dinsdag 18 september 2018

Wetenschappelijke kul


Lang geleden was de bijlage Wetenschap van de NRC een van de meest interessante stukjes krant in Nederland, althans naar mijn mening. Tegenwoordig is het iets, dat je soms maar beter ongelezen kunt laten. In dit geval nam ik die bijlage echter wel door en stuitte toen op een column van Robbert Dijkgraaf.

Dijkgraaf bezit het bijzondere vermogen vrijwel voortdurend columns te produceren, die mij lichtelijk wanhopig achterlaten. Het is alsof ik de dominee in de kerk hoor preken over hel, zonde en verdoemenis. Ik krijg dan de onweerstaanbare neiging te denken dat het allemaal wel wat mee zal vallen.

Inmiddels denk ik te weten, via het empirische onderzoek naar discriminatie en agressie, dat die zondeval inderdaad zo'n tienduizend jaar daadwerkelijk plaats moet hebben gevonden en kunnen we verder dat begrip 'hel' aardig plaatsen. Fascisten kunnen wel zonder God, maar niet zonder Duivel. Iedere strongman heeft een groep Duivels nodig, die bestreden moeten worden. Dus misschien zit er in het verhaal van de dominee wel een kern van waarheid.

Bij Dijkgraaf heb ik echter het idee dat die kern van waarheid doorgaans ontbreekt. Je loopt de verkeerde kant uit en hij wijst je enthousiast verder die kant uit met een verhaal, dat je helemaal op de goeie weg bent en vooral stevig moet doorstappen.

Zijn column dit weekend (15 en 16 september 2018) ging over de natuurkundige Richard Feynman en was getiteld: Half genie, half kwibus. Die titel vat de inhoud van zijn column wel aardig samen, denk ik. Hij stelt Feynman voor als een 'half genie' en als een 'halve kwibus'.


Wat is een dwaas en wat is een genie?

Beide punten kloppen mijns inziens niet. Was Feynman een half genie? Of een heel genie? Wanneer je die vraag wilt beantwoorden, moet je eerst operationeel definiëren wat precies een genie is. Dat is niet zo simpel. Bob Altemeyer deed bijna veertig jaar over het operationeel definiëren (en valideren) van autoritarisme en kon, toen hij begon, al bouwen op een stevige empirische basis. Alles wat in deze blog gerapporteerd wordt, dankt haar bestaan aan hem. Was hij een genie? Ach, kom nou.

Was Feynman een kwibus? Dan zit je met precies hetzelfde probleem. Wanneer ben je een kwibus? Er is een foto van Einstein waarop hij zijn tong uitsteekt. Ben je dan een kwibus? Via Google vind ik de volgende omschrijving van 'kwibus': "Een kwibus is een dwaas persoon, een zonderling of een getikt iemand." Wel, dat was Feynman zeker niet. Hij was heel erg het tegenovergestelde van een dwaas of idioot.

Nu plaats ik mezelf natuurlijk in dezelfde lastige positie als waar ik Dijkgraaf van beschuldig: wat is precies een dwaas of idioot? Wanneer ben je dwaas of idioot? Ik denk dat dat niet zo moeilijk is. Mensen die 'dwaas' of 'idioot' handelen, doen iets in een opwelling zonder daar echt over na te denken.

Ik vroeg deze middag in de plaatselijke bouwmarkt een stuk watervast hardboard van 127 bij 148 centimeter. Een plaat hardboard is 122 bij 244 centimeter. De winkelier merkt op: dat zal niet lukken, dat moet in twee stukken. Waarop ik reageer met: "Oh, wat dom van mij." De winkelier: "Ach, zover zou ik niet willen gaan."

Uit het gegeven dat iemand een keer niet goed nadenkt, mag je natuurlijk nog niet concluderen dat dat altijd of vaak bij die persoon het geval zal zijn. Dat verandert echter wanneer we goede redenen hebben om te denken dat iemand van dat niet goed nadenken, een gewoonte maakt. De vraag is dus: hebben we iets om dat systematisch wel of niet goed nadenken in beeld te brengen en te meten?

Dat iets hebben we inderdaad. Ik noem dat de alfa-bètafactor, maar de standaard benaming is: bevooroordeeldheid. Bevooroordeeldheid heeft veel gezichten. Je zou het ook de kwebbelfactor kunnen noemen. Iemand kwebbelt er lustig op los, zonder echt na te denken.

Hoe scoorde Feynman op deze kwebbelfactor? Strikt genomen weten we dat natuurlijk niet honderd procent zeker, maar uit zijn schrijfsels kun je die score op de kwebbelfactor wel schatten. Als je dat doet, lijkt er geen enkele twijfel mogelijk: Feynman scoorde ultra laag op de kwebbelfactor. Iets dat hij vermoedelijk gemeenschappelijk had met iemand als Einstein.


Foute wetenschappers

Ik moet nu een andere vooringenomenheid opbiechten: ik heb een zwak voor Feynman. Ik ben hem op een bepaalde manier dank verschuldigd. De aanleiding en in zekere zin de oorzaak voor deze blog, was het criminele gedrag (in wetenschappelijke, morele en mogelijk ook legale zin) van een stel Groningse hoogleraren onder leiding van de (nu nog 'huidige', maar straks voormalige) voorzitter van het College van Bestuur van de RUG.

