schetst het een logisch kader. Het verklaart de vreemde samenhang tussen die drie variabelen. Wat zegt het soortenmodel over 'rechts autoritarisme'?

Na de uitvinding van de landbouw wordt geleidelijk aan duidelijk dat niet iedereen geschikt is om te boeren. Als boer moet je hard werken en lange dagen maken, terwijl de beloning -- als die al komt -- maanden later komt. Als boer moet je dus heel erg op de lange termijn denken en ook aan het werk gaan op momenten, dat dat nog niet urgent lijkt te zijn. Op momenten dat er nog volop voedsel is.

Er ontstaat dus een klasse van mensen die niet boeren. Maar boeren hebben doorgaans rijke voorraden, omdat de oogst makkelijk een reeks jaren kan mislukken. In een samenleving met overvloedig voedsel doe je natuurlijk niet moeilijk als mensen daar van mee willen eten. Het resultaat is dus een verzameling klaplopers, die wel eet, maar niets uitvoert.

Vervolgens is er slechts een slimme en doortrapte geest nodig, die de klaplopers organiseert. Het zijn niet zij, de klaplopers die niet deugen, nee, het zijn die stinkend rijke boeren. Ze hoeven alleen maar naar hem te luisteren en te doen, wat hij zegt en ze krijgen allemaal een prachtige toekomst.

De strongman organiseert de klaplopers en grijpt de macht. Nu zijn de rollen omgedraaid. De rijke boeren hebben opeens niets meer te vertellen. Het is de strongman die de absolute macht heeft over de klaplopers en de voorheen rijke boeren.

Het duurt natuurlijk niet lang of er zijn veel meer mensen die zich realiseren, dat het werk voor de dommen is (althans zo zien zij dat) en dat als je vooruit wilt komen in het leven, je vooral macht nodig hebt. We kunnen dus begrijpen, dat er een variabele als sociale dominantie ontstaat. Want macht biedt veel voordelen, dus wie gaat voor macht, zit uiteindelijk vaak prima.

Verder hadden we natuurlijk al dat verschil tussen de mensen die aanleg hadden om te boeren en de mensen die dat helemaal niks vonden. Die liever gezellig onder elkaar wat kletsten, een goed glas dronken en zich specialiseerden in borrelpraat.

Nu formuleer ik het misschien wat ongelukkig. Om te boeren heb je een bepaalde aanleg nodig. Je moet denken en werken op de lange termijn. Je hebt te maken met de harde natuur. In beginsel hebben alle mensen die aanleg, maar moet je die aanleg ook ontwikkelen. Bij de mensen die boer werden, ging dat beter dan bij de klaplopers. Het waren dus vermoedelijk niet de klaplopers die vooral een bepaalde aanleg ontwikkelden, maar de boeren. De klaplopers ontwikkelden zich op dat punt juist niet.

Een tweede eigenschap van de klaplopers was dat de strongman ze met een 'mooi' verhaal kon overhalen. Het zijn dus mensen die geneigd zijn, het 'mooie' verhaal van een beginnende strongman te geloven. En bij dat geloof uiteindelijk misschien ook nog vaak baat hebben.

Als het soortenmodel klopt, verwacht je dus dat 'rechts autoritarisme' de maat is die het verschil meet tussen de rationeel denkende en op productie gerichte 'boeren' en de mensen die vallen voor het 'mooie' verhaal van de strongman. De eerste groep moet niets hebben van het 'mooie' verhaal van de strongman. De tweede groep valt er massaal voor en ziet de strongman als de man die hen naar een gouden toekomst leidt.

Is het plausibel dat de strongman zijn aanhang in eerste instantie vooral zoekt onder de niet sociaal dominante mensen? Ja, want in eerste instantie zijn er natuurlijk niet zo veel extreem sociaal dominante mensen. Verder zijn die sociaal dominante mensen ook nog eens mensen die precies hetzelfde willen als de strongman. Het valt dus te begrijpen dat een beginnende strongman zijn aanhang vooral zoekt onder de 'gewone' (niet sociaal dominante) mensen.

Volgens het soortenmodel blijven er dan slechts twee soorten mensen over: de double lows (de boeren of bèta's) en de 'gewone' (niet sociaal dominante) volgelingen/gelovigen. Deze laatste groep mensen bestaat dus uit personen, die hoog op RWA scoren, maar laag op SDO.  De eerste groep moet niets hebben van het 'mooie' verhaal van de strongman, want een 'mooi' verhaal kun je niet eten. Maar voor de tweede groep ligt dat totaal anders.

Hoe moet je 'rechts autoritarisme' dan omschrijven? Als vallen voor het 'mooie' verhaal van de strongman op het moment dat hij nog niet echt macht heeft. Zodra de strongman macht heeft, gaat hij door die macht sociaal dominante personen aantrekken. In eerste instantie begint de opmars van de strongman met de 'gewone' (niet sociaal dominante) volgelingen/gelovigen. Mensen die dus hoog op RWA scoren, maar laag op SDO.

 

Hoe moet je 'rechts autoritarisme' omschrijven? Als vallen voor het 'mooie' verhaal van de strongman op het moment dat hij nog niet echt macht heeft.

 

Hoe kan het dan dat de gewone (niet sociaal dominante) volgelingen/gelovigen niet het hoogst scoren op bevooroordeeldheid? Bevooroordeeldheid is het instemmen en omarmen van de vooroordelen die in de groep leven. De ene reden om dat te doen is 'rechts autoritarisme', de andere reden is 'sociale dominantie'. Als je dichter bij de strongman wilt komen, moet je actiever en fanatieker zijn evangelie omarmen en uitdragen. Dat is echter niet wat de gewone volgelingen/gelovigen willen. Die willen voor alles een veilig onderkomen in de groep en verder vooral: brood en spelen.

De gewone rechtse autoritaristen hebben slechts één reden om bevooroordeeld te zijn, om irrationeel te geloven. De sociaal dominanten hebben ook een reden om bevooroordeeld te zijn, maar een totaal andere. De double highs tenslotte hebben beide redenen om bevooroordeeld te zijn en halen dan ook inderdaad voortdurend de toppositie qua bevooroordeeldheid.

Wanneer je bevooroordeeldheid wilt begrijpen, dan zijn de gewone volgelingen/gelovigen van groot belang. Want dat is de groep waar de aspirant strongman met zijn 'mooie' verhaal grip op moet krijgen. Hij moet een verhaal produceren en zo presenteren dat hij deze groep als eerste over de streep trekt. Zodra dat gelukt is, komen de sociaal dominanten ook wel.

Het voorgaande verklaart misschien waarom we 'rechts autoritarisme' zo'n moeilijk te begrijpen variabele vinden. Het gaat misschien om klaplopers, maar het zijn wel klaplopers met macht. Het zijn de soldaten, dienaren en ambtenaren van de strongman (of koning). Bovendien is die strongman (of koning) zelf natuurlijk ook meestal een 'rechtse autoritarist'. Alleen op die manier voelt hij perfect aan wat zijn gewone volgelingen/gelovigen willen horen.

Dus, kijk uit met wat je zegt, voor je het weet kan zo'n foute opmerking veel problemen opleveren. Met andere woorden: we hebben een soort ingebouwd instinct om 'rechts autoritarisme' vooral niet te zien. Het is veiliger om het gewoon helemaal niet te zien. Het is sociaal gezien een volledig 'foute' variabele, omdat de consequentie uiteindelijk is dat de strongman (of koning) niet deugt.

Klopt dit verhaal over rechts autoritarisme? Ik ben uitgegaan van het soortenmodel. Dat is volledig gebaseerd op dat merkwaardige verband tussen bevooroordeeldheid en die twee aansturende variabelen (SDO en RWA) en wat we verder via validiteitsonderzoek over die variabelen weten. Als het goed is, is het verhaal dus stevig gefundeerd.

Voor een eerste check kunnen we kijken naar de definitie van RWA zoals die door Altemeyer is geformuleerd. Een tweede check is te kijken naar naar de conformiteits-experimenten van Asch. Hij liet immers via zijn experimenten zien, hoe bevooroordeeldheid precies ontstaat en werkt. Een derde check is te kijken naar wat er verder bekend is over mensen die hoog scoren op RWA. Die drie checks bewaar ik voor volgende blogposts.










dinsdag 15 september 2020

Het stel dat niet kon trouwen

 

In de vorige post ging het over het meten van de geneigdheid tot irrationeel geloof. Je gelooft iets heilig, maar er zijn geen harde feiten, waar je dat geloof op baseert. Het is allemaal slechts idee.

Die irrationele ideeën komen er uiteindelijk vooral op neer dat de spreker heel goed is, zijn naaste vriendjes ook, maar dat de rest van de wereld niet deugt en daarom terecht kwalijk behandeld mag worden.

Irrationeel geloof is dus de basis van discriminatie en agressie. Discriminatie begint doorgaans niet met een holocaust, maar met een gerucht of bewering. Het begint allemaal niet met een moord, nee, het begint doorgaans met een terloopse opmerking.

De geneigdheid tot irrationeel geloven moet je -- dat lijkt mij althans wel behoorlijk zeker -- meten via bevooroordeeldheid. Het mag natuurlijk in beginsel ook via een andere methode, mits die hetzelfde resultaat oplevert. Bevooroordeeldheid kun je -- lijkt het -- op eindeloos veel manieren meten. Het is een variabele die voortdurend weer lijkt op te duiken.

Maar als je het hebt over het meten van een variabele, dan wordt het een heel abstract probleem. Het gevaar daarvan bij mensen, is dat ze de betekenis achter al die woorden, niet meer zien. Het worden imponerende woorden waarvan men de betekenis kwijt is.

Om dat probleem te voorkomen, helpt het om met concrete voorbeelden te werken. Op de site van de BBC vind ik een artikel van Adaobi Tricia Nwaubani over een stel in Nigeria (https://www.bbc.com/news/world-africa-54088880). Een van de twee stamt af van voormalige slaven. Het heersende geloof zegt dat je met zo'n iemand niet moet of kunt trouwen.

Het stel heeft zelfmoord gepleegd en een briefje achtergelaten met de tekst: "They're saying we can't get married... all because of an ancient belief".

Je kunt dus zeggen: het begint allemaal met een irrationeel geloof. En inderdaad: het eindigt met moord.

Is het verstandig om in zo'n geval zelfmoord te plegen? De vraag stellen, is deze beantwoorden. Het punt waar het mij om gaat, is de link tussen de twee. Je hebt een irrationeel geloof dat men niet kan loslaten. En je hebt even later een dubbele zelfmoord. Beide passen bij een hoge 'zooifactor'. Een ander woord voor de variabele waar het allemaal om draait: 'bevooroordeeldheid'.

Een manier van denken die past bij kinderen en de kroeg. Maar ook een manier van denken die in moderne samenlevingen steeds meer de norm wordt. Het verabsoluteren van het gevoel. Feiten en normen als niet relevant zien. Ja, sterker nog, niet eens echt weten, wat dat zijn.



 

 

 

maandag 7 september 2020

Hoe moet je geneigdheid tot irrationeel geloven meten? Via bevooroordeeldheid dus

 

Laatst bijgewerkt: 15-9-2020 om 1.49

 

In mijn post over dubbel gestoorde waarneming (DGW) en bevooroordeeldheid (https://stopdiscriminatie.blogspot.com/2020/08/dubbel-gestoorde-waarneming-is-een.html) formuleerde ik de volgende conclusie.

"Bevooroordeeldheid en DGW zijn een innig koppel. Waar de een is, is ook de ander. Anders geformuleerd: gelovigen (bevooroordeelde mensen) vertellen niet alleen een verhaal, dat niet klopt, ze zien ook niet, wat er is."

In dit citaat heb ik het over 'gelovigen', terwijl het eigenlijk over 'bevooroordeelde mensen' zou moeten gaan. De variabele die Asch meet met zijn experiment (conformiteit) bleek immers na onderzoek (hier: https://stopdiscriminatie.blogspot.com/2020/08/is-conformiteit-hetzelfde-als.html) hetzelfde te zijn als bevooroordeeldheid.

Tot nu toe, was het zo, dat ik met de term 'volgeling/gelovige' mensen aanduidde, die hoog scoren op (rechter vleugel) autoritarisme (RWA). Nu koppel ik die term echter, misschien min of meer per ongeluk, aan bevooroordeeldheid. De strongman-variabele, de alfa-bètavariabele, de standaard maat voor discriminatie/agressie en een maat voor corruptie en irrationaliteit.

Dus, klopt dat wel? Gaat het hier inderdaad om een verschrijving of zijn er goede argumenten om te denken dat we de geneigdheid tot geloven moeten meten via 'bevooroordeeldheid'?

 

Hoe moeten we de bereidheid tot irrationeel geloven meten: RWA of bevooroordeeldheid?

De vraag is dus: hoe moeten we bereidheid tot geloven meten? Er lijken op basis van het bestaande onderzoek slechts twee antwoorden mogelijk te zijn: RWA aan de ene kant of bevooroordeeldheid (generalized prejudice, etnocentrisme, links-rechts) aan de andere kant.

Beide variabelen zijn gecorreleerd, maar lang niet perfect. De correlatie tussen bevooroordeeldheid en RWA bedraagt doorgaans iets van ongeveer 0.50 tot 0.60, dacht ik. (Altemeyer rapporteert in de online bijlage bij zijn laatste boek [Authoritarian Nightmare, Trump and his Followers, 2020] een correlatie van [afgerond] 0.84, maar die steekproef is tot stand gekomen door zelfselectie en bevat daardoor vermoedelijk vooral veel mensen die fel voor of fel tegen Trump zijn, waardoor de correlatie belangrijk hoger kan zijn uitgevallen.)

De andere onderliggende variabele van bevooroordeeldheid is sociale dominantie, gemeten als SDO. Een alles overheersende zucht naar macht en een heilig geloof in het goede van ongelijkheid. Samen bepalen die twee aansturende variabelen (RWA en SDO) normaal ongeveer twee derde van de totale variantie in bevooroordeeldheid (na correctie voor onbetrouwbaarheid).

Je zou de vraag dus ook anders kunnen formuleren. Bestaat de motivatie om te geloven alleen uit RWA of bevat die motivatie ook SDO? Als de motivatie zowel RWA als SDO bevat, dan verwacht je, dat we het moeten meten met het resultaat van die twee: bevooroordeeldheid. Als de motivatie voor geloof geen SDO bevat, moeten we het meten met RWA.

Laten we eerst nagaan, wat we precies bedoelen met 'geneigdheid tot geloven'. Strikt genomen hebben we twee soorten geloof. Dat morgen de zon vermoedelijk weer opgaat, lijkt niet zo'n problematisch geloof. Tot nu toe klopte dat altijd. Maar je hebt ook geloof als: COVID-19 wordt verspreid door 5G. Voor dat laatste geloof is tot nu toe niet echt evidentie beschikbaar.

We bedoelen dus eigenlijk niet geloof in het algemeen, maar het onderscheid tussen rationeel geloof (gebaseerd op harde feiten) en irrationeel geloof (gebaseerd op opinies, overtuigingen, geleuter en sociale bijval). Maar als het inderdaad gaat om het onderscheid tussen rationeel en irrationeel geloof gaat, dan moet je vrijwel zeker bevooroordeeldheid hebben. Want die variabele kun je ook opvatten als lopend van rationeel naar irrationeel.

De basis van de groep is bevooroordeeldheid. Bevooroordeeldheid is de strongman-variabele. En geloof is wat de groep bij elkaar houdt. Als al die veronderstellingen kloppen, moet je dus verwachten dat bevooroordeeldheid de variabele is, die de geneigdheid tot irrationeel geloven weergeeft. Precies wat ik al opmerkte.

Verder kun je bevooroordeeldheid ook opvatten als het omarmen van vooroordelen. Zo is die variabele gedefinieerd. Leg een hele reeks populaire vooroordelen voor en de mate, waarin men daarmee instemt, levert je 'bevooroordeeldheid'. Maar wat is het instemmen met populaire vooroordelen anders dan het omarmen van het irrationele geloof van een groep?

Een vooroordeel had in mijn opvatting vier kenmerken. Het was niet op feiten (objectieve waarnemingen) gebaseerd. Het had betrekking op één of meer (bepaalde) mensen. Het bevatte emotie. En het was gericht. Het ging om positieve of om negatieve emotie met betrekking tot die persoon of personen.

Het idee achter geloof is vaak dat de mensen met hetzelfde geloof, goede mensen zijn. En dat mensen met een ander geloof dwalen of zelfs bestreden moeten worden. Als je het zo bekijkt, verwacht je dus dat bevooroordeeldheid hetzelfde moet zijn als geneigdheid tot irrationeel geloven.

Wat is irrationeel geloof precies? De basis is dat iemand iets beweert dat niet op feiten of waarnemingen is gebaseerd. Vervolgens neemt de onkritische luisteraar die stelling klakkeloos over. Bij het Asch-experiment viel het mechanisme goed te zien. Iemand verkondigt zichtbare onzin, maar een belangrijk deel van de proefpersonen nam die onzin enthousiast over. Ik overdrijf nu wat, want in dit geval verkondigde de hele overige 'groep' die onzin. Maar aan het basisprincipe doet dat natuurlijk niet af.

De basis van irrationeel geloof is dus napraten om toch maar vooral goed in de groep te passen. De mensen die zich schuldig maakten aan dat napraten van de onzin bleken bij het Asch-experiment volledig op de groep te focussen en niet op hun taak. Ze wisten wel hoe vaak ze het oneens waren geweest met de groep, maar niet hoe vaak ze een onjuist antwoord gegeven hadden.

Wat het Asch-experiment dus duidelijk maakt, is dat we groepsmensen en taakmensen hebben. Het ene soort focust volledig op zijn positie in de groep. Het andere soort focust volledig op de taak die men moet uitvoeren. Het onderscheid tussen beide soorten mensen meten we als conformiteit, maar dat blijkt precies hetzelfde te zijn als bevooroordeeldheid.