Wetenschappers die geloven zich crimineel te moeten gedragen, wekken bevreemding. We zijn juist geneigd te denken dat wetenschappers toonbeelden van eerlijkheid behoren te zijn. Waar komt die criminele inslag vandaan? Wat maakt dat sommige wetenschappers niet deugen? Wat is precies het verschil tussen goede en slechte wetenschappers? Of nog algemener: wat is het verschil tussen goede wetenschap en slechte wetenschap?

Een eerste merkwaardigheid die me in dit verband opviel, was dat het grote aantal betrokkenen (meer dan tien) een soort abonnement op fraude, liegen, onwaarheid en gedraai leek te bezitten. Waarheid leek voor hen slechts 'hun waarheid' te betekenen. Het begrip 'objectieve waarheid' leek voor hen een onbekend concept te zijn.

Een tweede merkwaardigheid die me opviel, in het grote aantal stukken dat ik in handen kreeg, waren de problemen met logisch denken. Het was alsof je met een collectie patiënten uit een psychiatrische inrichting aan het communiceren was. Men was niet rationeel, maar verregaand irrationeel.

Een derde merkwaardigheid was dat het nooit om 'echte' wetenschappers leek te gaan. In de grote groep samenspannende betrokkenen zat niet een enkele bèta-wetenschapper. Het waren allemaal alfa's of mensen die hun heil en levensdoel zochten in het besturen van een grote organisatie.

Een vierde aanwijzing kreeg ik, toen ik door de gebeurtenissen te beschrijven, via wat elementaire statistiek, glashard kon aantonen dat het om discriminatie/agressie moest gaan. Hier was een grote club Groningse alfa-hoogleraren aantoonbaar niet bezig met wetenschappelijk onderzoek, maar langdurig druk met discriminatie/agressie.

Kennelijk zat er dus een belangrijk verschil tussen alfa-wetenschap en bèta-wetenschap. Waaruit bestond dat verschil precies en viel dat hard te maken? Een van de benaderingen die je dan kiest, is de literatuur te raadplegen. Wat is goede wetenschap en wat is slechte wetenschap en wat is precies het verschil?

Je zou dan denken dat er over de 'wetenschappelijke methode' wel behoorlijk veel te vinden moet zijn, maar dat blijkt heel erg tegen te vallen. Wie als leek via lezen in de literatuur probeert te ontdekken, hoe je als wetenschapper zou moeten werken, staat voor een bijna onmogelijke taak, lijkt het. Kennelijk moet je het vooral van huis uit hebben meegekregen (een boerenmilieu helpt) en valt het lastig precies te verwoorden, waar het verschil zit tussen echte wetenschap en nepwetenschap.

Een van de weinige mensen die dit grote en abstracte probleem heeft aangedurfd en er ook in geslaagd is zijn bevindingen kort en leesbaar op te schrijven, is Richard Feynman (hier).


Feynman over nepwetenschap 

Wat zegt Feynman over nepwetenschap? Hij begint met de stelling dat mensen in de middeleeuwen de meest vreemde dingen geloofden. Vervolgens definieert hij 'science' (bèta-wetenschap) als kijken welk idee wel klopt en welk idee niet, door het idee uit te proberen.

Maar ondanks die methode, geloven nog steeds veel mensen vreemde ideeën. De hoeveelheid (irrationeel) geloof is overweldigend. Hij noemt in dat verband ook onderwijskunde en psychologie als terreinen waarop het bijgeloof welig tiert. Dezelfde mensen verbeteren voortdurend de methodes, maar in werkelijkheid gaan de scores niet omhoog, maar vaak omlaag.
"So I found things that even more people believe, such as that we have some knowledge of how to educate.  There are big schools of reading methods and mathematics methods, and so forth, but if you notice, you’ll see the reading scores keep going down—or hardly going up—in spite of the fact that we continually use these same people to improve the methods.  There’s a witch doctor remedy that doesn’t work."

Wat is nu volgens hem het essentiële verschil tussen echte wetenschap en nepwetenschap? Het verschil is dat je in het ene geval alle informatie probeert te geven aan iemand anders, zodat die zelfstandig je bijdrage kan beoordelen, terwijl je in het andere geval de ander een bepaalde richting uit probeert te sturen. In het ene geval geef je informatie, in het andere geval ben je aan het adverteren.
"In summary, the idea is to try to give all of the information to help others to judge the value of your contribution; not just the information that leads to judgment in one particular direction or another. The easiest way to explain this idea is to contrast it, for example, with advertising.