Bevooroordeeldheid is dus in dit verband het napraten van anderen om op die manier zelf sociaal te scoren. Maar in andere gevallen kan het natuurlijk ook gaan om het produceren van het 'mooie' verhaal.

Bij het Asch-experiment vonden we precies de drie zelfde groepen terug bij de mensen die 'yielden' als voorspeld wordt door het soortenmodel. Van die drie groepen zijn er volgens het soortenmodel twee sociaal dominant. Dat betekent dus dat een meerderheid van de groepsmensen geneigd is actief 'mooie' verhalen te produceren om op die manier sociaal te scoren.

Voor bijvoorbeeld een double high (denk aan Hitler) is het niet relevant, hoe men precies aan het 'mooie' verhaal komt, maar is relevant of het 'mooie' inderdaad het bedoelde sociale effect heeft. Hitler haalde de inspiratie voor zijn toespraken vaak uit kranten, is bekend.

Voor de duidelijkheid, niet alle religies omarmen altijd een irrationeel geloof. De basis van het Oude Testament wordt gevormd door de Tien Geboden. In die Tien Geboden zit weinig tot niets irrationeels. Het gaat om normale zaken. Je mag niet doodslaan, je mag niet begeren wat van iemand anders is, je mag niet liegen, je mag geen beelden van goden maken. Ook niet de eigen 'God'. Er wordt keurig eerst ook nog een definitie gegeven van 'God'. Het is kortom een behoorlijk rationeel stuk werk.

Ook de essentie van het verhaal van Jezus in het Nieuwe Testament sluit daarbij aan. Iets dat misschien niet zo verwonderlijk is, want in feite was hij geboren en getogen in de Joodse leer. Hij vereenvoudigt de Tien Geboden tot twee. Je moet 'God' liefhebben boven alles en andere mensen als jezelf. Geen aanbevelingen waardoor je rottigheid (zooi) zult gaan produceren. Integendeel.

Het gaat dus echt om niet op feiten gebaseerde opvattingen die tot doel hebben bepaalde mensen op achterstand te zetten en de spreker of gelovige zelf voordeel te geven. Dat is in feite wat we bedoelen met irrationeel geloof. En het zal duidelijk zijn, dat een dergelijk geloof koppelt aan discriminatie en agressie. We brengen verschillen aan tussen mensen, die niet op feiten gebaseerd zijn.


Waarom bevooroordeeldheid de strongman-variabele is

Voor de volledigheid, waaruit blijkt dat bevooroordeeldheid de strongman-variabele is en dat RWA (rechter vleugel autoritarisme) dat niet is? De populariteit van Trump bij zijn achterban wordt niet goed verklaard door alleen autoritarisme. Bevooroordeeldheid verklaart beter welke mensen hem en zijn opvattingen omarmen.

Ook de 'vader' van rechter vleugel autoritarisme (RWA), Bob Altemeyer, rapporteert in zijn eerder vermelde laatste boek (Authoritarian Nightmare) dat bevooroordeeldheid 0.81 correleert met 'Approval of Trump', terwijl RWA niet verder kwam dan 0.74. Dit is echter een sterk geselecteerde steekproef, normaal is het verschil nog belangrijk groter. Van de 223.138 stemgerechtigden die via de mail werden aangeschreven, vulden slechts 990 respondenten de vragenlijst volledig of bijna volledig in. Dat is een response van minder dan een half procent (p. 6 van de online appendix bij het boek).

Dat bevooroordeeldheid inderdaad de strongman-variabele is, blijkt ook uit (mijn samenvatting van) het onderzoek dat in The Authoritarian Personality beschreven staat. Wanneer we de uitkomsten corrigeren voor onbetrouwbaarheid, blijkt de drie variabelen die de auteurs geconstrueerd hebben om 'fascisme' te meten, allemaal precies hetzelfde meten. De drie variabelen waren: etnocentrisme (bevooroordeeldheid), politiek economisch conservatisme (politiek rechts) en de F-schaal, die bedoeld was de aanleg voor 'fascisme' te meten via onderliggende drijfveren. Er lijkt daarmee dus weinig twijfel mogelijk: de geneigdheid tot irrationeel geloven kun je meten via de mate van bevooroordeeldheid.

Maar, hoe is het dan mogelijk dat we tot voor kort RWA (rechter vleugel autoritarisme) hielden voor de variabele die onderscheid maakt tussen rationeel en irrationeel geloven? De bron van dat idee is Bob Altemeyer, de 'vader' van RWA. Altemeyer heeft het echter over 'volgelingen' en niet over 'gelovigen'. Maar volgelingen geloven natuurlijk ook, dus mijn idee dat het dan ook om gelovigen moet gaan, is dan misschien niet zo vreemd.

Kortom, als je de geneigdheid tot irrationeel geloven meet via bevooroordeeldheid, wat meet Altemeyer dan precies met zijn 'rechter vleugel autoritarisme'?





 

 


zondag 6 september 2020

De verklaring van dubbel gestoorde waarneming (DGW)

Laatst bijgewerkt: 6-9-2020 om 15.46

 

De geschiedenis van de 'anti-racist' die andere mensen beschuldigt van 'racisme', maar daar zelf kennelijk hoog op scoort, heeft deze blog tot nu toe twee belangrijke posts opgeleverd.

Allereerst leidde dit verhaal tot de vraag, wat nu precies de relatie is tussen DGW (dubbel gestoorde waarneming)  en 'bevooroordeeldheid' (de variabele die we meten door een reeks uiteenlopende vooroordelen voor te leggen). In eerste instantie ging ik in dit specifieke geval op zoek naar DGW en vond dat ook. Vervolgens wilde ik concluderen dat het kennelijk om een extreem bevooroordeeld iemand ging. Op dat moment was die conclusie echter nog niet gerechtvaardigd. Er was immers alleen van extreem bevooroordeelde mensen aangetoond dat ze DGW vertoonden, maar het omgekeerde was niet aangetoond. Het zou kunnen dat ook minder bevooroordeelde mensen DGW vertonen.

Deze vraag leidde in combinatie met nieuw onderzoek op basis van de gegevens van Asch tot de conclusie, dat het om twee kanten van dezelfde medaille gaat. Bevooroordeeldheid en DGW zijn innig gekoppeld. Waar het een is, is ook het ander. De twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. (Deze post staat hier: https://stopdiscriminatie.blogspot.com/2020/08/dubbel-gestoorde-waarneming-is-een.html.) 

De tweede post over dit bizarre geval was de vorige (https://stopdiscriminatie.blogspot.com/2020/08/een-anti-racist-die-andere-mensen.html). Maar hoe moet je het resultaat van die post samenvatten?

Allereerst is het natuurlijk een bizar verhaal. Iemand die zichzelf nadrukkelijk opwerpt als 'anti-racist' gaat vervolgens fanatiek 'racisme' opsporen. En inderdaad: overal waar deze zelfbenoemde opsporingsambtenaar kijkt, ontwaart hij 'racisme' van het zuiverste soort. Uiteraard moet dat fanatiek door hem bestreden worden en publiekelijk aan de schandpaal genageld. En de daders moeten liefst onmiddellijk op basis van zijn constateringen worden ontslagen.

Maar dat is inderdaad wel ongeveer, hoe bevooroordeelde mensen de wereld zien. Het volledig omdraaien van de werkelijkheid. Zij zijn 'goed', maar alle anderen zijn 'fout' en moeten bestreden en vernietigd worden. Men heeft een simpel wereldbeeld en het doel is de rest van de wereld, samen met zijn volgelingen/gelovigen, te onderwerpen. Men denkt pas rust te hebben als dat doel bereikt is. Maar ook dan heeft men nog geen rust, want tussen de gordijnen staan al een aantal van de trouwste volgelingen/gelovigen met messen klaar, om de macht over te nemen en zelf de macht over te nemen.

Ten tweede levert dit verhaal een voorbeeld uit het volle leven dat DGW demonstreert. In eerste instantie konden we DGW afleiden uit de gegevens en het verslag van Asch. Asch vond het hele idee van 'yielding without awareness' zo onvoorstelbaar en vreemd, dat hij het niet zonder verder onderzoek wilde geloven. Door dat geloof zag hij niet dat zijn kwantitatieve gegevens harde resultaten leverden voor het bestaan van het fenomeen. Op die manier lijkt hij zelf ook een slachtoffer geworden te zijn van het verschijnsel.

Maar ook na die conclusie uit de gegevens van Asch, is het vervolgens nodig om na te gaan of het verschijnsel ook verder valt waar te nemen. De informatie in het bizarre verhaal beantwoordt die vraag bevestigend. DGW doet zich dus ook in 'real life' situaties voor en kan soms eenvoudig aangetoond worden, indien men er bewust naar gaat zoeken.

 

De verklaring van DGW

Tenslotte -- en dat is misschien wel het belangrijkste -- levert het bizarre verhaal ons een verklaring voor de koppeling tussen DGW en bevooroordeeldheid. (De correlatie tussen beide ligt boven de 0.90.)

Die verklaring is simpel. Het agressieve getwitter is sociaal gebabbel. Het doel is slechts sociaal te scoren bij het publiek (de volgelingen/gelovigen). Het doel is aanhang te verwerven om op die manier hoger op de apenrots te komen. Of uitspraken overeenstemmen met de feiten, doet daardoor voor de spreker/schrijver niet meer ter zake. De focus ligt volledig op het bereiken van een bepaald effect bij het publiek.

Met deze verklaring bevestigt het bizarre verhaal het -- volledig op empirisch onderzoek gebaseerde -- soortenmodel. Volgens het soortenmodel bestaat een moderne samenleving (zoals die ontstaan zijn na de uitvinding van de landbouw) uit twee tegenovergestelde culturen. In de bèta-cultuur draait het bij uitspraken om feitelijke juistheid, in de alfa-cultuur gaat het slechts om het sociale effect op de toehoorders. In de ene cultuur moeten uitspraken kloppen met de harde werkelijkheid, in de andere cultuur moeten ze gevoelens oproepen bij het publiek. Vaak 'mooie' gevoelens en ook maar al te vaak minder mooie gevoelens.

In de ene cultuur moeten uitspraken kloppen met de waarneembare werkelijkheid. Men bedrijft wetenschap. In de andere cultuur moeten uitspraken 'mooi' zijn. Een goed gevoel oproepen. Men bedrijft 'propaganda' voor het eigen doel. Hoger komen in de sociale rangorde.










zondag 30 augustus 2020

Een 'anti-racist' die andere mensen beschuldigt van 'racisme', maar daar zelf kennelijk hoog op scoort

 

Laatst bijgewerkt: 30-8-2020 om 15.22 

 

Ik kwam onlangs een merkwaardig opiniestuk tegen in de Volkskrant (18 augustus 2020). Het is afkomstig van Sybren Kooistra en getiteld: Laat je horen, maar verwacht tegenspraak (hier).

Maar laat ik beginnen bij het begin. Dit vreemde verhaal begint met een mijns inziens onberispelijke column van Max Pam (Tegen empathie, Volkskrant, 22 juli 2020, hier). 

De column van Pam houdt in, dat we moeten uitkijken met empathie. Hij vermeldt in zijn column onder andere het boek Against Empathy (2016 ) van Paul Bloom.

Inhoudelijk gezien lijkt me dat terecht. Wanneer we beginnen af te gaan op onze gevoelens, is het een kwestie van tijd voordat de treinen gaan rijden. En dan moet je niet vragen, wat erin zit. De zooifactor (bevooroordeeldheid) en emotionaliteit zijn hecht verbonden. Het is niet zomaar, dat je de zooifactor ook kunt omschrijven via de as rationeel-irrationeel.

Die keurige column van Pam was voor Kooistra echter aanleiding de volgende tweet de wereld in te slingeren:

"Empathie (met zwarte mensen) is gevaarlijk. Het is de empathie van antiracisten die ze gewelddadig maakt. En de waardering voor zwarte kunstenaars is niet rationeel. Uw doorsnee racistische column in de @volkskrant van vandaag komt van Max Pam."

Onder het bericht is een plaatje geplakt van de column van Pam zoals die op internet verscheen, met een stukje tekst uit zijn column daarnaast. Het doel van dat alles is kennelijk de tweet wat aantrekkelijker te maken, want zonder motiverend plaatje is het lezen van zo'n tweet misschien wat veel gevraagd van de meeste twitteraars.

Die betiteling van zijn column als 'racistisch' schoot Pam in het verkeerde keelgat. De nazi's hebben onder zijn familie stevig huisgehouden en dan komt zo'n kwalijk label extra hard aan. Hij liet zijn advocaat aangifte doen wegens smaad. Dat leverde vervolgens een andere column van hem op, waarin hij zelf uitlegt, wat hij kwalijk vindt aan de bewering van Kooistra (hier).

Je zou denken: een storm in een glas water. Al die twitterende mensen staan bekend om hun wilde, extreme en agressieve uitspraken. Neem je ondoordachte bewering terug en bied je verontschuldigingen aan.

Maar zo blijkt dat dus niet te gaan. Daardoor werd ik in de Volkskrant van 18 augustus verrast op dat nogal chaotische verhaal van Sybren Kooistra. Eerst iemand in het wilde weg betichten van het schrijven van een 'racistische' column. Vervolgens niet publiekelijk je verontschuldigingen aanbieden, maar prompt in de Volkskrant uitgebreid gelegenheid krijgen, uit te venten dat je het gelijk toch echt helemaal aan je kant hebt.

Iemand die in het wilde weg extreme beschuldigingen publiceert en dan nog wel op Twitter, komt op mij over als een vrij agressieve roeptoeter. Kan ik gelijk hebben dat het om een extreem bevooroordeeld persoon gaat?

Qua opleiding (sociologie, politicologie, sociale geografie) en beroep (journalist, campagneleider, spindoctor) wel. Verder is het niet iemand die graag en veel lijkt te schrijven. Het is vooral iemand, net als Trump, die heel veel twittert.

Als Kooistra inderdaad een double-high (een extreem groepsmens, een extreem bevooroordeeld persoon) is, en alles duidt daarop, dan zou je verwachten dat er ook sprake moet zijn van dubbel gestoorde waarneming (DGW). Dus, laten we eens kijken.

Het eerste bestanddeel van DGW lijkt me wel aangetoond. In de column van Pam is volgens mij en anderen geen spoor van racisme te bekennen. Kooistra stelt dus dingen te zien, die er in werkelijkheid niet zijn.

Is ook het tweede bestanddeel van DGW aanwezig? Kunnen we aantonen dat Kooistra niet precies weet, wat Pam geschreven heeft?

Kooistra schrijft in zijn opiniestuk de volgende zin over de 'foute' column van Pam: "Daarin filosofeert hij [Max Pam] over het nut van empathie, beginnend en eindigend met zinnen over hoe witte mensen zich verhouden tot zwarte mensen in Nederland."

Laten we die zin eens onderzoeken.

Volgens mij schreef Pam niet over het nut van empathie, maar over het gevaar van empathie. Dat lijkt me nogal een verschil.

Begon en eindigde de column van Pam inderdaad met een zin, die betrekking had op de relatie tussen witte mensen en zwarte mensen in Nederland? Bij het lezen van de column is me dat niet opgevallen. Maar laten we kijken.

De eerste zin van de column van Pam luidt: "Onlangs schreef ik over het probleem van de empathie, dit naar aanleiding van de advocaat Natacha Harlequin, die had gezegd dat witte mensen niet kunnen voelen wat zwarte mensen voelen."

Gaat die zin over de relatie tussen witte Nederlanders en zwarte Nederlanders? Beweert Pam iets over die relatie? Kom nou. Die zin introduceert het onderwerp van de column: empathie. Dat is weer iets belangrijk anders, dan wat Kooistra beweert.

Ook de laatste zin van de column heeft eerder bij mij niets opgeroepen over de relatie tussen witte en zwarte mensen in Nederland. Maar laten we weer kijken. Om de zin te kunnen plaatsen, citeer ik de volledige laatste alinea van de column.

De laatste alinea van Pam luidt: "Compassie is inderdaad overal. Ik stemde af op de eerste aflevering van Zomergasten met de rapper Typhoon. Na vijf minuten wist ik al: hier zullen weinig mensen naar kijken, maar morgen zullen alle kranten er uitermate positief over schrijven."

Als we kijken naar de laatste zin van de column, dan gaat die over de beoordeling van Zomergasten. Volgens Pam zullen de kijkcijfers laag zijn, maar de kranten heel positief. Doe je dan een uitspraak over de relatie tussen witte en zwarte Nederlanders? Staat het tv-kijkend publiek voor 'wit Nederland' en de krantenredacties voor 'zwart Nederland'? Dat lijkt me nogal overtrokken. Ook deze bewering van Kooistra klopt dus niet.

Ik pak één enkele zin uit het verhaal van Kooistra. In die ene zin blijken drie beweringen te zitten, die niet kloppen met wat in de column van Pam staat. In één enkele zin drie onwaarheden produceren. Zelfs Trump zal dat niet altijd lukken.

Kooistra beweert eerst iets over de column van Pam, dat niet klopt: de column zou 'racistisch' zijn. De column die hij nauwkeurig gezien en gelezen zou moet hebben, alvorens daar allerhande uitspraken over te publiceren, is voor hem een gesloten boek gebleven. Kennelijk interesseert het de man geen sikkepit wat er echt in de column van Pam staat. Als hij maar kan roeptoeteren. Als hij maar het hoogste woord kan voeren. 

Is dit de enige keer dat Kooistra iemand beschuldigt van 'racisme'. Afgaande op wat ik van de man kon vinden op internet is 'racisme' voor de man een soort stopwoord geworden. Overal denkt hij 'racisme' te zien om vervolgens degene die zich aan dat 'racisme' schuldig heeft gemaakt, luidkeels aan de schandpaal te nagelen. De strekking is in feite: iedereen is 'racistisch', behalve hij en zijn volgelingen/gelovigen. Althans, als we hem mogen geloven.