Daar laat hij het niet bij. Hij geeft vervolgens ook nog aan, waarom mensen die tweede oplossing kiezen waarbij ze zaken eenzijdig voorstellen. Het is om aandacht, eer en roem te krijgen.
"We’ve learned from experience that the truth will [come] out.  Other experimenters will repeat your experiment and find out whether you were wrong or right.  Nature’s phenomena will agree or they’ll disagree with your theory.  And, although you may gain some temporary fame and excitement, you will not gain a good reputation as a scientist if you haven’t tried to be very careful in this kind of work.  And it’s this type of integrity, this kind of care not to fool yourself, that is missing to a large extent in much of the research in Cargo Cult Science."

Het onderscheid dat Feynman dus maakt, is dat tussen beschrijvend/voorspellend taalgebruik en propagandistisch taalgebruik. Verder geeft hij met zoveel woorden aan dat beide soorten taalgebruik verschillende bekrachtigingen genereren. Voorspellend taalgebruik zorgt dat je niet overhoop komt te liggen met de harde werkelijkheid, propagandistisch (of sociaal) taalgebruik zorgt dat je op korte termijn sociale voordelen verwerft.

Inmiddels lijkt duidelijk te zijn, dat precies hetzelfde onderscheid de basis van de alfa-bètafactor vormt. Aan de bèta-kant hebben we het gerichte en kritische denken om de harde natuur te voorspellen. Aan de alfa-kant hebben we de sociaal aangepaste kwebbel. Het klinkt leuk en lekker en het genereert veel bijval, maar feitelijk gezien is het borrelpraat en kul.

Verder hebben we inmiddels evidentie dat de alfa-bètafactor (gemeten als het verschil tussen verbaal en kwantitatief) voor groepen inderdaad het onderscheid tussen empirische wetenschap en nepwetenschap weergeeft (hier en hier). Dat lijkt me al met al geen slecht resultaat voor een natuurkundige die zich in 1974 tijdens een toegankelijk praatje over dit probleem boog.


Dijkgraaf over Feynman

Wat beweert Dijkgraaf over Feynman? "Hij maakte mijn generatie duidelijk dat wetenschap niet alleen moeilijk en belangrijk is, maar ook cool en authentiek." Ten eerste was dat dus pertinent niet de boodschap van Feynman. Ten tweede zit Dijkgraaf hier een fout stereotyp over
wetenschap uit te dragen. Hij zit een bedenkelijk vooroordeel te bevestigen en te verspreiden.

Wetenschap is niet moeilijk, maar in wezen gezond verstand. Je probeert zorgvuldig waar te nemen en die waarnemingen vertellen vervolgens of een uitspraak wel of niet klopt. Het is allemaal gezond boerenverstand. Er zit geen woord Frans bij.

Is wetenschap belangrijk? Misschien soms wel, maar de realiteit is dat de samenleving er vaak op kotst. Men zit niet te wachten op bijvoorbeeld voorspellingen dat Nederland binnen afzienbare tijd onderloopt. Of op harde informatie dat het onderwijs op een bepaald punt beter totaal anders kan.

Is wetenschap cool? Dat lijkt me ook onzin. Het moeilijke van echte wetenschap is dat je als wetenschapper volledig je publiek en sociale omgeving moet kunnen negeren. Het gaat er niet om dat je sociaal interessant kwebbelt, maar dat je je kwebbel volledig laat bepalen door de waarnemingen en de harde natuur. Je produceert dus een verhaal dat sociaal vaak heel vervelend is en helemaal niet leuk. Alfa's lukt dat niet en voor bèta's is dat ook geen gemakkelijke opgave.

Feynman noemt dit punt op het slot van zijn verhaal ook expliciet.
"I have just one wish for you—the good luck to be somewhere where you are free to maintain the kind of integrity I have described, and where you do not feel forced by a need to maintain your position in the organization, or financial support, or so on, to lose your integrity.  May you have that freedom."

Als wetenschapper moet je onafhankelijk van salaris, publicatiedruk en collega's je werk kunnen doen. Ik verkeer in de riante positie dat ik mijn onderzoek volledig zelf bekostig. Ik ben daardoor van niemand afhankelijk. Tegenwoordig is dat echter doorsnee-wetenschappers niet gegeven. Zij moeten publiceren, zij krijgen opdrachten, ze krijgen beoordelingen. Kortom, van echte wetenschap is vaak geen sprake meer. Echte wetenschap bedrijven is daardoor niet 'cool', maar sociaal extreem moeilijk. Het is niet de natuur die tegenwerkt, maar het is de samenleving die tegenwerkt.

Waarom zit Dijkgraaf een volledig fout beeld van wetenschap uit te dragen? De alfa-bètafactor levert een eenvoudig antwoord. Als hij daar hoog op scoort, is dat foute beeld niet zo vreemd, want dat is dan inderdaad het beeld dat hij heeft van 'wetenschap'. Hij ziet wetenschap als iets waar je sociaal mee verder kunt komen. In deze moderne tijd bepaald geen ongewoon verschijnsel.

Klopt die inschatting? Wie zich verdiept in de persoon van Dijkgraaf, ziet dat hij op heel veel aspecten typisch een alfa lijkt te zijn. De column vermeldt verder dat hij directeur is van het Institute for Advanced Study in Princeton. Ook die functie bevestigt dit dus.














Geen opmerkingen:

Een reactie posten