Wat mij verder opvalt is het enorme aantal tweets dat de man heeft geproduceerd. Volgens Twitter heeft hij afgerond 22.800 tweets geproduceerd in iets meer dan tien jaar tijd. Ik kom dan uit op iets van 2200 tweets per jaar. Dat is gemiddeld per dag een 6 tweets en dat gedurende meer dan 10 jaar. Dat grote aantal tweets per dag, betekent dus ook, dat er over de gemiddelde tweet niet al te lang wordt nagedacht. Het moet vooral: snel, snel. Het is schieten vanaf de heup.

We hebben hier iemand die zichzelf opwerpt als 'anti-racist'. Iemand die vervolgens overal 'racisme' en 'fascisme' denkt te zien. Maar ook iemand die in extreme mate lijdt aan dubbel gestoorde waarneming (DGW). Maar DGW en bevooroordeeldheid gaan samen op. Waar het een is, is ook het ander.

Een duidelijk teken dus dat we te maken hebben met een extreem bevooroordeeld iemand. In het Engels hebben ze daar een mooi woord voor: 'bigot'. In het Nederlands komt 'racist' misschien het dichtstbij.

Aan de andere kant moet je natuurlijk niet te snel willen zijn. Trek ik nu niet te gemakkelijk een conclusie? Laten we voor de zekerheid nog even checken.

Allereerst is er die grote mate van agressie. Iemand publiekelijk beschuldigen van het schrijven van een 'racistische' column. Verder is Pam tot nu toe bepaald niet het enige doelwit van de man. Wat de verwachte score op bevooroordeeldheid (de standaard maat voor agressie) betreft, lijkt er dus weinig twijfel mogelijk.

De volgende standaard-check is te kijken naar sociale dominantie en (rechter vleugel) autoritarisme. Die twee variabelen voorspellen samen vrijwel volledig bevooroordeeldheid. Als je kijkt naar het LinkedIn profiel van de man lijkt me weinig twijfel mogelijk over die sociale dominantie. Ook het autoritarisme druipt bijna van zijn opinie-artikel af. Ook deze check levert dus hetzelfde resultaat op.

Dan hebben we nog die concrete bewering van de man in dit geval. Hij ziet 'racisme', waar het niet is. Het is alsof je bijna midden in een Asch-experiment zit.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, hebben we dan ook nog die extreme mate van DGW. In één zin drie onjuistheden de wereld inslingeren. Vrij naar de woorden van weerman Gerrit Hiemstra: Eén zin met 3 keer onzin. Wie kan daar overheen?

Hiemstra deed die uitspraak in reactie op een tweet van Baudet over het klimaat. Hij zag in de tweet van Baudet (ik overigens ook) 4 duidelijke onwaarheden. Dus inderdaad: zo bont als Baudet het maakt, lukt het Kooistra niet. (Zie voor een verslag van deze twitterfittie: https://www.thebestsocial.media/nl/gerrit-hiemstra-burnt-thierry-baudet-op-twitter-en-onzin-discussie-is-aan/.)

Is het toeval dat in dit verband de naam van Baudet opduikt? Ik denk van niet. De een poneert in één zin drie onwaarheden, de ander poneert in één tweet vier onwaarheden. Kennelijk is DGW inderdaad typerend voor rechtse roeptoeters.

Alle vier checks leveren dezelfde uitkomst. Er lijkt niet echt twijfel mogelijk: deze persoon die overal 'racisme' denkt te zien, scoort naar verwachting uitermate hoog op bevooroordeeldheid. De standaardmaat voor discriminatie en agressie.

Toch ben ik nog niet volledig tevreden. Als je de conclusie hierboven ziet, is het een vrij forse uitspraak. Laten we naar de tweet kijken, waarmee de vete begon. Voor het gemak herhaal ik die hier nog een keer.

"Empathie (met zwarte mensen) is gevaarlijk. Het is de empathie van antiracisten die ze gewelddadig maakt. En de waardering voor zwarte kunstenaars is niet rationeel. Uw doorsnee racistische column in de @volkskrant van vandaag komt van Max Pam."

Empathie is gevaarlijk, volgens mij en volgens Pam, maar Kooistra maakt er in zijn tweet iets heel anders van. Empathie (met zwarte mensen) zou gevaarlijk zijn. Nee, dus. Dan maak je van een neutrale uitspraak een discriminerende uitspraak. Iets dat Pam nooit gesteld heeft en ook nooit bedoeld heeft.

Ook de tweede zin van de tweet, is nooit in die vorm door Pam geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de derde zin van de tweet.

Wat er dus gebeurt, lijkt duidelijk. Kooistra hoort iets, dat hem niet bevalt. Hij ziet empathie als iets heel moois en nu komt iemand vertellen, dat het helemaal niet zo mooi is. Vervolgens loopt het gal de man over. Als een soort vuurspuwende draak begint hij beweringen uit te kramen. Hij denkt iets te horen en te zien, maar wat hij denkt te horen en te zien, is er helemaal niet. Voor zijn idee is het standpunt dat Pam over het voetlicht probeert te brengen helemaal fout en moet het krachtdadig bestreden worden. Niet met zakelijke argumenten, maar met emotioneel geroeptoeter.

Als je dus afgaat op de tweet, reageert de man volstrekt emotioneel. Hij hoort vaag iets en onmiddellijk slaan alle stoppen door. En weet hij alles volstrekt zeker. Maar ging het bij Adolf echt anders?

De tweet suggereert dus dat hij de column niet echt verwerkt heeft, de column heeft zijn systeem 1 getriggerd en vervolgens begon het bekje te schuimbekken en onzin uit te kramen.

Maar een sterk ontwikkeld systeem 1 is een verdere aanwijzing voor extreme bevooroordeeldheid. Dat geeft dus in totaal vijf argumenten om te denken, dat we hier te maken hebben met een extreem bevooroordeelde persoonlijkheid.

Waarom is dit resultaat belangrijk voor deze blog? Uitgaande van wat we tot nu toe afgeleid hebben uit het Asch-onderzoek verwachten we voor (extreem) bevooroordeelde mensen, dat ze in situaties met publiek dingen zien die er niet zijn en niet waarnemen, wat er is. Dit concrete voorbeeld bevestigt die uitkomst. We hebben hier kennelijk een bevooroordeeld persoon, die ziet wat er niet is en die niet ziet, wat er wel is.

Ik beperk me nu weer even tot de onjuiste bewering over de 'racistische' column en de ene zin in de twee met drie onjuistheden over die column. In termen van DGW hebben we het dan over een foute bewering en het niet zien van wat er is.

Die twee punten kun je echter misschien ook onder dezelfde noemer brengen. We baseren immers de conclusie dat de persoon iets 'ziet' op zijn verhaal, dat niet klopt met wat er te zien valt. De conclusie dat deze persoon niet ziet, wat er is, baseren we echter ook op zijn verhaal (in dit geval: die ene zin), dat op drie plaatsen niet klopt, met wat er is.

Je kunt dus ook zeggen: de bewering over de 'racistische' column klopt niet met de feiten en die ene zin met drie onjuistheden, klopt ook niet met de feiten. Met andere woorden: de man produceert voortdurend een verhaal dat niet klopt met de feiten. Een verhaal dat los van de werkelijkheid staat.

Dat invalideert onze eerdere conclusie echter niet. Op grond van zijn verhaal is het immers plausibel dat de man inderdaad niet heeft waargenomen, wat er is. Maar deze manier van taalgebruik die de man hanteert, maakt het mogelijk zijn gedrag te verklaren via een enkel principe.

Deze persoon produceert kennelijk vooral woorden om sociaal indruk te maken. Anders geformuleerd: deze persoon produceert overwegend mands (propaganda, reclame) en geen tacts (beschrijvingen). Zijn doel is sociaal te scoren. Gegeven dat doel interesseert hij zich niet voor de feitelijke juistheid of onjuistheid van zijn uitspraken.

Voor Hitler gold bij zijn toespraken precies hetzelfde. Alleen het aantal nieuwe leden dat zich voor de NSDAP meldde, zag hij als criterium van succes. De juistheid of onjuistheid van wat hij beweerde, vond hij volstrekt irrelevant.

Maar als dat principe voor deze twitteraar opgaat, verwacht je dat dat het in het algemeen zal opgaan. DGW en bevooroordeeldheid kunnen dus vanuit hetzelfde principe worden verklaard. De bevooroordeelde persoon produceert woorden, die geen tacts zijn, maar mands. Het is allemaal propaganda en heeft niets van doen met dat wat werkelijk is. Er bestaat voor deze twitteraar geen enkele noodzaak zich druk te maken over iets als 'feitelijke juistheid', want dat is zijn doel niet.

Dat resultaat klopt met het -- volledig op empirisch onderzoek gebaseerde -- soortenmodel. Volgens het soortenmodel bestaat een moderne samenleving (zoals die ontstaan na de uitvinding van de landbouw) uit twee tegenovergestelde culturen. In de bèta-cultuur draait het bij uitspraken om feitelijke juistheid, in de alfa-cultuur gaat het slechts om sociale effect. In de ene cultuur moeten uitspraken kloppen met de harde werkelijkheid, in de andere cultuur moeten ze 'mooie' gevoelens (en soms minder mooie) oproepen bij het publiek.

Anders geformuleerd: wat deze persoon beweert, heeft geen feitelijke inhoud. Het is allemaal slechts sociaal geroeptoeter om aanhang en status te verwerven bij zijn publiek (zijn volgelingen/gelovigen).

Dat klinkt misschien alsof het allemaal ongevaarlijk is. Het is, historisch gezien, nog niet zo lang geleden dat zo'n zes miljoen Joden voortijdig aan hun einde kwamen door het sociale geroeptoeter van een andere, extreem bevooroordeelde persoon. De in feite overbodige wereldoorlog die door die persoon ontstond, kostte in totaal aan ongeveer 65 miljoen mensen het leven. Echt ongevaarlijk is geroeptoeter dus niet.

Aan de andere kant leert het empirische discriminatie- en agressie-onderzoek dat daar het probleem eigenlijk niet zit. Volksmenners zullen er altijd zijn. Pas op het moment dat ze een grote groep volgelingen/gelovigen achter zich weten te krijgen, loopt de situatie (vaak snel en volledig) uit de hand. Het probleem zit dus -- zo gezien -- niet bij de volksmenner, maar bij de volgelingen/gelovigen.

Het echte probleem is dus misschien niet, dat iemand onzin debiteert. Het echte probleem is dat veel mensen niet langer in staat zijn, die onzin als onzin te herkennen.


-----

Op 27-9-2020 in de zesde alinea van beneden de zin beginnend met "Het is allemaal propaganda" waarin de ontkenning was weggevallen, gecorrigeerd.







 

 

dinsdag 25 augustus 2020

Dubbel gestoorde waarneming (DGW) en bevooroordeeldheid zijn twee kanten van dezelfde medaille


Laatst bijgewerkt: 27-8-2020 om 22.24


Maar klopt het echt? Ik bedoel het verschijnsel: 'dubbel gestoorde waarneming' (DGW).

DGW is het verschijnsel dat extreem bevooroordeelde mensen geen idee hebben van wat ze precies gezien of waargenomen hebben. Hun blik is gericht op de groep (hun publiek), waardoor ze niet zien, wat zich voor hun ogen afspeelt. Het gevolg is dat ze niet alleen het onjuiste verhaal van de groep overnemen (de eerste storing in hun waarneming), maar ook niet waarnemen, wat er te zien valt (de tweede storing). Hun onjuiste verhaal is dus geen bewust liegen, maar een 'mooi' verhaal waarvan ze zichzelf de onjuistheid niet realiseren.

De basis voor het verschijnsel DGW zijn de kwantitatieve interview-data die Asch vermeld heeft in zijn beroemde artikel (1956) over conformiteit: A Minority of One Against a Unanimous Majority (pdf hier: http://psyc604.stasson.org/Asch1956.pdf).

Bij de analyse van de resultaten van Asch stuitte ik op een merkwaardig verschijnsel (zie mijn voorgaande blogposts). De mensen die voortdurend of bijna voortdurend met de groep meegaan (11 of 12 keer van de in totaal 12 mogelijke keren) blijken na afloop van het experiment geen enkel idee te hebben van het door hen aantal gemaakte fouten. Ze schatten doorgaans 0, 1 of 2 gemaakt te hebben, in werkelijkheid zijn het er 11 of 12. Ze schatten zichzelf in als heel goed, terwijl ze het in werkelijkheid heel slecht deden.

De mensen die voortdurend gewoon hun taak hebben uitgevoerd (0 fouten), weten dat ze het foutloos of vrijwel foutloos hebben gedaan. Het gemiddelde van hun schatting is 0.06 gebaseerd op 18 respondenten. Ze schatten zichzelf in als iets slechter dan ze in werkelijkheid waren.

 

Asch signaleert 'yielding without awareness', maar ziet niet precies wat hij heeft gevonden

Dit resultaat verklaart een merkwaardig punt in het verslag van Asch. Op basis van de gegeven antwoorden bij het interview na afloop verdeelde hij de mensen die twee keer of vaker meegegaan waren in hun antwoord met de groep, in drie categorieën. Een categorie die dacht dat zijn oordeel niet klopte, omdat het groepsoordeel natuurlijk superieur was. Een categorie die zag dat de groep een onjuist antwoord gaf, maar ten koste van alles niet uit de groep wilde vallen. En een categorie mensen die zich helemaal niet realiseerde dat men de groep volgde met zijn antwoord. Asch omschreef dat als: 'yielding without awareness'. Men was zich het volgen van de groep met zijn antwoord niet bewust.

Asch vond deze laatste categorie uiterst belangwekkend, maar vond het ook een dermate vreemd verschijnsel dat hij het niet zonder verder onderzoek wilde accepteren. Hij legde echter merkwaardig genoeg niet een nadrukkelijk verband met zijn gegevens betreffende het aantal keren dat men fout geantwoord had en de schatting van het gemaakte aantal fouten, die men gegeven had.

Het verslag van Asch levert dus in ieder geval op twee verschillende plaatsen informatie over DGW. Eerst via 'Table 12' (p. 35): een kruistabel van het aantal gemaakte fouten en het aantal geschatte fouten. Vervolgens via de categorisatie van de mensen die met de groep meegingen in drie categorieën (p. 41-50).

Asch omschreef 'yielding without awareness' als volgt (p. 41):
"Yielding at the 'perceptual' level.
Among the rarest, but not the less significant, of the reactions were those in which yielding occurred apparently without awareness."

Hij ziet 'yielding without awareness' dus als een verschijnsel dat ingrijpt op de perceptie. Mensen zien niet langer, wat er is. De waarneming is verstoord.

Het merkwaardige punt in het verhaal van Asch is dat hij 'yielding without awareness' niet koppelt aan de resultaten vermeld in 'Table 12' en dat hij het verschijnsel ook niet nadrukkelijk koppelt aan de mate waarin men met de groep meeging. De verklaring is vermoedelijk dat Asch vooraf geloofde dat iedereen het conflict tussen werkelijkheid en standpunt van de groep wel door zou hebben. Deze uitkomsten pasten niet goed bij dat geloof.

In het begin van zijn interview-verslag (p. 27) merkt hij op dat iedereen het conflict zich wel realiseerde. Hij schrijft: "All subjects noted the disagreement as soon as it occurred. They were also aware that the majority was unanimous and that they were in a minority of one. Their first reaction was one of puzzlement. The subjects felt that there was something wrong, but could not locate the source of the difficulty. Numerous statements testify to this."

Hij veronderstelt dat iedereen het wel door zal hebben en ziet dat vervolgens bevestigd door een aantal gesprekken. Hij ziet daardoor niet dat dit idee niet voor alle respondenten opgaat. Met andere woorden: door zijn geloof, zijn vooroordeel, zag hij niet duidelijk, wat hij precies had gevonden. Het fenomeen dat uit zijn gegevens en zijn verslag volgt, speelde ook hem parten. 

 

Sociale wenselijkheid kan de gegevens over DGW niet verklaren

Weten de mensen met DGW werkelijk niet, hoe vaak ze een fout antwoord gaven of zeggen ze gewoon iets, dat 'mooi' (sociaal wenselijk) klinkt?

Stel je voor. Je hebt als proefpersoon meegedaan aan een Asch-experiment. Je volgde met je antwoorden voortdurend of bijna voortdurend de groep. Waarom deed je dat? Omdat je het belangrijk vindt, sociaal positief over te komen. Je dacht, dit is wat de groep gelooft. Ik ga daar niet tegenin, maar bevestig wat ze geloven.

Daarna neem je deel aan het interview. Maar je wilt natuurlijk nog steeds graag positief overkomen op andere mensen. In dit geval op je gesprekspartner, die de vragen stelt. Die gesprekspartner vraagt je: hoe vaak heb je fout geantwoord? Daarbij heeft hij van te voren nog eens uitgelegd wat hij precies bedoelt met 'fout' antwoorden. De lengte van de doellijn en de antwoordlijnen nameten met een lineaal en op die manier de juiste lengte bepalen.

Als je dus een goede indruk probeert te maken op je vragensteller, begrijp je waar de man (of vrouw) naar toe wil. Ja, je hebt inderdaad wel erg vaak (11 of 12 keer) een onjuist antwoord gegeven. Had je misschien beter niet kunnen doen, maar oké. Dat is immers, hoe je vragensteller de zaak ziet.

In werkelijkheid is dat echter niet, wat je zegt. Je zegt namelijk 0 of 1 fout gemaakt te hebben. Het antwoord dat je geeft, is in deze situatie, sociaal bekeken: uiterst ongelukkig. Het is een vreemd antwoord. Het wekt de suggestie dat je er niets van snapt.

Met andere woorden: het antwoord dat je geeft, kan onmogelijk verklaard worden door je drive om toch maar vooral een sociaal aangepast antwoord te geven. Want dan zou je precies de tegenovergestelde kant uitgaan met je antwoord. 

 

DGW is functioneel voor groepsmensen

Maar als het antwoord dat je geeft, niet verklaard kan worden door sociale wenselijkheid, dan lijkt er maar één optie over te blijven. Je hebt echt geen flauw idee. Je hebt geen idee, dat je voortdurend of bijna voortdurend foute antwoorden gaf.

We kunnen de antwoorden die Asch kreeg, dus niet verklaren door sociale wenselijkheid. De enige overblijvende optie is dan: men had niet door dat men foute antwoorden gaf. Men realiseerde zich niet, dat men steeds het antwoord van de groep overnam. Men deed het wel, maar men had het niet door. Men deed, in Asch zijn termen, aan: 'yielding without awareness'.

Het gaat dus echt om 'dubbel gestoorde waarneming'. Eerst verkondigt men iets dat niet klopt, vervolgens blijkt men ook niet gezien te hebben, wat duidelijk waarneembaar was.

Hoe valt dat te begrijpen? Stel, je wilt scoren in de groep. Dat doe je niet door je mond te houden. Dat doe je door iets te roepen, dat bijval oplevert. Iets, dat goed valt. Als je dus wilt scoren, moet je snel zijn, want anders is iemand anders nog sneller en dan is je kans voorbij. Je moet dus echt klaar zitten om onmiddellijk verbaal in actie te kunnen komen. Niet denken, niet observeren, maar roepen en roeptoeteren.

Wanneer je je dus verplaatst in een extreem groepsmens, is het helemaal niet zo vreemd, om zo snel mogelijk iets te roepen en vooral je tijd niet te verdoen met observeren en nadenken. Op die manier bekeken is het verschijnsel 'dubbel gestoorde waarneming' zo gek nog niet. Want het gaat je niet om het waarnemen van iets, maar om het scoren in de groep.

Dat betekent, dat we twee soorten uitspraken hebben. Uitspraken die gebaseerd zijn op observaties. En uitspraken die bedoeld zijn om sociaal te scoren. In het Asch-experiment krijg je de opdracht observationele uitspraken te doen. Met die opdracht ga je akkoord. Vervolgens wordt het echter voor sommige mensen verleidelijk om sociaal te scoren.

Asch meet dus de mate waarin je weerstand kunt bieden aan de neiging om sociaal te scoren. En dat blijkt inderdaad precies hetzelfde te zijn als 'bevooroordeeldheid'. (Ik zet dat woord tussen enkele aanhalingstekens om aan te geven dat het om een meetbare variabele gaat en niet om een of ander abstract woord.)

Het idee dat we twee verschillende soorten uitspraken hanteren, heeft Skinner ook in Verbal Behavior (1957) gedaan, maar toen nog niet erg expliciet. Hij zag die twee totaal verschillende categorieën op dat moment nog niet duidelijk als de twee grote bouwstenen van menselijke taal. Observationele uitspraken benoemde hij als 'tacts'. Met zo'n uitspraak legde je 'contact' met de harde wereld. Uitspraken die sociaal bedoeld waren om te zorgen dat je iets kreeg, benoemde hij als 'mands' (als afkorting van 'demand', vragen).

Als je het bekijkt vanuit de optiek van een extreem groepsmens, is 'dubbel gestoorde waarneming' vermoedelijk heel functioneel. Maar is het inderdaad zo, dat alleen extreme groepsmensen het verschijnsel vertonen of komt het ook voor bij meer gematigde groepsmensen?


Relevantie van de relatie tussen DGW en bevooroordeeldheid

Hoe ontstond de voorgaande vraag? Ik vind in de krant een opinie-artikel. De schrijver beweerde eerder op Twitter 'racisme' te zien in een column van Max Pam. Pam zelf, ik en anderen zagen dat beweerde racisme echter niet in de column.

Die opmerking schoot Pam in het verkeerde keelgat en hij liet zijn advocaat aangifte doen wegens smaad. De ijverige twitteraar krijgt vervolgens in de krant nog eens volop gelegenheid zijn wilde bewering te verdedigen en te herhalen.

Wat me opvalt aan het opinie-artikel van de twitteraar is de chaotische en associatieve betoogtrant. Ik denk dus (rechter vleugel) autoritarisme te zien in combinatie met sociale dominantie. Met andere woorden: ik denk een double-high of 'men of words' te zien. De meest bevooroordeelde mensen die er op Gods aardbodem rondlopen.

Iets rapporteren, dat er niet is. Iemand beschuldigen van iets extreems zonder enige aanleiding. Een chaotische redeneerstijl hanteren. Als het inderdaad om een extreem groepsmens gaat, zou je DGW verwachten. Valt dat in dit geval aan te tonen?

Dat blijkt niet zo moeilijk te zijn. De schrijver beweert in één zin drie zaken over de column van Pam. Alle drie beweringen blijken na onderzoek onjuist te zijn. In één zin drie onjuistheden de wereld inslingeren. Zelfs iemand als Trump lukt dat niet altijd.

Als ik mijn verhaal vervolgens probeer op te schrijven, wil ik de conclusie trekken uit de door mij waargenomen DGW dat het om een extreem bevooroordeeld persoon moet gaan. Die conclusie klopt in dit geval vermoedelijk wel, maar die redenering klopt -- strikt genomen -- niet.

We hebben immers tot nu toe alleen het omgekeerde aangetoond. Mensen die extreem vaak met de groep meegingen in het Asch-experiment (dus extreem bevooroordeeld zijn), vertonen DGW. Het is echter goed mogelijk dat ook mensen die niet extreem bevooroordeeld zijn DGW vertonen.

Dus, hoe zit dit? Vertonen alleen extreem bevooroordeelde mensen DGW of is het een verschijnsel dat bij alle bevooroordeelde mensen in meer of mindere mate voorkomt?

 

DGW opnieuw onderzocht

De eenvoudigste manier om dit te onderzoeken, is opnieuw te kijken naar de interviewgegevens van Asch. Maar nu kijken we niet slechts naar de groep mensen met 11 en 12 fouten, maar naar alle respondenten die fouten gemaakt hebben. Het gaat dus om alle respondenten met 1 tot 12 fouten. Mensen die zich in enigerlei mate conformeren aan de groep, dus meer of minder bevooroordeeld zijn.

Om dit goed te kunnen doen, heb ik de gegevens van 'Table 12' en 'Table 13' van Asch ingevoerd in mijn statistiekprogramma.

Wat bedoelen we in dit verband precies met 'DGW'? De eerste storing in de waarneming meten we via het aantal gemaakte fouten. Die fout ontstaat door het antwoord van de groep over te nemen, terwijl voor je ogen zichtbaar is, dat dat onzin is. Vervolgens krijg je na afloop van het Asch-experiment de vraag, hoeveel foute antwoorden je gegeven denkt te hebben. Daarbij is nog eens precies uitgelegde wat bedoeld wordt met een 'fout' antwoord.

Wanneer je vier keer met de groep meegegaan bent, heb je dus vier keer een fout antwoord gegeven. Wanneer je dat echter in het interview na afloop precies weet, was je je dus kennelijk wel bewust van je fout. In dat geval heb je dus geen dubbel gestoorde waarneming. Je wist precies wat je zag, maar je vond het slimmer om met de groep mee te gaan. Het verschil tussen het aantal fouten en je schatting van het aantal fouten, is dus de maat voor DGW die we hanteren.

In beginsel is het dan mogelijk dat sommige mensen hun aantal fouten te hoog inschatten en anderen te laag. In het ene geval krijg je een negatieve waarde, in het andere geval een positieve waarde. Als je die zou optellen, vallen die tegen elkaar weg. Om dat te voorkomen, kun je dus consequent de absolute waarde gebruiken.

In werkelijkheid doet dit probleem zich bij de groepsmensen (1-12 fouten) in de Asch-data niet voor. Iedereen schatte zijn aantal fouten (veel) lager in, dan het werkelijk was. Er kunnen echter ook gevallen zijn, waarin negatieve waarden optreden en dan is het hanteren van de absolute waarde misschien toch beter.

Om mijn analysemethode duidelijk te krijgen en te kunnen testen, heb ik me in eerste instantie gericht op het aantal keren dat men dacht het oneens geweest te zijn met de groep ('Table 13').


Hoe vaak was men het oneens met de groep en wat schatte men?

In vorige blogposts heb ik laten zien dat extreme groepsmensen (11 en 12 fouten) vrij precies weten hoe vaak ze het oneens waren met de groep. Taakmensen (0 fouten) weten dit veel minder precies, maar gemiddeld genomen, weten ze dit toch ook nog vrij goed.

Wat levert deze analyse voor alle groepsmensen op? Ik heb eerst de correlatie berekend tussen het aantal keren dat men het oneens was met de groep en het aantal keren dat men schatte het oneens geweest te zijn met de groep. Ik vind een correlatie van 0.83 gebaseerd op 34 respondenten.

Dat betekent dus dat groepsmensen een heel goed idee hebben over hoe vaak ze zijn afgeweken van de groep. Dat klopt ook met mijn eerdere analyse. Groepsmensen focussen op de groep en weten daardoor ook precies hoe vaak ze de groep niet volgden.

De tweede correlatie die ik vanuit deze gegevens berekende, was tussen het aantal keren dat men het oneens was met de groep en de absolute fout die men maakte bij de schatting van dat aantal keren. Deze correlatie (weer op basis van 34 respondenten) bedroeg 0.57.

Wat betekent dat? Naarmate mensen het vaker oneens zijn met de groep (minder bevooroordeeld zijn, meer van een taakmens hebben) weten ze minder goed hoe vaak ze precies zijn afgeweken van de groep.

Deze analyse van 'Table 13' bevestigt dus, wat we al dachten, maar nu geldt de conclusie voor alle groepsmensen (1-12 fouten). De eerdere conclusie was gebaseerd op alleen de extreme groepsmensen (11 en 12 fouten) en daardoor belangrijk beperkter.


Hoe veel fouten maakte men en wat schatte men?

De volgende analyse heeft betrekking op het aantal fouten en het geschatte aantal fouten ('Table 12' van Asch) bij alle groepsmensen (1-12 fouten). Ik voer dezelfde stappen nog een keer uit, maar nu op deze gegevens.

De correlatie tussen het aantal fouten en het geschatte aantal fouten bedraagt 0.29 op basis van 40 respondenten. Met andere woorden: groepsmensen hebben vrijwel geen idee van het aantal fouten dat ze werkelijk maken. Ze weten vrijwel perfect hoe vaak ze afwijken van de groep, maar van het aantal fouten dat ze hebben gemaakt, hebben ze amper benul.

Deze correlatie van 0.29 kun je ook nog vergelijken met de eerdere correlatie van 0.83. Wat je dan ziet, is dat groepsmensen heel goed kunnen schatten hoe vaak ze zijn afgeweken van de groep, maar geen idee hebben van het aantal fouten dat ze gemaakt hebben. Ze doen hun benaming 'groepsmensen' dus echt eer aan.

Goed, maar waar het ons vooral om ging, was DGW. Als maat daarvoor zouden we het absolute verschil tussen het aantal fouten en de schatting daarvan, hanteren. Wat vinden we voor de correlatie tussen DGW en het aantal fouten?

Ik vind een correlatie van 0.90 gebaseerd weer op 40 respondenten. Met andere woorden: DGW en bevooroordeeldheid zijn vrijwel hetzelfde. Iemand die bevooroordeeld is, vertoont ook DGW en omgekeerd. Naarmate men meer bevooroordeeld is, neemt ook de mate van DGW toe.

 

Conclusie

Bevooroordeeldheid en DGW zijn een innig koppel. Waar de een is, is ook de ander. Anders geformuleerd: gelovigen (bevooroordeelde mensen) vertellen niet alleen een verhaal, dat niet klopt, ze zien ook niet, wat er is.

DGW en bevooroordeeldheid zijn overwegend hetzelfde. Het is verleidelijk om te denken dat DGW een nieuwe manier is om bevooroordeeldheid vast te stellen. Op basis van de gegevens van Asch kunnen we dat echter niet hard maken, omdat de bepaling van DGW ook gebaseerd is op het aantal gemaakte fouten. Het gaat immers om het absolute verschil tussen aantal fouten en de schatting daarvan. Via deze opzet kan DGW dus niet zelfstandig worden waargenomen.

De ervaring die ik inmiddels heb opgedaan door het analyseren van het eerder aangeduide opinie-artikel suggereert echter dat je enerzijds een ongefundeerde claim kunt aantonen, waarna je vervolgens kunt zoeken naar evidentie voor het niet goed hebben waargenomen van dat, waar men het over heeft. Ik hoop daar in een volgende post uitgebreider over te berichten.



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


zondag 23 augustus 2020

Dubbel gestoorde waarneming (DGW): twee voorbeelden

 

In mijn vorige blogpost kon ik twee doorbraken rapporteren. Allereerst blijkt conformiteit (het meegaan met de groep in een Asch-experiment) hetzelfde te zijn als bevooroordeeldheid, de zooifactor.

Asch komt op basis van de interviews na afloop tot een indeling in drie categorieën. Het soortenmodel, dat op basis van empirisch onderzoek verklaart waarom mensen bevooroordeeld zijn, voorspelt dezelfde drie categorieën. Dat lijkt alleen mogelijk als het in beide gevallen om dezelfde variabele gaat.

De tweede doorbraak is het verschijnsel van 'dubbel gestoorde waarneming' (DGW) en de tegenhanger: 'dubbel werkende waarneming' (DWW).

Extreem bevooroordeelde mensen (mensen met 11 of 12 fouten in het Asch-experiment) vertonen DGW. Dat bleek uit een heranalyse van de interview-gegevens in het artikel van Asch. Allereerst rapporteren deze mensen niet wat ze zien, maar wat de groep zegt, dat men ziet. Vervolgens blijken ze ook niet waargenomen te hebben, wat ze te zien kregen. De blik is zo volledig gericht op scoren in de groep, dat men geen aandacht meer besteedt aan wat men kan waarnemen.

Bij niet of nauwelijks bevooroordeelde mensen (mensen met 0 of 1 fout in het Asch-experiment) treedt een tegenovergesteld effect op. Men focust bewust op wat men moet waarnemen (systeem 2). Vervolgens blijkt men echter ook nog een redelijk idee te hebben van de antwoorden die de groep gaf. Kennelijk zijn die automatisch verwerkt door het automatisch werkende systeem 1. Men hanteert dus dubbel werkende waarneming, men neemt gelijktijdig via beide systemen verschillende zaken waar.

Strikt genomen is het natuurlijk wat griezelig om op basis van een enkele bron te besluiten tot het bestaan van iets als DGW, dat toch als behoorlijk bizar overkomt. Valt er meer evidentie voor te vinden?

Laten we even reflecteren. Waarom begonnen we aan de lastige en moeizame analyse van het Asch-artikel? De reden was de grote populariteit van het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregman. Op basis van wat we denken te weten, geldt: de meeste mensen deugen niet en in doorsnee deugen ze heel erg niet. Waardoor ontstaat die grote populariteit van dit boek dan?

Mijn verklaring was geloof, bevooroordeeldheid. Gelovigen zien zaken, die er niet zijn. In dat kader gaf ik drie voorbeelden (hier).

Het eerste voorbeeld was het boek van Bregman. De lezers omarmen zijn 'mooie' verhaal. Ze geloven het. Ze nemen het over. Ze 'zien' dus iets, dat er niet is.

Maar als we beter kijken, zien we nog iets. Deze mensen, die in het boek van Bregman geloven, zien ook niet, wat er wel is. Er is nogal wat evidentie dat veel mensen niet deugen en dat mensen vaak heel erg niet deugen. Die evidentie zien mensen die zijn boodschap geloven, doorgaans echter niet.

Samenvattend: mensen die geloven in de boodschap van Bregman, dragen uit iets te zien dat er niet is. Tegelijkertijd, zien ze ook niet, wat er wel is. Dit eerste voorbeeld lijkt dus te kloppen met het resultaat dat ik uit de gegevens van Asch afleidde.

Mijn tweede voorbeeld was een bedacht voorbeeld, om te laten zien dat we in beginsel allemaal wel eens in de verleiding kunnen komen, iets te 'zien' dat er niet echt is. Voor dat bedachte voorbeeld, ben ik  niet uitgegaan van zeer bevooroordeelde mensen. Het doel was te laten zien, dat iedereen wel eens in de verleiding komt, iets te zien, dat er niet is. Ik veronderstel dus niet speciaal een bevooroordeeld persoon.

Mijn derde voorbeeld was uit het volle leven. Een medisch team krijgt van iemand te horen dat het in dit geval 'vermoedelijk om epilepsie' gaat. Men doet uitgebreid en langdurige kostbaar onderzoek. Al dat onderzoek heeft negatieve uitkomsten. Men vindt geen afwijkingen. Ondanks dat, weet men het daarna 'vrijwel zeker'. Het moet bijna zeker 'epilepsie' zijn.

Door een toeval wordt een specialist van een andere kliniek met deze diagnose geconfronteerd. Die vindt het maar een vreemd verhaal en begint vragen te stellen. Al snel zegt hij: stop maar, ik weet wat het is. Het kan geen epilepsie zijn en ik weet ondertussen ook wat het wel is. Maar als u helemaal zeker wilt zijn, kunt u zelf nog een test uitvoeren. De test bevestigt dat het om 'lage bloeddruk' gaat, iets dat in mijn dossier stond en ik mijn hele leven lang al heb gehad.

Het medische team dat tot de foute diagnose kwam, had verzuimd te vragen, wat er precies gebeurd was. Daardoor had men belangrijke verschijnselen gemist waaruit bleek, dat het onmogelijk om epilepsie kon gaan.

Ook in dit praktijkgeval zien we dus dubbel gestoorde waarneming (DGW). Eerst omarmt men te snel en te gemakkelijk een onjuiste bewering. Vervolgens ziet men zaken niet meer, die er wel waren.

Deze twee voorbeelden bevestigen het verschijnsel DGW. Het verschijnsel 'dubbel gestoorde waarneming' treedt inderdaad in werkelijkheid soms op.